Een hiervoormaals, bestaat dat ook?

Paasverhaal Het geloof in een hiernamaals zit diep geworteld in verschillende religies, zoals ook in het christendom. vraagt zich af: bestaat er ook een hiervóórmaals? Hij slaat de Bijbel erop na.

Details uit De tuin der lusten van Jheronimus Bosch (1480-1490)
Details uit De tuin der lusten van Jheronimus Bosch (1480-1490) Foto: Wikimedia Commons

1. Is er leven na de dood?

Jezus van Nazaret stierf aan het kruis op een (goede) vrijdag. Een (stille) zaterdag lag hij in zijn graf. Hij herrees uit de dood op een (paas-)zondag. Dat is, heel kort, de reden waarom wij elkaar dezer dagen weer een vrolijk Pasen toewensen.

Het is een opwekkende episode uit de Bijbel. In de kern gaat het over een mens, een zoon van God, die weliswaar sterft, maar niet doodgaat. De moraal van dit paradoxale verhaal luidt: iedereen die leeft naar het voorbeeld van godenzoon Jezus, wacht de beloning van een eeuwig leven.

Vier op de tien Nederlanders vinden het bestaan van ‘iets als een hemel’ geloofwaardig, blijkt uit een opiniepeiling van uitvaartondernemer Yarden uit 2018. En bijna een derde verwacht familie en dierbaren na de dood weer terug te zien.

Hoe zal het zijn in deze hemel? Door de eeuwen heen hebben talloze schilders hun visioenen op doek vastgelegd. In de geesten van Lucas van Leyden, Jeroen Bosch, Michelangelo, Leonardo da Vinci en tientallen andere grote kunstenaars is het altijd mooi weer in de hemel, lopen de mensen er poedelnaakt rond, valt er onbeperkt vers fruit te snoepen en liggen roofdieren en lammetjes vredig naast elkaar te soezen in het gras.

De kunstenaars hebben hun hemelse impressies ontleend aan slechts enkele losse zinnen uit de Bijbel. „Beiden waren zij naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar” (Genesis 2:25). „De zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen” (Openbaring 7:16). „Wie overwint, zal ik laten eten van de levensboom die in Gods paradijs staat” (Openbaring 2:7). „Een wolf [zal zich er] neerleggen naast een lam, een panter vleit zich naast een bokje neer” (Jesaja 11:6). Dit is zo ongeveer alles wat uit de Bijbel te leren valt over het decor waarin het hemelse leven zich afspeelt.

Indirect vertelt het Bijbelse paasverhaal wel iets meer over de gedaante waarin aardse stervelingen hun eeuwige leven leiden in een hiernamaals. Als schimmen bewegen zij zich, als hologrammen.

Er is, om te beginnen, een scène bij het graf van Jezus, op paaszondag. Een rouwende volgelinge, Maria Magdalena, treft zijn graf leeg aan. Waar is de dode Jezus gebleven? Zij kijkt rond en ziet een vreemde man rondlopen. Zij denkt dat het een tuinman is. Dan opeens, tot haar stomme verbazing, ziet zij dat het Jezus zelf is, herrezen uit de dood. „Hou me niet vast”, waarschuwt hij haar (Johannes 20:17). Valt zijn lichaam niet te omhelzen?

Er volgen meer wonderlijke momenten. Een week later, bijvoorbeeld, staat Jezus opeens midden in een kamer, omringd door zijn volgelingen. Hij moet dwars door de muur gekomen zijn – de deuren van het vertrek zijn niet open- en dichtgegaan. Deze plots opgedoken geest lijkt hier ook lichamelijk aanraakbaar te zijn. Leerling Tomas gelooft eerst zijn ogen niet. Jezus wil Tomas overtuigen en zegt: „Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij” (Johannes 20:27). Het werkt. „Mijn Heer, mijn God”, roept de eerst ongelovige en nu plots overtuigde Tomas.

Het is raadselachtig, het zijn mirakelen. Ter verklaring heeft een andere leerling van Jezus, apostel Paulus, hiervoor later het begrip ‘geestelijk lichaam’ bedacht. Volgens Paulus vormt het menselijk lichaam alléén op aarde tijdelijk een eenheid met ‘de geest’. Hij noemt deze twee componenten samen: ‘een psychisch lichaam’. Bij de dood valt deze aardse eenheid in tweeën uiteen: „Wat uit vlees en bloed bestaat, kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid” (1 Korintiërs 15:44-50).

Verhaaltechnisch gezien is het wel een vondst. Het laat zich eenvoudig samenvatten. Er was eens een tijdelijk, aards lichaam. Er ís een eeuwig, geestelijk lichaam.

Tegelijkertijd roept dit ook weer nieuwe vragen op. Heeft dit geestelijke lichaam een geslacht, een gezicht, zintuigen, emoties? Zal het andere ‘geestelijke lichamen’, van familie en vrienden, herkennen bij een hemelse reünie?

De Bijbel geeft geen heldere antwoorden op deze voor de hand liggende vragen. Dit zal de eerste christenen ook zijn opgevallen. Zo’n anderhalve eeuw na de dood van Jezus begonnen volgelingen toelichtende teksten op de Bijbelverhalen te schrijven. Deze zogenoemde kerkvaders bogen zich met name over teksten die in de Heilige Schrift nogal cryptisch waren gebleven. Dit gold ook voor de gedaante die geestelijke lichamen aannemen in de hemel.

Pas omstreeks 400 na Christus kregen de geestelijke lichamen iets meer profiel, wanneer kerkvader Augustinus met zekerheid durfde te zeggen dat mensen elkaar heus zullen herkennen daarboven. Hij leidde dit af uit het enkele woord van de apostel Paulus, dat overleden mensen God zullen aanschouwen „van aangezicht tot aangezicht” (1 Korintiërs 13:12). Zij hebben, kortom, een gezicht – en zo kunnen ze elkaar dus ook herkennen.

Augustinus schrijft dit in een brief aan Italica, een voorname Romeinse weduwe. Hij troost haar met de woorden dat geestelijke lichamen ook ‘geestelijke ogen’ zullen hebben en dat alle zielen elkaar lief zullen hebben, op een wijze die we ons in het aardse leven niet kunnen voorstellen.

En zo komt het verhaal weer terug bij het geestelijk lichaam van de apostel Paulus, die schreef in een taal waarin feiten, meningen en metaforen nauwelijks van elkaar te scheiden zijn. In Bijbelse taal dus, die zonder toelichting en interpretatie moeilijk te volgen blijft.

2. Is er leven vóór het leven?

Geesten die uittreden uit lichamen: het is een gangbaar concept, dat in veel levensvisies wortel heeft geschoten. Al in oeroude culturen in China, in India, in de Griekse klassieke oudheid en op veel plekken elders in de wereld leven geesten hun eeuwige leven, nadat ze ontpopt zijn uit de cocon van hun aardse lichaam.

Opvallend genoeg is het christendom hierbij niet alleen vaag gebleven over de gedaante waarin geestelijke lichamen voortleven wanneer ze hun ‘vlees en bloed’ op aarde hebben achtergelaten. Het blijft ook tamelijk onduidelijk hoe die geesten ooit in die lichamen zijn terechtgekomen.

Over leven na de dood is door de eeuwen heen volop geschreven en gedebatteerd. Maar de oorsprong van dit eeuwige leven is minder druk en heftig besproken geweest.

Als er een hiernamaals bestaat, is er dan ook een hiervóórmaals? In welke gedaante bestonden geestelijke lichamen vóórdat zij – bij hun aardse verwekking – in fysieke lichamen terechtkwamen?

Uit de boeken van het Nieuwe Testament valt hierover weinig tot niets te leren. Het vergt lang terugbladeren, naar het scheppingsverhaal Genesis in het Oude Testament, om hierover iets te weten te komen. Er staat: „God schiep de mens en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen” (Genesis 2:7).

Het menselijk hart ging kloppen, het bloed ging stromen. Was het méér dan alleen een innerlijk vuur dat werd aangeblazen? Kennelijk wel, want naast de levensadem (anders vertaald: de ziel, in het Hebreeuws: nefesj) krijgt de mens ook een geest (ruach) mee (Genesis 6:3).

Deze beide begrippen, ziel en geest, maken het verhaal er niet direct makkelijker op. De woorden ziel en geest komen in de Bijbel bij elkaar zo’n zeshonderd keer voor. Ze worden in de verschillende Bijbelboeken nogal eens door elkaar gebruikt, en vaak in wisselende context.

Het is voer voor schrift- en andere doorgeleerden om het verschil tussen ziel en geest uit te leggen. Maar hoe die duiding ook uitpakt, nergens ontstaat ook maar een begin van een antwoord op die ene, onnozele vraag: waar komen de ‘geestelijke kindertjes’ vandaan, die uitgroeien tot volwassen lichamen van vlees en bloed, en daarna als geestelijke lichamen hun eeuwige, hemelse reünie zullen beleven?

Ook hierop moeten de kerkvaders, die vanaf de tweede eeuw na Christus toelichtingen op de Bijbelteksten schreven, hun licht laten schijnen. Origenes, uit Alexandrië, meende vroeg in de derde eeuw dat hij de oorsprong van de menselijke geest annex ziel gevonden had: God had ze ooit allemáál al geschapen. Volgens hem vielen de dwarsliggers onder deze zielen of geesten uit de hemel. Juist voor hen schiep God de aarde, als vangnet, en als leerschool om tot inkeer te komen.

Een halve eeuw eerder had Carpocrates, ook uit Alexandrië, zijn gedachten laten gaan in de richting van reïncarnatie. Volgens hem zou God het totale aantal geestelijke zielen bij de schepping reeds bepaald hebben. Bij toerbeurt stuurde hij ze naar de aarde om in stoffelijke lichamen te kruipen.

Het had, zoals in veel andere religies, een geloofwaardig spiritueel verhaal kunnen opleveren. Maar reïncarnatie heeft het niet gehaald in het christendom. Kerkvader Irenaeus, bisschop van Lyon, vond hét argument om het idee van Carpocrates dat geesten zich telkens weer in nieuw verwekte, aardse lichamen kunnen nestelen te ontkrachten. Immers, álle dode lichamen op aarde zullen uiteindelijk óók weer tot leven komen op de Dag des Oordeels, zo staat geschreven in het allerlaatste Bijbelboek, Openbaring.

Wie logisch nadenkt, en dat deed Irenaeus, moet wel tot de conclusie komen dat enerzijds de wederopstanding van alle lichamen en anderzijds de reïncarnatie van een beperkt aantal zielen in telkens weer andere lichamen niet met elkaar te rijmen valt. Immers, dan zouden er uiteindelijk te weinig zielen zijn voor te veel lichamen. De Bijbel mag dan vol onverklaarbare wonderen staan, maar de rekensommen moeten wel kloppen – ook als het over lichamen, geesten en zielen gaat.

Vragen over leven vóór het leven zijn sinds de eerste eeuwen van het christendom helaas niet meer zo vaak gesteld, en nog minder vaak beantwoord.

Met medewerking van theoloog en filosoof Piet Hagenaars.