Recensie

Recensie Boeken

De bezeten jacht op een Duitse steen

Geschiedenis In zijn boek over de door nazi’s geroofde barnsteenkamer van tsaar Peter de Grote laat germanist Jerker Spit voelbaar zijn fascinatie voor het lot van kunst in oorlogstijd blijken. (●●●●)
De enige foto van de Barnsteenkamer in het Catherinapaleis in Tsarskoje Selo, 1917.
De enige foto van de Barnsteenkamer in het Catherinapaleis in Tsarskoje Selo, 1917. Foto Sovfoto/Universal Images Group via Getty Images

Het is een vreemd soort verdriet dat je kunt voelen om historische kunstschatten die in een oorlog verloren gaan. Aan de ene kant voelt het misplaatst om er al te droevig van te worden; in het licht van het menselijk oorlogsleed is dode materie eigenlijk van secundair belang. En toch doet een filmpje van een IS-strijder die een eeuwenoud beeld kapotslaat pijn op een bijzonder acute manier. Waarschijnlijk omdat onze omgang met kunst ook iets over onze menselijkheid zegt. Het lijkt haast alsof de verwoesting van kunst meer nog dan menselijke slachtoffers iets laat zien over de onherroepelijkheid van wat oorlog kapotmaakt.

Die fascinatie voor het lot van kunst in oorlogstijd is prachtig voelbaar in de Jacht op de barnsteenkamer, het nieuwe boek van germanist Jerker Spits. Barnsteen, de amberkleurige fossiele hars van naaldbomen, was het basismateriaal voor een de bekleding van een praalkamer die door bewonderaars in Rusland plechtig het achtste wereldwonder werd genoemd. Frederik Willem I schonk de panelen van de kamer begin 18de eeuw aan tsaar Peter de Grote voor zijn paleis nabij St. Petersburg, waar ze bleven tot de nazi’s in 1941 het Catherinapaleis binnenvielen. De kamer werd zonder pardon gestript en naar Königsberg vervoerd, waar het onduidelijk is wat er aan het eind van de oorlog mee gebeurde. Verwoest bij bombardementen? Verscheept en verstopt? Het mysterie ontketende een decennialange zoektocht.

Het is een geweldig onderwerp, dat eenvoudig tot de verbeelding spreekt. Zo’n reusachtig, kostbaar ding, dat moet toch ergens zijn? Spits kan daarbij putten uit een schat aan bijzondere personages. Zoals de Russische conservator Koetsjoemov die het in al zijn vertwijfeling niet aandurfde de kamer in veiligheid te brengen uit angst het kwetsbare ambachtswerk te beschadigen en daarmee de weg vrijmaakte voor de nazi’s om hem te roven. Of Paul Enke uit de DDR – ‘kameraad barnsteen’ – die bijna dertig jaar voor de Stasi naar de kamer heeft gezocht. En dan is er nog Georg Stein, die zwoer de kamer te vinden en aan Rusland terug te geven om zijn familie te wreken, die door de nazi’s in Königsberg een dag voor de komst van het Rode Leger was geëxecuteerd. Stein speurde veel Russische kunstschatten op, maar vond nooit de kamer, nooit die verdomde kamer, waar hij naar bleef zoeken tot hij krankzinnig werd.

Spannende kunstjacht

Al deze personages bewegen zich voort in de wervelwind van de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis. De Russische revolutie, het beleg van Leningrad, de deling van Duitsland, de val van de Muur passeren alle de revue, al is het raadzaam vooraf al wat kennis van deze geschiedenis te hebben, want Spits houdt het tempo er goed in. Dat wordt enigszins problematisch in de achteloosheid waarmee de Holodomor, de door Stalin georkestreerde Oekraïense hongersnood, voorbijkomt. Die ene zin die hij aan de hongersnoden in de jaren dertig besteedt, schreeuwen om enige toelichting.

Ondanks die kanttekening is het boek een knappe prestatie. Spits weet de kleine geschiedenis van het voorwerp en de grote geschiedenis van Europa bewonderenswaardig soepel met elkaar te vervlechten. Aan het begin verklaart hij dat het boek aan de hand van barnsteen gaat ‘over de aard en betekenis van geschiedenis, oorlog en vrede en het lot van kunstschatten in de twintigste eeuw’, wat nogal een ambitie lijkt voor amper 200 pagina’s. Maar barnsteen blijkt die ambitie prima te kunnen dragen, en de verhandelingen over de verschuivende culturele betekenis van de ultieme ‘Duitse steen uit Duitse bodem’ in de Duitse nationale verbeelding geven het boek meer gelaagdheid dan een louter spannende kunstjacht.

Inmiddels is er een reconstructie van de barnsteenkamer gemaakt en lijkt het niet meer reëel dat de oorspronkelijke kamer ooit nog gevonden wordt. En als hij al zou opduiken, zou hij niet eens meer zo veel waard zijn. Te beschadigd. Na al die vergeefse zoektochten is die constatering gek genoeg geen anticlimax, maar de tragische kern van het boek. Soms wordt wat kwijt is niet meer gevonden, en vaak wordt wat oorlog kapotmaakt, nooit meer heel.