Recensie

Recensie Boeken

De jongens van de Mussert-garde

WA Uit de eerste studie over de weerbaarheids-afdeling van de NSB blijkt dat vooral oud-militairen en oud-kolonialen zich ertoe aangetrokken voelden.
Herdenking van het 10-jarig bestaan van de WA, de knokploeg van de NSB.
Herdenking van het 10-jarig bestaan van de WA, de knokploeg van de NSB. Foto Hollandse Hoogte/ANP

De zon gaat al onder als een twaalftal mannen op 24 mei 1939 naar ijssalon Koco in Amsterdam loopt. Binnen breken ze wat glaswerk. Ze slaan een vrouwelijke klant met een stoel op het hoofd. En ze verwonden ook andere ijseters tot bloedens aan toe.

De ‘ijs-fuif’ zal het incident in NSB-kringen gaan heten. Volgens geestverwanten van de daders ging het om een vergeldingsactie: een van de mannen zou eerder door een Joodse bezoeker van de ijssalon zijn mishandeld. ‘Voor de NSB was de Koco-kwestie vooral een verdere profilering van het binnen de beweging levende antisemitisme’, schrijft historicus Gertjan Broek in Uitschot in Uniform, De WA 1932-1945.

Gek genoeg was het er nog niet: een boek dat geheel gewijd is aan de geschiedenis van de weerbaarheidsafdeling (WA) van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert (afgezien van de dissertatie die de auteur eerder schreef, dit is een bewerking daarvan voor een breder publiek). Goed dus, dat dat er nu wel is.

De titel geeft de kern goed weer: het was niet bepaald de bloem der natie die zich bij de WA meldde – al dachten de leden daar zelf vermoedelijk anders over. Vanaf het begin in 1932 waren het ‘de wat onstuimiger naturen die zich aangetrokken voelden’, aldus Broek. Types die wel hielden van een opstootje. De WA had als doel de beweging te beschermen tegen aanvallen van buitenaf. Maar leden zochten ook regelmatig zelf de confrontatie, bijvoorbeeld door met colporteurs van NSB-bladen ‘rode’ buurten in te trekken.

Toen de regering eind 1935 werk leek te gaan maken van een wettelijk verbod op particuliere weerkorpsen besloot de NSB-top de WA formeel te ontbinden. Eerder was er al een uniformverbod ingevoerd. Het effect van die maatregelen was beperkt. Overal in het land werden WA-afdelingen omgekat tot ‘wandelclubs’.

Hoge zwarte laarzen

De leden van die wandelclubs namen graag deel aan allerhande marsen, bij voorkeur in zwarte rijbroek en hoge zwarte laarzen, en een zwarte kwartiermuts (een hoofddeksel dat ook door soldaten gedragen wordt). De Driehoek, heette een wandelclub in Amsterdam, een duidelijke verwijzing naar het NSB-symbool (dat staat voor de Nederlandse delta). Er was ook een Wandelsportvereniging Amsterdam. In de kop van het clubblad prijkten een grote W en A, ‘een vormgeving die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat’, schrijft Gertjan Broek. In 1939 werd bovendien een nieuwe organisatie opgericht die de rol van de WA deels overnam: de Mussert Garde.

Gertjan Broek is niet het soort historicus dat probeert aansluiting te zoeken bij (andere) sociale wetenschappen. Hij is bijvoorbeeld niet scheutig met getallen, terwijl het toch interessant zou zijn om meer te lezen over de sociaal-economische achtergrond van de WA’ers. Ze kwamen uit ‘allerlei richtingen en beroepsgroepen’. Je komt als lezer niet veel meer te weten dan dat de organisatie aantrekkingskracht uitoefende op oud-militairen, vooral mannen met een koloniaal verleden.

Helaas blinkt dit boek óók niet uit door literaire kwaliteiten. Er worden veel namen genoemd, maar de personen die daar bij horen komen zelden tot leven. Terwijl Uitschot toch genoeg intrigerende aanknopingspunten bevat. ‘W.A. Polak nam onder de minder beladen naam Dijkstra deel aan de Silbertanne-moorden’, lees je. Broek vertelt niet of deze WA’er Joods was, zoals zijn naam doet vermoeden en wat de Silbertanne-moorden waren (Silbertanne is de codenaam voor vergeldingsacties van de Duitse bezetter tegen het verzet). Overigens was er inderdaad een aantal Joden actief binnen de WA. Daarover had ik graag meer willen lezen. Wat bewoog hen? Elders gebruikt Gertjan Broek ook een citaat waaruit blijkt dat er WA’ers met ‘negerbloed’ waren. Wie? Waarom? Opnieuw blijf je als lezer enigszins verweesd achter.

Geweldsincidenten

Uitschot, toch een boek van een kleine 300 pagina’s, beperkt zich vooral tot hoofdlijnen. En één hoofdlijn wordt talloze keren in verschillende bewoordingen herhaald: WA’ers lieten zich weinig gelegen liggen aan de wensen van de NSB-leiding, bijvoorbeeld in de aanloop naar de verkiezingen van 1937. Geweldsincidenten deden de electorale kansen van de beweging, die zich presenteerde als pleitbezorger van een ordelijk Nederland, geen goed. De drang naar actie was voor menig WA’er te groot.

Ook na de bezetting kon die behoefte niet direct worden bevredigd. Rijkscommissaris Seyss-Inquart erkende de heropgerichte WA in oktober 1940 als legitiem weerkorps, maar gaf geen toestemming tot collectieve bewapening. Bovendien werden er andere organisaties opgericht die ongeveer deden wat de WA had willen doen: eerst de Vrijwillige Hulppolitie (VHP) en later de Landwacht. Wie echt actie wilde, en dat waren er nogal wat, kon naar het Oostfront gaan en velen deden dat ook. In 1943 was de organisatie op sterven na dood. Op gezette tijden verscheen er nog wel een WA-blad. In de zomer van 1943 was daarin te lezen: ‘De W.A., heeft immers geen zin en doel meer, dat stelletje wat hier zit konden ze beter opruimen, wat goed was is toch immers naar het front!’