Reportage

De verborgen oorlog in Mozambique

Mozambique In het noorden van Mozambique woedt een oorlog om leeg land. Een half miljoen mensen is op de vlucht geslagen voor huurlingen en drugshandelaren die met IS-vlaggen wapperen.

Vrouw en kind in een vissersdorp nabij Pemba, de hoofdstad van de noordelijke provincie Cabo Delgado, aan de oostkust van Mozambique. Pemba is een toevluchtsoord voor Mozambikanen die op de vlucht zijn na aanvallen van jihadi’s elders langs de kust.
Vrouw en kind in een vissersdorp nabij Pemba, de hoofdstad van de noordelijke provincie Cabo Delgado, aan de oostkust van Mozambique. Pemba is een toevluchtsoord voor Mozambikanen die op de vlucht zijn na aanvallen van jihadi’s elders langs de kust. Foto Alfredo Zuniga / AFP

Bij alle oorlogen die de 80 jaar oude Marquiola Dunya in zijn thuisland Mozambique aan zich voorbij zag trekken, was de AK-47 de enige constante. Andere tijden, steeds weer hetzelfde moordwapen. De kalashnikov was het dominante wapen in de bevrijdingsoorlog tegen de Portugezen. En tijdens de burgeroorlog die volgde op de onafhankelijkheid in 1975. Mozambique is niet voor niks het enige land ter wereld met een afbeelding van een AK-47 in de vlag, een ode aan het alomtegenwoordige wapen.

Lees ook: Nederland bijft zinnen op rol in gasproject in door geweld geplaagd Mozambique

De mannen die afgelopen juni Dunya’s dorp Macomia in de noordelijke provincie Cabo Delgado binnenvielen, hadden ook AK-47’s om hun schouders. „Ze hadden pickup-trucks. Ze hadden raketwerpers. En AK’s”, zegt hij, gezeten op zijn van touw gevlochten bed voor het huis waar hij naar toe vluchtte. De mannen droegen zwarte vlaggen met zich mee. Ahlu al-Sunnah wa-al Jama’ah noemen ze zich in hun gelikte videofilmpjes. „De volgelingen van de profetische traditie”, vrij vertaald. Ze zweren in 2018 trouw aan de leider van Islamitische Staat.

Hier in de provincie Cabo Delgado aan de grens met Tanzania, worden de jihadisten Al Shabab genoemd. Vrij vertaald: de jongeren. Ze hebben niks van doen met de gelijknamige beweging in Somalië. Opstandelingen, bandieten, terroristen – voor de mannen met de zwarte vlaggen en de AK’s zijn nu vele synoniemen in het noorden van Mozambique.

De taferelen die Marquiola Dunya de vier dagen die volgden voor zijn ogen zag gebeuren zijn volkomen onbekend voor dit deel van Afrika. Het jihadisme dat sinds eind jaren negentig over het noorden, het westen en oosten van Afrika trok, ging lang aan zuidelijk Afrika voorbij. Dat is voorgoed veranderd.

Toen de mannen arriveerden, verborg Dunya zichzelf en zijn gezin van acht kinderen in het bos van bananenbomen buiten het dorp. De jihadisten gingen van huis tot huis. De daken op de lemen huizen brandden als fakkels. Het ziekenhuis ging ook in vlammen op. De school. De winkels. Het elektriciteitsbedrijf.

Vanuit zijn schuilplaats zag Dunya dat de mannen een van zijn buren meenamen. De jihadisten zwaaiden met hun AK-47’s, maar hun kogels spaarden ze. „Ik zag dat ze hem vastpakten. Ze sneden zijn hoofd af met machetes”, vertelt hij, terwijl hij een zagende beweging maakt met zijn arm. „Dat hoofd lieten ze achter op zijn borstkas. Zo hebben ze zeker vijftien mensen omgebracht.”

De oude man laat een stilte vallen. Een haan kraait bij de buren. Zijn kinderen staren naar de grond. In Macomia is het nu muisstil, net als in de meeste dorpen ten noorden van de hoofdstad van Cabo Delgado, Pemba. Zeker een half miljoen Mozambikanen sloegen de afgelopen maanden op de vlucht voor het geweld van de jihadisten en het terugvechtende regeringsleger. De hele kuststrook is ontvolkt. Meer dan 2.500 burgers werden gedood sinds 2017, 530.000 van huis en haard verdreven. De vraag die Dunya niet kan beantwoorden: wat willen de jihadisten met lege dorpen?

Verschroeide aarde

Die tactiek van de verschroeide aarde is zeer ongewoon voor jihadistische groeperingen als Islamitische Staat. In het noorden van Syrië en Irak veroverde de terreurgroep niet alleen het terrein op de regeringslegers, maar koloniseerden ook de bewoners. Zij betaalden belasting. Zij kookten hun eten. Zij wasten hun kleren.

Niet in Mozambique. De jihadisten hebben de afgelopen maanden zo voortvarend de kuststrook ontvolkt dat hun strijders honger lijden. Hulporganisaties spreken van razzia’s in hun vluchtelingenkampen, waar voedsel wordt gestolen. Of de opstandelingen verbergen zich onder de vluchtelingen, zodat ze ’s avonds in de rij kunnen staan als er maïs wordt uitgedeeld.

Veel bewoners uit Macomia zijn naar de eilanden voor de kust gevlucht in het uiterste noordoosten. Vanaf zee zijn hun wapperende tentzeiltjes al van mijlenver zichtbaar. Op krakende zeilboten vluchtten in de afgelopen maanden 30.000 vluchtelingen naar de Quirimba archipel. Gestrand als Robinson Crusoë. Opeengepakt onder palmbomen die nauwelijks beschutting bieden tegen de brandende zomerzon in Zuidelijk Afrika. Niemand draagt mondkapjes. De vluchtelingen hebben wel andere dingen aan hun hoofd. Vanaf het strand kun je het vasteland zien liggen, waar dorp na dorp in brand werd gestoken.

Mannen houden de haven van Paquitequete, in de buurt van Pemba, in de gaten.
Foto Alfrede Zunigo/ AFP
Mannen houden de haven van Paquitequete, in de buurt van Pemba, in de gaten.
Foto Alfrede Zunigo/ AFP
Mannen houden de haven van Paquitequete, in de buurt van Pemba, in de gaten.
Foto’s Alfredo Zuniga

Ook de eilanden van de archipel bleven niet gespaard door de jihadisten. „In april stonden ze plotseling voor mijn deur”, vertelt Azziz Miza. Hij is onderwijzer en directeur van de middelbare school op één van de eilanden. Hij is ook de ondervoorzitter van de plaatselijke afdeling van regeringspartij Frelimo. Dat bijbaantje werd hem bijna fataal.

„Ik hoorde hen een jongen voor de deur van mijn huis aanspreken. Ze vroegen waar ik was. Goddank loog hij dat ik niet thuis was. Toen kwamen ze hier binnen. Ik school onder het bed. Ze liepen door de woonkamer, naar de slaapkamer, maar zagen me niet. Toen ze mijn huis uitliepen, ben ik gevlucht. Een half uur later kwamen ze terug met benzine en hebben ze mijn huis in brand gestoken.” De muren van het huis zijn nog zwartgeblakerd. „Ze wisten dat ik voor de regering werkte. Daarom moesten ze me hebben.”

Lees ook dit NRC-artikel uit november 2020: ‘Jihadisten executeren tientallen dorpelingen in Mozambique

Achtergestelde moslims

Die haat tegen de regering is eenvoudig te verklaren. De voornamelijk islamitische bewoners van Cabo Delgado voelen zich al decennia achtergesteld in het overwegend christelijke land. Toen regeringspartij Frelimo na de onafhankelijkheid in 1975 de macht van de Portugezen overnam en de hoofdstad Maputo veroverde, vergaten ze het achterland. En dat terwijl de onafhankelijkheidsstrijd nota bene in Cabo Delgado begon.

De vondst van nieuwe bodemschatten in Cabo Delgado voedde de onvrede. In 2009 werden er robijnen gevonden, niet ver van het dorp waaruit de oude Dunya vorig jaar werd verjaagd. Een jaar later werd voor de kust van Noord-Mozambique een van de grootste gasbellen ter wereld gevonden. Het Franse Total, het Italiaanse ENI en Exxon Mobil begonnen exploraties.

De regering beloofde van Mozambique het nieuwe Qatar te maken. De geschatte opbrengsten de komende 25 jaar: 86 miljard euro. Maar de bevolking ziet er niets van terug. Mozambique is het op vijf na armste land ter wereld.

Op die golf van ongenoegen wisten de jihadisten aanvankelijk steun te vergaren onder de lokale bevolking.

De tijdelijke opvang voor vluchtelingen in Cabo Delgado.
Foto Alfredo Zuniga / AFP
Mensen wachten in de haven van Pemba op hun familieleden nadat die geëvacueerd werden uit Afungi en Palma.
Foto Alfredo Zuniga
Inwoners van Palma komen aan in Pemba na evacuatie.
Foto Alfredo Zuniga
De tijdelijke opvang voor vluchtelingen in Cabo Delgado. Inwoners van Palma komen aan in Pemba na evacuatie of wachten op familieleden die aan zouden moeten komen in Pemba.
Foto Reuters/ Alfredo Zunigo

Maar waarom moesten oude mensen als de 80-jarige Marquiola Dunya en de rest van de burgerbevolking worden verjaagd?

„De jihadisten willen volledige controle over de kust voor hun drugshandel met Pakistan, zodat hun boten met heroïne ongestoord aan wal kunnen. Die drugshandel financiert vervolgens de opstand weer”, zegt Kevin Record.

De Zuid-Afrikaan zit op de veranda van zijn lodge op het eiland Ibo, van de Quirimba-archipel. Op de tafel staan een volle asbak en lege blikjes bier. Hij is onrustig. Het is zijn laatste avond hier. Zijn logement op een van de eilanden ten noorden van hier werd afgelopen december platgebrand. „Door jihadisten”, zegt hij. „Ze willen gewoon niemand meer hier.”

De jihadisten zijn dus criminelen die de kuststrook volledig onder hun controle willen voor hun handel, toonden ook eerder onderzoek al aan. De zwarte vlag van IS is slechts een ideologisch uithangbord. Mozambique staat al lang bekend als een narcostaat, een doorvoerhaven voor heroïne en amfetaminen uit Afghanistan en Pakistan naar zuidelijk Afrika. De jihadisten handelen niet alleen in drugs maar ook in ivoor, gestroopte neushoorns, tropisch hardhout en andere grondstoffen die Cabo Delgado rijk is. Volgens onderzoek van de Britse academicus Joseph Hanlon is die handel ergens tussen de 200 tot 800 miljoen dollar per jaar waard.

Vermomde drugshandelaars

Maar de gevaren voor de burgerbevolking komen niet alleen van deze als jihadisten vermomde drugshandelaars. Gezeten op zijn bed vervolgt de oude Marquiloa Dunya zijn verhaal van die dag dat de oorlog naar zijn dorp Macomia kwam. „Toen kwamen de helikopters”, vertelt hij.

Helikopters?

Hij haalt een kogel uit zijn broekzak. Het kaliber is veel te groot voor een AK-47. De kogel is 20 millimeter breed, op zijn minst. „De helikopter begon te vuren. Een van de kogels raakte mijn huis en bleef in een zak rijst steken. Als die kogel me had geraakt, had ik hier niet meer gezeten.” Dunya hoorde ook explosies. Zeker zes kinderen uit Macomia moesten die dag worden opgenomen met wonden als gevolg van rondvliegende granaatscherven.

In een recent rapport legt Amnesty International de schuld van deze beschietingen op de burgerbevolking bij de helikopters van Zuid-Afrikaanse huurlingen, die zouden zijn ingehuurd door de Mozambikaanse regering. De piloten zouden lukraak op civiele infrastructuur schieten, huizen, scholen, ziekenhuizen. Ook worden ze ervan beschuldigd handgranaten uit hun helikopters te gooien.

Het hoofdkwartier van deze huurlingen zit in het Avani-Pemba Beach hotel, in Pemba, de hoofdstad van Cabo Delgado. De voertaal op het terras is Afrikaans.

„Hé Beni! Hoe gaan dit?” Een weerzien na lange tijd. De mannen dragen korte groene broeken en opgetrokken sokken, zoals witte boeren in Zuid-Afrika. „Ek is van Bloemfontein”. „Ek is van Hermanus”. „Ek is van George”, stellen de mannen zich aan elkaar voor.

Zo lang er aan de oorlog te verdienen is, zal die niet stoppen

I don’t speak Afrikaans”, zegt de vierde aan tafel met een Schots accent. De mannen slaan hem op de schouder. Geeft ook niks.

Dit zijn de soldiers of fortune die bij de grote oorlogen op het Afrikaanse continent steeds weer opduiken. Ze vechten mee in Libië, aan de kant van de rebelse generaal Khalifa Haftar. Ze vechten in het noorden van Nigeria tegen de jihadisten van Boko Haram, in opdracht van de regering.

In Mozambique zijn de huurlingen de onofficiële luchtmacht van de Mozambikaanse regering. Elke ochtend na zeven uur stijgen helikopters op van het stoffige industrieterrein dat pal achter het hotel ligt. Altijd in formatie van drie.

De helikopters zijn eigendom van Lionel Dyck (76), een voormalige kolonel die zijn legercarrière begon toen Zimbabwe nog Rhodesië heette – zijn geboortegrond. Toen de koloniale regimes in het zuiden van Afrika eenmaal vielen, koos Dyck de kant van de zwarte bevrijdingsbewegingen. Zijn contacten in Mozambique dateren van 35 jaar geleden, toen hij als parachutist werd ingehuurd door de troepen van Frelimo, de huidige regeringspartij van Mozambique. De Dyck Advisory Group (DAG) opereert al jaren in Mozambique, om stropers in het grensgebied met Zuid-Afrika te bestrijden. Toen het Mozambikaanse leger in januari 2019 de strijd tegen de jihadisten in het noorden dreigde te verliezen, belden de machthebbers kolonel Lionel Dyck.

Klokslag 17 uur staat de oudste van Dycks huurlingen op van zijn stoel en slentert naar de andere kant van het gazon, links van de bar. Daar zit Bernadino Rafael onder een palmboom, omringd door hoge officieren.

Bernadino Rafeel is de commissaris van de politie van de provincie Cabo Delgado. Hij zit met de rug naar de Indische Oceaan, die schittert in de avondzon. Zijn ogen verbergt hij achter een zwarte zonnebril. Hij luistert aandachtig terwijl de Zuid-Afrikaan hem voorziet van de laatste inlichtingen. Aan de bar trekt de kastelein drie nieuwe bierflessen open.

De huurlingen weigeren commentaar. „We staan onder contract van de Mozambikaanse regering. We mogen alleen met je praten als de politiecommissaris het goed vindt”, zegt de oudste van het stel, walkietalkie in de hand. De politiecommissaris slaat het verzoek om een interview af.

„Hij heeft last van zijn ogen”, zegt zijn woordvoerder.

Het noorden van Mozambique is nu een grote militaire zone geworden. Toen afgelopen oktober duizenden vluchtelingen uit het noorden vluchtten naar Pemba en de eilanden voor de kust, kregen buitenlandse journalisten vijf maanden lang geen toegang tot het land. Mozambikaanse journalisten die wilden uitzoeken wat er achter de frontlinie gebeurt, werden opgepakt, of verdwenen.

De stad Palma werd afgelopen week aangevallen. Meerdere expats werden gedood

„Ik ben soms banger voor de soldaten dan voor de bandieten”, zegt de Mozambikaanse Estacio Valoi, op reportage in Cabo Delgado. „Je verwacht dat de soldaten je beschermen als je naar dit soort plekken gaat. Maar zij zijn degenen die je tegenhouden en je het werken onmogelijk maken.”

Volgens Valoi probeert de regering de oorlog buiten het zicht van de wereld te houden om te voorkomen dat de westerse bedrijven die nu voor de kust naar gas boren, vertrekken. Maar de gaslocaties zijn ook niet langer veilig voor het geweld van de jihadisten; het hoofdkwartier van de gasoperaties voor de kust is al meerdere malen aangevallen door de mannen met AK-47 machinegeweren. Het Franse Total legde zijn werk begin dit jaar stil. Ook Exxon Mobil heeft alle operaties voor onbepaalde tijd opgeschort. De stad Palma, aan de grens met Tanzania, werd afgelopen week aangevallen door de mannen met hun geweren. Meerdere expats werden gedood, alle andere moesten vluchten.

Lees meer over de aanval op Palma in dit NRC-artikel: ‘In het noorden van Mozambique ligt het strand vol lijken

In Mozambique lijkt zich het scenario van Nigeria te herhalen, waar het zoeken naar olie de Nigerdelta in decennia durende golf van geweld stortte. Mensenrechtenactivisten die protesteerden, zoals Ken Saro Wiwa werden opgehangen. Ook het Nederlands-Britse oliebedrijf Shell zegt zich nu uit Nigeria te willen terugtrekken.

Geldzucht

De stem van die uitgesproken activisten wordt in Cabo Delgado vertolkt door de katholieke kerk. Bisschop Luiz Fernando Lisboa sprak zich afgelopen jaren ferm uit tegen de door geldzucht gedreven oorlog in het noorden en de slechte opvang van de half miljoen vluchtelingen. Paus Franciscus stuurde hem onlangs uit voorzorg terug naar zijn vaderland Brazilië.

„Hij werd bedreigd door mensen van de regering. Zijn leven liep gevaar. Hij was te kritisch over het handelen van de regering en de dingen die hier gebeuren”, zegt de man die nu de taken van de bisschop in de katholieke kerk van Pemba overneemt, pastoor Fonseca Kwiriwi. De Braziliaanse bisschop zag zich vorig jaar gedwongen om alle missionarissen in de parochies ten noorden van Pemba terug te roepen.

Twee Braziliaanse nonnen in de havenstad Mocímboa da Praia legden dat advies naast zich neer, omdat ze een aantal hulpbehoevende bejaarden in hun parochie wilden bijstaan. Ze werden gepakt door de jihadisten, ontvoerd en verkracht. „De bisschop heeft de telefoons van de nonnen toen gebeld. Een van de jihadisten nam op. De bisschop heeft hem gesmeekt. Alsjeblieft doe ze niks aan, We willen ze terug.” De nonnen werden na 24 dagen vrijgelaten.

„Deze oorlog heeft niets met religie te maken”, zegt pastoor Fonseca Kwiriwi. „Deze oorlog draait om geld.”

Volgens de Britse academicus Joseph Hanlon verdienen corrupte regeringsfunctionarissen jaarlijks 100 miljoen dollar aan de drugshandel die wordt gerund door de jihadisten, die de regering zegt te bestrijden. „De jihadisten zijn hier, omdat het wordt toegestaan”, zegt de Zuid-Afrikaan Kevin Record. Zo viel Cabo Delgado ten prooi aan corrupte regeringsfunctionarissen, jihadisten met een valse ideologie en de geldzucht van westerse investeerders. Zo lang er aan de oorlog te verdienen is, zal die niet stoppen.

Op zondag 4 april zendt de VPRO de documentaire Frontlinie Het Verloren Paradijs uit op NPO2, om 21.25 uur.