Recensie

Recensie Boeken

Een minister zonder een spoor van zelftwijfel

Minister van Financiën Zijn naam was synoniem voor harde bezuinigingen: oud-bankier en minister Onno Ruding. In zijn recent verschenen memoires probeert de 81-jarige Ruding het beeld van bezeten bezuiniger te nuanceren.
ANP
ANP Onno Ruding als minister van Financiën in 1983.

Begin jaren tachtig ging over de kersverse minister van Financiën Onno Ruding de anekdote dat hij op zijn departement een ambtenaar tegenkwam die zei: ‘Goedemorgen excellentie. Lekker weertje vandaag nietwaar?’ Ruding keek de man indringend aan en antwoordde stoïcijns: ‘Maar toch moet het financieringstekort omlaag’, en liep door.

Het is ongetwijfeld een apocrief verhaal, maar het zegt veel voor de manier waarop werd aangekeken tegen de van de AMRO-bank afkomstige Ruding. Zijn naam was synoniem voor harde bezuinigingen. De tijd van ‘pappen en nathouden is voorgoed voorbij, er moeten maatregelen worden genomen’. Hij zei het graag en vaak. Natuurlijk, het was het no-nonsense kabinet van Ruud ‘Shock’ Lubbers, maar diens CDA-partijgenoot Ruding moest er als schatkistbewaarder op toezien dat ook écht bezuinigd werd. Nog voor hij in 1982 beëdigd was eiste Ruding enkele uren voor de oprichtingsvergadering van het kabinet bij beoogd premier Lubbers nadere afspraken op schrift over de uitvoering van het financiële beleid. Rechtlijnig en onbuigzaam waren dan ook de kwalificaties die hem tijdens zijn zeven jaar durende ministerschap achtervolgden.

In zijn recent verschenen memoires probeert de 81-jarige Ruding het beeld als bezeten bezuiniger te nuanceren. Dat blijkt al uit de ondertitel die hij zijn boek Balans heeft meegeven: ‘Het ging om meer dan geld alleen.’ Het ging hem er vooral om ‘fundamentele veranderingen’ en ‘keerpunten’ aan te brengen.

Thatcher

Maar zat er ook een idee achter? Thatcher en Reagan die in dezelfde periode regeerden hadden een duidelijke ideologie. ‘De overheid is niet de oplossing maar het probleem’, luidde hun mantra dat weerklank vond in veel andere westerse landen. Ruding noemt het verwijt dat de kabinetten Lubbers geen ideologie zouden hebben ‘onjuist’. Wat was dan, afgezien van ‘het orde op zaken stellen’ de onderliggende filosofie?

Jammer dat Ruding daar niet meer op ingaat. De twee kabinetten waarin hij zitting had omarmden conform de tijdgeest privatisering en deregulering. Hoe denkt hij bijna veertig jaar later over de ook in zijn CDA veelgehoorde kritiek op de doorgeschoten marktwerking? Een iets diepgaander blik van nu op alle latere ontwikkelingen had zijn boek de nodige meerwaarde kunnen geven.

De mensen die Ruding hebben meegemaakt zullen hem zeker herkennen in het boek. Weinig frivoliteit, ambtelijk proza, een enkele ontboezeming (na twee kabinetten was hij vastbesloten vanwege diens onophoudelijke bemoeienis niet nog eens onder premier Lubbers te werken, in 2000 waarschuwde hij commissarissen van ABN-AMRO ‘off the record’ dat de benoeming van Rijkman Groenink als voorzitter van de Raad van Bestuur van de bank ‘gevaarlijk’ was.) Er valt in Rudings memoires weinig twijfel te bespeuren. Het eigen gelijk des te meer. Dat gaat zelfs door tot in de voetnoten.