Recensie

Recensie Boeken

Op zoek naar de sneeuwpanter in Tibet

SylvaIn Tesson In Tibet hoopt de Franse avonturier Tesson een glimp op te vangen van de schuwe sneeuwpanter. De man die alles beklimt moet nu stilliggen, wat hem aanzet tot lyriek en bespiegelingen.

Een sneeuwpanter in Tibet.
Een sneeuwpanter in Tibet.

Het interessantste element van De sneeuwpanter bevindt zich op pagina 135. Een foto. Wie snel kijkt ziet een rotswand, wie langer kijkt een roofvogel. Wie de tekst leest ziet pas het spectaculairste: net over de rotswand heen kijken de ogen van een panter recht in de lens van de fotograaf. Het is een foto van Vincent Munier (1976), een Franse natuurfotograaf wiens foto’s van wolven, beren, kraanvogels wereldberoemd zijn. Met hem gaat schrijver Sylvain Tesson (1972) naar de hooglanden van Tibet, op zoek naar de sneeuwpanter.

Tesson is één van Frankrijks meest populaire schrijvers. Hij is een wereldreiziger, een man van de natuur die spectaculaire tochten maakt. Een fietstocht rond de wereld, een voettocht door de Himalaya, een tocht te paard door de steppen van Centraal-Azië, een verblijf in een houten huisje in Zuid-Siberië, niets is hem te dol. Steeds schreef hij er boeken over of maakte hij er films van.

Ook is hij ‘stégophile’, een neologisme dat hij gebruikt voor zijn passie om daken te beklimmen, van huizen, van kathedralen. In 2014, toen hij logeerde bij zijn vriend Jean-Christophe Rufin, ook alpinist en bestsellerauteur, viel hij van het dak, waardoor hij in coma belandde. Weer op de been kwam hij een belofte na die hij tijdens zijn revalidatie had gedaan: hij trok heel Frankrijk door, te voet.

Ook zijn zoektocht naar de sneeuwpanter is een tocht vol ontberingen die hij soms nuchter, soms himmelhoch jauchzend, soms flauwig beschrijft. ‘Net als Tiroler skileraressen bedrijven sneeuwpanters de liefde in een witte wereld’ – na zo’n eerste zin is het toch even doorbijten.

Tesson, Munier, zijn vriendin en nog een reisgenoot vliegen naar het uiterste oosten van Tibet, Yushu, op 3.600 meter hoogte. Vandaar gaat het naar het Kunlungebergte, drie dagen in de auto. Verder te voet, nog hoger, ze overnachten in lemen hutten en grotten, bij temperaturen ver onder nul, ‘de wereld was de eeuwigheid in ijs gevat’. Dagenlang liggen ze bewegingloos, bij min 35 graden, om het ‘onwaarneembare te herkennen’.

Borrelpraat

In zijn meer filosofisch getinte overpeinzingen is Tesson niet bepaald nuchter. Het ene aforisme volgt op het andere (‘De ontmoeting met een dier is een bron van energie’, ‘De aarde was een schitterend museum. Helaas was de mens geen conservator’). Vaak wordt zijn taalgebruik wollig, kosmisch-mystiek, schijnbaar metafysisch en ontwijkend. Het pleit voor hem dat hij ze zelf ook wel eens kwalificeert als ‘borrelpraattheorieën’. Nu eens citeert hij Aristoteles, dan weer de Tao, Segalen, Heraclitus, Krishna, Giono of Chardonne. Wolven worden ‘trouweloze prinsen’, jaks ‘weldoorvoede middenstanders’ en de roofvogels symboliseren de ‘priesters’. En dan zien ze de sneeuwpanter, ‘zijn vacht, inlegwerk van goud en brons, behoorde tot de dag, de nacht, de hemel en de aarde’.

Nee, Tesson is geen man die zich thuisvoelt in de ‘gewone’ wereld. Zijn reizen zijn vluchtpogingen – weg van het saaie gewone leven, van wat insnoert en opsluit. Is hij op reis dan is hij als een kameleon, dan kan hij zich ter plaatse verstaan met iedere religie – behalve met de islam.

Maar Tesson heeft ook iets nieuws geleerd tijdens deze reis, namelijk dat geduld een schone zaak kan zijn. ‘Wachten was als bidden. Er kwam iets. En als er niets kwam, hadden we niet goed gekeken.’