Hoe vinden trekvogels hun nest terug?

Durf te vragen Vogels gebruiken hun ogen en hun neus om zich te oriënteren. En ze leren van elkaar.

Grutto’s vliegen met hun soortgenoten mee.
Grutto’s vliegen met hun soortgenoten mee. Foto Ingrid van Halteren

Het is 26 maart, 13:58, en daar is hij weer: de visarend van de Biesbosch, terug uit Afrika. Na een tocht van ruim 6.000 kilometer landt hij weer op zijn eigen nest. Het moment is te zien op een filmpje, gemaakt met de webcam van de Vogelbescherming. „Het is voor hem nu het zesde seizoen”, vertelt Thomas van der Es, boswachter bij Staatsbosbeheer. „We zien aan zijn ringen dat hij het is.”

Het is een machtige prestatie. Nog los van de afstand en de gevaren onderweg: hoe weten die vogels de weg? Jonge visarenden leren die niet van hun ouders, want ze vliegen niet samen. Ganzen doen dat wel. Biologen gebruikten dat principe om bedreigde ganzen een nieuwe migratieroute te leren. Ze voedden kuikens met de hand op en leerden ze in de herfst achter een ultralight vliegtuigje aan te vliegen: naar een veilig natuurgebied. En de volgende lente weer terug. Sindsdien kunnen de vogels het zelf, en leren ze die route ook aan hun jongen.

Grutto’s gaan ‘naar school’

Maar de meeste vogels vliegen zonder hun ouders. Is de route dan aangeboren? Nee, denkt Theunis Piersma, hoogleraar trekvogelecologie in Groningen. Zijn team bracht jonge Friese grutto’s die met de hand waren opgevoed, naar Polen om te kijken wat ze dan zouden doen. Zouden hun trekrichting, timing en terugkeer naar het broedgebied lijken op die van Friese, of Poolse grutto’s? „En wat denk je? De Friezen werden Polen. Grutto’s gaan dus ‘naar school’.” De jongen vliegen dan wel niet met hun ouders mee, maar wel met soortgenoten. „Ondertussen denk ik dat zelfs koekoeken maar weinig trekgedrag aangeboren krijgen. Waar ze mee geboren worden, is de mogelijkheid van anderen te leren.”

En dan is er nog de navigatie onderweg. Er zijn talloze factoren gevonden die de vogels daarbij helpen. Gorzen gebruiken bijvoorbeeld de sterrenhemel als kompas. Dat blijkt uit experimenten in een planetarium. Vogels die overdag migreren, gebruiken de baan van de zon langs de hemel. Als je duiven in een laboratorium een jetlag geeft door ze binnen aan een ander dagritme te laten wennen, vinden ze buiten de weg niet meer.

Een andere belangrijke factor is het aardmagnetisch veld. Veel dieren kunnen dat waarnemen dankzij het magnetisch gevoelige mineraal magnetiet op verschillende plekken in hun schedel. Duiven met een magneet op hun hoofd raken de weg kwijt.

Magnetische gevoeligheid

Ook de combinatie van zonlicht en magnetisme speelt een rol, zo blijkt uit experimenten met zebravinken. Die hebben in hun netvliezen magnetisch gevoelige moleculen die ervoor zorgen dat hun lichtwaarneming verandert, afhankelijk van hun eigen oriëntatie. Ook de polarisatie van het zonlicht speelt daarbij een rol: die is in de schemering anders dan overdag. Maar hoe dat de zebravinken precies helpt, is nog een raadsel.

Vogels gebruiken ook hun ogen – en hun neus. Als ze over zee vliegen, ruiken ze de overkant, blijkt uit experimenten met pijlstormvogels. Als je die tijdelijk ‘reukblind’ maakt met zinksulfaat, dan vinden ze de kust niet terug. Boven land volgen vogels rivieren en bergketens. Een Nederlandse visarend zal van bovenaf ook de Biesbosch herkennen. En zijn eigen nest van vorig jaar.

Als dat sindsdien uit de boom is gewaaid, zoals begin maart gebeurde bij een ander Biesboschpaar, dan zoeken de vogels bij thuiskomst gewoon een andere plek. „Terwijl ik met jou sta te praten, zie ik ze bouwen aan hun nieuwe nest”, zegt boswachter Van der Es aan de telefoon. „Achthonderd meter verderop. Eigenlijk op een veel betere plek.”