Opinie

Aarde

Ellen Deckwitz

‘Nu is er niemand meer die weet hoe ik in bed ben”, zegt oudoom Karel (109) peinzend terwijl ik hem nog maar wat thee inschenk. Afgelopen week overleed zijn laatste nog levende ex. „Maar ja”, vervolgt hij, „misschien is het ook wel beter zo. Ik ben nooit een goede minnaar geweest, laat staan geliefde. Bovendien was ik echt olympisch kampioen vreemdgaan.”

„Waarom had je eigenlijk zoveel affaires?”, vraag ik. „Waarom maakte je het niet gewoon uit?”

„Omdat ik altijd iemand wilde zijn die trouw was”, glimlacht hij. „Ik bleef het maar proberen, het lukte alleen niet. Ik had natuurlijk nooit aan vaste relaties moeten beginnen, maar ja, intimiteit is verslavend, voor je het weet blijf je alweer aan iemand plakken. En dan is er een schoonfamilie of een hond of kinderen of een huis. En leef je voor de zoveelste keer een leven dat je doodt.”

Hij kroelt zijn kaketoe Chenoa.

„De bochten waarin ik me heb gewrongen om de schone schijn maar op te houden”, grinnikt hij. „Verschrikkelijk. Al die bergen aarde waaronder ik het leven dat ik écht wilde leven bedolf. Dan heeft jouw generatie, met al zijn polyamoureuze fratsen, het maar makkelijk.”

„Nou ja, er zijn verschillende soorten bedrog. Zoals blijven hangen in een baan die je niet meer trekt of vrienden zijn met iemand die je eigenlijk helemaal niet meer aardig vindt. Dat vind ik ook vormen van vreemdgaan.”

„Misschien”, zegt Karel. „Misschien.”

Terwijl ik naar huis loop denk ik aan de berg aarde waaronder Karel al zijn verlangens probeerde te verbergen. Zogenaamd om zichzelf en zijn omgeving te beschermen, terwijl het in de praktijk vooral wegstoppen betrof.

Als kind vond mijn zus eens een vogeltje dat te grazen was genomen door onze kat. De ene vleugel hing er nog maar half aan, de andere ontbrak geheel. Mijn zus dacht dat het vogeltje dood was en begroef het. En net toen ze een kruisje, gemaakt van ijslollystokjes en een elastiekje, op het graf plantte, begon de grond te bewegen. In plaats van het beestje op te graven, schepte ze er nog meer aarde op, tot de grond niet meer schudde. Die ene keer per jaar dat ze dronken wordt, begint ze altijd weer over dat vogeltje.

Soms lijkt de bodem onder mijn voeten ook even te trillen. Dan denk ik aan alles wat ondergronds wordt gelaten om gedoe te voorkomen. Hoe iedereen zijn eigen bergje aarde heeft dat, zodra het beweegt, gewoon met nog meer aarde wordt toegedekt. Tot de grond zich eindelijk koest houdt, en we een effen fundament hebben om een bestaan op te bouwen dat het daglicht kan verdragen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.