Opinie

Ha ha ha

Ellen Deckwitz

‘Nou, ik zet hem even op de speaker, kunnen jullie nog even met papa praten”, zei onze moeder gisteren, een half uur voordat onze vader (84) geopereerd zou worden aan iets ernstigs in zijn blaas. Een normaal persoon zou dan wat aardigs zeggen maar omdat mijn zus en ik nou eenmaal zijn wie we zijn, pakte dat iets anders uit.

Het begon onschuldig, met de zus die vroeg of onze pa het niet griezelig vond dat hij vanwege die ruggenprik slechts plaatselijk verdoofd zou zijn en feitelijk de hele ingreep dus bewust zou meemaken.

„Nee joh”, zei hij. „En wanneer ik er genoeg van heb, mag ik een roesje.”

„Of als de artsen genoeg hebben van jóú”, giechelde de zus, en ik barstte in lachen uit. Onze vader vindt het heerlijk om zich overal tegenaan te bemoeien. Als hij in zijn buurt een verhuizing of verbouwing ziet, gaat hij erbij staan, de ene goedbedoelde raad na de andere spuiend, een neiging waardoor zijn kleinkinderen hem inmiddels de voice-over zijn gaan noemen.

„Ja”, zei ik, „ik durf te wedden dat ze na vijf minuten meteen de anesthesist erbij halen, zo van wil jij deze patiënt even stil maken, hij praat de hele tijd door de operatie heen.”

„Ze kunnen natuurlijk ook eerst even pa’s gehoorapparaat uitdoen, dat scheelt vast ook een hoop ongevraagd advies”, riep mijn zus.

„Ja”, proestte ik, „en misschien na de operatie hem nog een tweede ruggenprik geven, zodat hij tenminste in zijn bed blijft, in plaats van de hele afdeling te gaan verkennen.”

‘Sowieso is het beter voor zijn gezondheid als hij niet loopt”, jubelde mijn zus, en ik had het niet meer, aangezien onze vader de motoriek van een trekpop heeft en dagelijks wel over een drempel, schoen of huisdier struikelt.

„Laat staan voor de gezondheid van zijn omstanders, straks kukelt hij omver en trekt hij in zijn val zo’n defibrillatorset mee van de muur!”, schaterde ik en toen zei onze moeder dat we wel weer genoeg afscheid hadden genomen, dat de dokter eraan kwam en dat ze ons later die dag zou bellen met de uitslag.

Ze hing op en wij keetten nog verder over hoe mijn vader als hij niet snel werd verdoofd zowel per ongeluk de OK als de levenslust van de artsen en eigenlijk het hele ziekenhuis zou slopen. Na een kwartier veegden we de laatste lachtranen van onze wangen. Toen was het stil. Resteerde slechts het besef dat onze vader ziek was, er onbekenden in hem aan het snijden waren en dat hoeveel grappen we er ook over maakten, hoe hard we er ook om lachten, er helemaal niets was dat we konden doen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.