Mensen houden van vogels – en verder?

Onderzoek Het ligt voor de hand: een rijke vogelwereld maakt de mens gelukkig en onderzoek bevestigt het. Maar vraagt door.
Duif en mens op de Dam in Amsterdam.
Duif en mens op de Dam in Amsterdam. Foto Anke Teunissen / Hollandse Hoogte

Ginds zijn de zwanen aan het baltsen. Er klinkt spechtengeroffel, er vliegen ganzen over en de mezen zeggen ‘tie-tuu’ op de schutting. Geluk in een notendop. En nu is er dan wetenschappelijk bewijs: vogels maken gelukkig, zelfs gelukkiger dan geld. De bron van dat nieuws is een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Ecological Economics.

Dat vogels populair zijn, staat vast. Aan de Nationale Tuinvogeltelling doen elk jaar zo’n 200.000 mensen mee. En ‘Beleef de Lente’, het meekijken met broedvogels via webcams van Vogelbescherming, trekt jaarlijks meer dan een miljoen unieke bezoekers.

Maar maken vogels echt gelukkig? Of hebben gelukkige mensen meer de neiging naar vogels te kijken? Of hebben welgestelde mensen, die gelukkiger zijn, meer gelegenheid om naar vogels te kijken? Even het artikel erbij pakken. Legt het stuk echt een causale relatie? Nee. De vogeldiversiteit correléért met het welbevinden van mensen, staat er.

Misschien wel net zoals het aantal verkochte ijsjes correleert met het aantal verdrinkingen. Het één veroorzaakt niet het ander, maar er is een onderliggende factor die beide zaken verklaart. Bij dit voorbeeld is dat warm zomerweer.

Toch ligt het best voor de hand, gelukkig worden van een rijke vogelwereld. Even verder kijken. De Duitse onderzoekers vroegen zo’n zesentwintigduizend Europeanen uit zesentwintig landen naar hun welbevinden, hun inkomen en nog zowat. Dat deden ze via standaard vragenlijsten uit de psychologie en sociale economie. De uitkomsten legden ze naast data over de natuur op de woonplek van die mensen – meestal op provincieniveau. Vervolgens bekeken ze welk aspect van die natuur het meest correleerde met welbevinden. Dat was niet het oppervlak aan groen. Niet de aanwezigheid van zoogdieren of bomen. Niet het aantal vogels. Maar dus wel de rijkdom aan vogelsoorten. Voor elke tien procent toename in het aantal soorten ervoeren mensen significant meer welbevinden – zelfs méér dan bij een groei van tien procent inkomen.

„Een heel interessante studie”, zegt Agnes van den Berg, hoogleraar natuurbeleving aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij deed vergelijkbaar onderzoek, en legde bestaande studies bij elkaar. „We weten uit talloze onderzoeken dat mensen in een groene omgeving minder stress ervaren, gezonder zijn, et cetera”, zegt ze. „Maar in al die studies zijn de hoeveelheid en het gebruik van groen de bepalende factoren. Dus dit verbaast mij wel.”

Het effect is niet te verklaren doordat rijke mensen groener wonen, merkt ze op. „In dergelijk onderzoek kun je goed corrigeren voor sociaal-economische status.” Maar andere zaken vindt ze wonderlijk. „De schaal is bijvoorbeeld enorm. Er zijn veel data bij elkaar geveegd. Een land als Letland wordt als één eenheid meegenomen, terwijl je daar een enorme diversiteit aan landschappen en woonomgevingen hebt.”

Waarschijnlijk, denkt Van den Berg, is er een onderliggende landschapskwaliteit die het gelukseffect verklaart. Stiekem toch gewoon groenoppervlak. Of luchtkwaliteit. Of iets waarvan we nog geen idee hebben. Bij een effect van vogeldiversiteit kan ze zich niet zoveel voorstellen. „Volgens mij merken de meeste mensen het verschil niet tussen tien of vijftig vogelsoorten. Hoewel het natuurlijk altijd kan zijn dat er een onbewust effect is.”