Recensie

Recensie

De honden worden op een eiland gedumpt om te sterven

Geschiedenis In een sprankelend en origineel boek vertelt historicus Guido van Hengel de geschiedenis van Joegoslavië aan de hand van het lot van straathonden. De dieren vertellen over vrijheid, geweld, en de mens.
Honden en kraaien bij een karkas van een paard in de vallei van de rivier de Morava in Servië, tijdens een Balkanopstand in 1877.
Honden en kraaien bij een karkas van een paard in de vallei van de rivier de Morava in Servië, tijdens een Balkanopstand in 1877. Illustration uit The Graphic van 3 februari 1877.

Ze zeggen dat het gejank van de honden tot in Istanbul zelf te horen was. Het is de lente van 1910, en de Jong-Turken zijn net aan de macht gekomen in het kwakkelende Ottomaanse rijk. Ze vinden dat het hoog tijd is voor een make-over van het rijk en zijn steden. Eindelijk zal de stad modern zijn, en schoon. Het moet maar eens afgelopen zijn met de straathonden van Istanbul. ‘Op straat moest orde heersen. Dit was de twintigste eeuw, problemen zouden voortaan anders worden aangepakt. Grondiger.’ Als een boek zo begint, weet je al dat het niet goed afloopt.

Er worden inderdaad geen halve maatregelen getroffen. De straathonden worden gevangen, bijeengedreven, en uiteindelijk op schepen op transport gezet naar het rotsige Sivriada, een plek die ook wel ‘het sinistere eiland’ wordt genoemd. Daar worden ze in de brandende zon zonder eten en drinken gedumpt om te sterven. Een Franse arts in Istanbul, Paul Remlinger, vindt het maar een onbeschaafde exercitie, en verspilling bovendien. Is vergassing geen betere optie? De twintigste eeuw is maar net begonnen.

Nee, het begin van Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië is niet geschikt voor tere zielen. Veel van de rest van het boek ook niet, eigenlijk. Maar hoewel het vol zit met gewelddadige scènes is historicus Guido van Hengel er niet op uit de lezer simpelweg te laten gruwelen. Het verhaal van de honden in Istanbul laat zien hoe het verlangen naar een reine, moderne samenleving kan uitdraaien op gewelddadige vernietiging.

Rijkdom

Van Hengel wilde een geschiedenis schrijven vanuit en over straathonden, ‘ter hoogte van de knie of heup’. Inspiratie haalde hij uit werk van de schrijver Elias Canetti, dat bol staat van de dierenmetaforen als hij menselijke massa’s beschrijft. Canetti geloofde dat dieren de geschiedenis in zich dragen en was van mening ‘dat ieder mens het dier in zichzelf moest ontdekken’. Hoewel hij het ergens idioot vond klinken, heeft Van Hengel die woorden ter harte genomen en is naar eigen zeggen ‘als een straathond door de materie gegaan: snuffelend, associatief en op gevoel’. De straathonden hebben een verhaal te vertellen, was zijn overtuiging, over vrijheid, geweld, en de mens.

Het is natuurlijk niet nieuw om over dieren te schrijven, het is zelfs een beetje in de mode. Maar Van Hengels aanpak is sprankelend origineel, en het resultaat buitengewoon indrukwekkend. Zijn ambitie reikt veel verder dan het schrijven van een geschiedenis met een focus op dieren. Hij wil zélf als een hond kijken, en de mens als dier beschouwen. In zijn reportages en geschiedenissen focust hij daarom op geuren, op geluiden, alles wat de zintuigen prikkelt. Het is een experiment hoe je zo over geschiedenis zou kunnen schrijven, en alleen al het feit dat iets geheel nieuws wordt geprobeerd verdient lof. Dan is het ook nog prachtig en trefzeker geschreven, en nodigt het in zijn rijkdom haast meteen uit tot herlezing.

Het perspectief van de straathond levert veel op, zeker op de Balkan. Honden hebben geen boodschap aan menselijke obsessies met etniciteit, of hun nationale geschiedenis, maar worden wel aan de ordeningen van de mens onderworpen. Zo zie je wat een absurd dier de mens is, en hoe gevaarlijk die menselijke ordening kan zijn. Wat nog onschuldig frivool lijkt als honden opeens in nationale rassen worden opgedeeld en gefokt – een Duitse herder, een Engelse buldog – wordt onaangenaam als alles wat buiten die orde valt tot bastaard of afval wordt verklaard.

Gevaarlijke roedel

Zo heeft het boek ondanks het vrolijk ogende onderwerp – wie houdt er niet van honden – een diep duistere ondertoon. Wanneer Van Hengel de mens als dier beschouwt, ziet hij niet de aaibare ‘homo puppy’ die Rutger Bregman beschreef in De meeste mensen deugen. In groepen kan de mens in een gevaarlijke roedel veranderen. De titel slaat dan ook zeker niet eenduidig op de honden. En in de loop van het boek begin je ook twijfelen of je met de term ‘beestachtig’ dieren niet ten onrechte in een kwaad daglicht zet. ‘Al te menselijk’, is misschien de beter verwoording.

Behalve een onderzoek naar de diersoort mens, is Roedel ook en vooral een portret van (voormalig) Joegoslavië. Van Hengel begint na de Eerste Wereldoorlog en eindigt in het heden, en de hond is nooit ver. Zo verdeelt hij de regeerperiode van Tito in verschillende fases aan de hand van zijn opeenvolgende huisdieren: Duitse herders voor de militante maarschalk, chique jachthonden voor de protserige vorst, en witte dwergpoedels voor de bordkartonnen bejaarde.

Maar de kern van het boek is de ‘hondenoorlog’ in Bosnië die losbarstte in 2009. ‘Tijdens de mensenoorlog in de jaren negentig werden mensen ontmenselijkt, opgejaagd en vernietigd. Tijdens de hondenoorlog in de jaren na 2009 werden de honden vermenselijkt, en tot levensgevaarlijke bedreiging van de beschaving gemaakt.’

Wat wil het geval: in 2009 werd een wet aangenomen die Bosnië een voorloper maakte op het gebied van dierenbescherming. Een verbod op dieren in het circus, een verbod op het doden van zwerfhonden, uiterst progressief allemaal. Maar het was een papieren werkelijkheid die vooral werd doorgevoerd om een wit voetje te halen bij de Europese Commissie. Om het door te voeren heb je een goed functionerende rechtsstaat nodig. Maar in het ‘labyrintische politieke systeem’ dat aan het eind van de oorlog in Bosnië door de onderhandelaars is opgetuigd, schuift elke bestuurslaag de verantwoordelijkheid voor uitvoering van de wet door naar de volgende.

Aanvallen

Zo krijgen roedels kans om te groeien, vallen honden op straat mensen aan, en hitsen media de angst onder de bevolking op. Er ontstaat een tweespalt in het getraumatiseerde Bosnië. Moeten de honden zo snel mogelijk uit de weggeruimd worden omdat het de burgers toch al genoeg zijn opgejaagd? Of leert de geschiedenis juist dat er een eind moet komen aan het geweld tegen andere wezens, dat het land compassie en clementie nodig heeft? En is het ‘Europees’ om te zorgen dat er zo min mogelijk straathonden door de stad zwerven, of is het juist ‘Europees’ om straathonden met zo veel mogelijk liefde te behandelen? Zo verschijnen er zowel clandestiene vergiftigingsoperaties als pro-dierendemonstraties, tegen een achtergrond van corruptie, bemoeienis van gewantrouwde, buitenlandse NGO’s en een web aan dierenactivisten van diverse pluimage.

Voor Nederlanders is het wellicht verleidelijk om te denken dat de problemen die Van Hengel schetst louter de Balkan aangaan. Maar daar laat hij de lezer niet mee wegkomen. In zijn laatste, pijnlijke hoofdstuk ziet hij vluchtelingen rondscharrelen in het Bosnische stadje Tuzla. Ze kunnen de EU niet meer in, maar terug naar huis kunnen ze ook niet, en worden praktisch aan hun lot overgelaten. Van Hengel spelt het niet letterlijk uit, maar het punt is helder: de behandeling van vluchtelingen en zwerfhonden verschilt niet zo veel. Dat is ook de verantwoordelijkheid van ons in de EU.

In de epiloog betrekt hij de rest van Europa nog explicieter. ‘Het giftige populisme, de obsessie met nationale zuiverheid, geweld en het radicale groepsdenken zoals het zich manifesteerde in de jaren negentig in Joegoslavië vormden geen echo’s van een voorbijgaand tijdperk, maar de opmaat naar een nieuwe eeuw in Europa. (…) Roedeldenken is hardnekkig, en geweld onuitroeibaar.’ Geen hoopvol slot, maar dat viel ook niet te verwachten. Van Hengel eindigt met een open vraag. Hoe zouden dieren de mens eigenlijk zien? Na die hele geschiedenis vol gruwelijkheden wil je dat waarschijnlijk liever niet weten.