Stravinsky in de polder

Achtergrond | Stravinsky De herwaardering van de muziek van Igor Stravinsky, die vijftig jaar geleden overleed, begon in Nederland, dankzij componist Louis Andriessen en choreograaf Hans van Manen.

Componist Ottorino Respighi, dirigent Willem Mengelberg en componist Igor Stravinsky (rechts) in 1926 in het Concertgebouw.
Componist Ottorino Respighi, dirigent Willem Mengelberg en componist Igor Stravinsky (rechts) in 1926 in het Concertgebouw.

In 2006 maakte Louis Andriessen een bewerking voor strijkkwartet van Bachs Prelude in b klein uit het eerste boek van Das wohltemperierte Klavier. Deze bewerking was ooit begonnen door Igor Stravinsky, die eraan had gewerkt tijdens het lange ziekbed voorafgaand aan zijn overlijden in 1971. Beroemd is het verhaal hoe Stravinsky, vrijwel opgegeven door zijn artsen na een tromboseoperatie gevolgd door een longontsteking, ontwaakte in het ziekenhuis, rechtop ging zitten, iedereen een prachtige goedemorgen wenste en vroeg of ze hem naar huis konden brengen zodat hij verder kon werken aan zijn Bachbewerking.

Ondanks zijn blijkbaar ontembare levensenergie voltooide Stravinsky die Bachbewerking niet – dat deed Andriessen dus in 2006. Andriessens stuk kun je zien als een ontroerend gebaar naar de componist die meer dan welke andere ook, het voorbeeld en baken was van zijn eigen muzikale ontdekkingsreis. Andriessen stond aan de basis van een herinterpretatie van Stravinsky’s muziek, die via zijn muziek en via Andriessens grote schare toegewijde internationale studenten wereldwijd invloed heeft gehad op een hele generatie musici. Het was een herinterpretatie die Stravinsky’s muziek emancipeerde uit een bekrompen, lineaire visie op de muziekgeschiedenis die vooral Duits georiënteerd was en waarin de canon bestond uit een opgaande lijn die van Bach naar Schönberg liep, en waarin de laatromantiek van Mahler en Bruckner gold als de berg Sinai en Schönberg als Mozes.

Zou je om die reden kunnen spreken over een Nederlandse Stravinsky? Een Stravinsky waar het ijle polderlicht over heeft geschenen? Ja, dat kan, en Andriessen was niet de enige Nederlander die daaraan heeft bijgedragen.

Jonge jenever

Stravinsky zelf had niet bijzonder veel met Nederland, behalve een voorliefde voor jonge jenever. Toen hij in Hollywood woonde, drukte hij Europese bezoekers op het hart voor hem een fles ‘Bols Dutch Gin’ mee te nemen, omdat hij dat begeerde goedje in Hollywood niet kon krijgen. Stravinsky was een ‘celebrity composer’ en natuurlijk werd zijn muziek vanaf begin jaren twintig regelmatig gespeeld door het Concertgebouworkest. Er is ook een soort primeur: de eerste keer dat Stravinsky zelf de Sacre du Printemps dirigeerde, was in Amsterdam, in 1928. In het openbaar prees Stravinsky Mengelbergs muzikaliteit, maar in besloten sfeer was hij kritischer, vooral nadat hij tijdens een concert in Amsterdam had moeten luisteren naar het door Mengelberg geroemde Ein Heldenleben, de pompeuze draak van Richard Strauss – een stuk dat die componist nota bene aan het Concertgebouworkest had opgedragen. Zoiets komt nooit helemaal goed. In 1952 was Stravinsky hoofdgast bij het Holland Festival, en werd er voor hem een groots galadiner georganiseerd in de Ridderzaal, in aanwezigheid van koningin Juliana. Stravinsky mocht naast de koningin zitten, die hem onmiddellijk zei dat ze ‘een groot liefhebber was van zijn werken’. Stravinsky’s antwoord ‘welk van mijn stukken bevalt u het meest’, leidde echter tot een minutenlang machteloos zwijgen van de arme vorstin, waaruit geen Bols Dutch Gin haar kon redden.

Lees ook dit artikel over Stravinsky voor beginners

De Nederlandse klassiekemuziekwereld bleef, onder leiding van het Concertgebouworkest, zeker tot begin jaren zestig een trouwe buitenpost van Duitsland. In die wereld bleef Stravinsky, hoe beroemd ook, een buitenstaander. Hij was immers een Rus, een getolereerde barbaar. Een componist bovendien die zijn muzikale materiaal uit allerlei niet-Duitse hoeken en gaten haalde. Zie zijn interesse in jazz, in tango’s, in Italiaanse muziek van vóór Bach (Gesualdo), in ratelende pianola’s, in Russische volksmuziek. Een componist bovendien die muziek maakte voor een dansende olifant (de Circus Polka), die een Griekse tragedie op muziek zette en de personages liet zingen in het Latijn (Oedipus Rex)! Door uit al die modes en tradities zijn materiaal te halen relativeerde hij de dominantie van de Duitse en Oostenrijkse scholen, en hij relativeerde het heilige idee van de ‘historische ontwikkeling’.

Goed, er was wel een beperkte rol weggelegd voor Stravinsky, maar dan ging het altijd over de Sacre du Printemps, het ballet uit 1913 dat altijd als een soort iconoclastisch werk wordt gepresenteerd, wat het niet is. Stravinsky is geen beeldenstormer. Hij is iemand die ’s nachts stiekem het museum insluipt, alle schilderijen verhangt, sommige op zijn kop, een paar lelijke portretten versiert met een snor, er kindertekeningen en reclameposters tussen hangt, een tinnen theeketel bovenop een Mingvaas zet – en dan het publiek laat binnenlopen. Kijken wat er gebeurt.

Reputatie verdampt

Met die houding had hij lang verwondering gewekt en bewondering geoogst, maar eind jaren vijftig was een groot deel van zijn adembenemende reputatie verdampt. Bij de voorhoede had hij afgedaan, en bij het conventionele concertpubliek waren alleen zijn paar vroege balletten, de Vuurvogel en, vooruit, de Sacre du Printemps, bekend. Stravinsky was op weg zo’n componist te worden van wie altijd dezelfde een of twee werken werden uitgevoerd.

Totdat de Nederlanders op het toneel verschenen. Andriessens radicale herinterpretatie van de muziekgeschiedenis had Stravinsky als uitgangspunt, waarbij je zou kunnen zeggen dat hij meer Stravinsky’s mentaliteit overnam dan zijn noten, al deed hij dat laatste ook af en toe.

In de kleine intellectuele wereld rondom Louis Andriessen groeide Stravinsky uit tot een mascotte, een maatstaf aan wie ideeën getoetst werden, kwaliteit werd afgemeten. Die mentaliteit vond zijn weerslag in Het Apollinisch Uurwerk (1983), het boek over Stravinsky dat Andriessen schreef samen met schrijver, componist en musicoloog Elmer Schönberger. Het sloeg in als een bom. Robert Craft, Stravinsky’s muzikale rechterhand, interpretator en bewaker van diens muzikale erfgoed, zei dat dit boek voor „vele jaren lang het meest ingenieuze, scherpst geobserveerde en origineelste boek over de componist zal blijven” en dat „de muzikale perceptie even diepzinnig is als welke academische studie dan ook”. Het boek is nog steeds niet overtroffen en veranderde de wereldwijde interpretatie van Stravinsky’s muziek voor altijd. In Nederland is het boek natuurlijk allang niet meer in druk, maar in de betere boekhandel in Moskou, New York of Rome, hebben ze altijd de respectievelijk Russische, Engelse of Italiaanse versie op voorraad.

Symphony in three movements

Andriessen was niet de enige grote Nederlandse kunstenaar die Stravinsky’s muziek herinterpreteerde voor een nieuwe generatie. In 1963 maakte de dertigjarige Hans van Manen zijn eerste ballet op muziek van Stravinsky voor het Nederlands Dans Theater: de Symphony in three movements. Het werd een sleutelwerk in Van Manens ontwikkeling als choreograaf, en introduceerde Stravinsky voor het nieuwe danspubliek van het NDT dat snel bezig was uit te groeien tot het belangrijkste moderne dansgezelschap ter wereld. Van Manen zette zich af tegen de vele Stravinsky-balletten waarin ouderwets heidens en woest expressief werd gedanst. Van Manens Stravinsky benadrukte de Stravinsky van de pure muziek, de componist van transparantie, balans en lichtheid. In de jaren die volgden maakte Van Manen oogstrelende dansen op 15 composities van Stravinsky. Behalve Balanchine maakte geen van de grote choreografen van de vorige eeuw meer Stravinsky-balletten dan Van Manen. Maurice Béjart, Jerome Robbins en Kenneth MacMilan bijvoorbeeld bleven op 13, 10 en 8 steken. Zo bereikte een Nederlandse Stravinsky ook via de internationale danspodia de wereld.

Hans van Manens ballet ‘The Old Man and Me’, met muziek van onder anderen Igor Stravinsky. Foto Michael Kappeler/DPA

Van Manen had, net als Andriessen, een voorkeur voor de ‘neoklassieke’ Stravinsky en voor de Stravinsky van de jazz en het circus. Als u ooit de mogelijkheid heeft, ga dan kijken naar Black Cake, waarin Van Manen op muziek van Stravinsky’s Scherzo à la Russe (voor jazzband) de ene danser laat dribbelen met de andere alsof hij een basketbal is, of het ontroerende en grappige The Old Man and Me waarin hij twee oudere dansers laat bewegen op Stravinsky’s Circuspolka (dat stuk voor circusolifant). Het is geestig en lichtvoetig, maar in dat lichte zit heel veel vorm, en stiekem ook een breekbare schoonheid. Wie denkt dat iemand meer uit deze muziek kan halen dan Van Manen, moet het zeggen.

Het ongelofelijk rijke Nederlandse muziekleven van de jaren zeventig en tachtig, met zijn festivals en fantastische avontuurlijke ensembles, profiteerde ook op onverwachte manieren van de Nederlandse aandacht voor de neoklassieke Stravinsky. Nederland was in die jaren ook nog het centrum van de grote wedergeboorte van de muziek uit de achttiende eeuw en daarvoor. In die grandioze herontdekking van de Europese muziekgeschiedenis hadden Stravinsky en zijn vriend en opdrachtgever, de ideeënmotor Sergej Diaghilev, een grote rol gespeeld. Diaghilev leverde Stravinsky de achttiende-eeuwse partituren die de basis vormden voor zijn balletmuziek Pulcinella. Maar Diaghilev liet zijn Ballets Russes ook producties maken op muziek van Scarlatti, Cimarosa, Montéclair en Händel, muziek waar niemand toen naar luisterde, en die hij persoonlijk opdiepte uit oude muziekbibliotheken. Diaghilevs liefde voor oude muziek speelde daardoor een cruciale rol in Stravinsky’s ontwikkeling richting het neoclassicisme, zijn interesse in polyfonie en zijn bewerkingen van Gesualdo en Bach. Dat een hedendaagse componist als Stravinsky zich zo engageerde met die vergeten muziek, gaf een niet te onderschatten impuls aan de renaissance van oude muziek. En er was een nauwe band tussen de Nederlandse musici die zich met oude muziek bezighielden en met de hedendaagse musici. Andriessen schreef muziek voor Frans Brüggen, de mede-oprichter en eerste dirigent van het Orkest van de Achttiende Eeuw. De Nederlandse Stravinsky speelde voor al deze musici een cruciale rol.

Die hele cultuur bestaat niet meer. De geweldige Nederlandse ensembles van hedendaagse en oude muziek, waar de hele wereld met bewondering naar keek, zijn gekortwiekt en gemarginaliseerd, in de fik gestoken door de grinnikende jongetjes van het kabinet-Rutte I.

Het is goed om Stravinsky op zijn vijftigste sterfdag te herdenken, maar laten we dan ook het unieke Nederlandse kunstklimaat uit de jaren zeventig en tachtig herdenken, waarin Stravinsky zo’n grote rol speelde, en dat verdwenen is. Net als de Cheshire Cat uit Alice in Wonderland, waarmee Stravinsky zo vaak is vergeleken, die op een tak zit en langzaam vervaagt, tot alleen zijn grijns is overgebleven.

Sjeng Scheijen schreef een biografie van Sergej Diaghilev en het bekroonde ‘De avant-gardisten’. Hij werkt nu aan een biografie van Hans van Manen.