Recensie

Recensie Boeken

Drie vrouwen opgesloten in hun eigen sores

Boekentip In Verwachting van de Britse Anna Hope (1974) volg je de levens van drie samenwonende vriendinnen in Londen. Alles kan nog alle kanten uit, het leven staat op losse schroeven. Zes jaar later zijn de kaarten heel anders geschud.
Een park in Londen, omringd door Victoriaanse huizen.
Een park in Londen, omringd door Victoriaanse huizen.

Later als ik groot ben word ik… moeder, actrice, activist of wat dan ook, maar in ieder geval gelukkig en geslaagd – waarom niet. In Verwachting van de Britse Anna Hope (1974) volg je de levens van drie vriendinnen die op hun negenentwintigste nog samenleven als studenten, in een Victoriaans huis aan een klein park in Londen. Eenvoudig en rechtlijnig is hun geluk. Alles kan nog alle kanten uit, het leven staat lekker op losse schroeven en kent geen echte verantwoordelijkheden.

Zes jaar later zijn de kaarten heel anders geschud. De een lakt niet langer haar nagels op de bedrand, maar injecteert zichzelf daar voor de zoveelste keer met hormonen, voor ivf. De ander holt, anders dan verwacht, nog steeds van auditie naar auditie, van afwijzing naar afwijzing, en de derde zit met een vrij plotseling gevonden, niet geheel voor de hand liggende man en ook maar meteen gekregen baby tot haar verbazing en groeiende ontzetting in Canterbury, een stad waar ze niemand kent op haar burgerlijke schoonfamilie na. Alle drie zijn ze gaandeweg steeds meer opgesloten geraakt in hun eigen sores. Ze zijn nog altijd wel bevriend, maar echt begrijpen en bereiken kunnen ze elkaar niet meer. In korte, heldere dialogen laat Hope zien hoe weinig ze nog delen, hoe geen van de drie echt open durft of kan zijn, hoe ze elkaar veroordelen en waarom, wat er aan competitie speelt tussen hen, hoe ze elkaar zelfs voorliegen en hier en daar belazeren.

Maakbaarheid

Hope schrijft glashelder, met lef en raffinement. Ze laat op een heel handige, soepele wijze zien hoe mensen met zichzelf en elkaar omgaan. De vele dialogen verlopen bedrieglijk echt en eenduidig, plat: ‘„Wijn?” vraagt Lissa. Hannah trekt haar neus op. „Mag niet.” Lissa raakt haar arm aan. „Ben je weer begonnen?” „Ja, vanmorgen.”’ Dit gaat slechts schijnbaar over niets: die neus en die arm zeggen al genoeg. Heel soms veroorlooft Hope zich een metafoor, al even helder. Als een moeder naar haar baby kijkt, die in een autostoeltje op tafel staat, in een omgeving waar zij zich niet geheel veilig voelt, is hij net ‘een klein bootje op een zee van gepolijst eikenhout.’ Zo’n beeld is genoeg, om het gevoel van kwetsbaarheid van het kind, maar vooral ook van de moeder zelf, op te roepen.

Heen en weer springend in de tijd, niet chronologisch, lees je hoe de drie vrouwen zich ontwikkelen, naar elkaar toe, van elkaar af, elk voor zich en samen, hoe ze elkaar kwijtspelen en al dan niet hervinden. Alle drie krijgen ze bovendien een uitvoerige context en eigen verhaal mee, want ook ouders, zussen, broers, scharrels en vaste partners krijgen een plek, en de verschuivingen binnen die relaties schrijft Hope ook op – ze beïnvloeden bovendien de band tussen de drie.

Elk loopt op haar eigen wijze aan tegen de grenzen aan de maakbaarheid van het bestaan. Het enige wat uiteindelijk fier overeind blijft, is de raad van een van hun moeders: ‘Je moet je vriendschappen onderhouden [...]. De vrouwen. Uiteindelijk zijn zij de enigen die je overeind houden.’ Ernaar luisteren doen ze niet, of althans niet helemaal.