Opinie

Nouliks vertolkbaar

Marjoleine de Vos

Zat te lezen over wijsheid en poëzie – dichters hebben zoals bekend veel wijsheid in de aanbieding – en keek even op, naar buiten, waar een schriel zonnestraaltje de al eveneens schriele bessenstruik aanlichtte. Daar komen allemaal kleine blaadjes uit gekropen. Uit de andere bessenstruik ook. Ik haalde eens dieper adem, zoals je doet als een mengeling van vreugde en opwinding door je heen trekt.

Vreugde en opwinding? Om een uitlopende bessenstruik? Overdrijven we nu niet wat?

Maar nee, het was echt zo. Steeds als ik weer even gelezen had en ik keek opnieuw, voelde ik het weer. Verwachting, levenslust, blijdschap – hoe wil je het noemen.

In het boek van Frits de Lange over de wijsheid die we zouden kunnen nastreven bij het ouder worden (Eindelijk volwassen heet het) wordt een gedicht van Elisabeth Eybers geciteerd, dat zo begint: „Nouliks vertolkbaar wat hulle my vertel/ spreeus, eksters, meeue, eende, kraaie, al/ die ywerige dagloners van die wal.” Eybers woonde aan de Stadionkade in Amsterdam, het gedicht heet Uitsig op die kade en je ziet het voor je, zo’n stadskade, het gedoe van vogels zoals dat dan bijna dagelijks te zien is. Maar het zien is niets, op zichzelf. Eybers voelt, dat schrijft ze hier, dat haar iets verteld wordt door die vogels, en dat iets laat zich maar moeilijk mededelen. Het heeft te maken, schrijft ze verderop, met niet met zichzelf bezig zijn, alsof dat hele ‘zichzelf’ er niet meer zoveel toe doet: „Ek mis myself steeds minder.”

De Lange beschouwt dat als een belangrijke stap in het wijs ouder worden – jezelf loslaten. Mystici hebben dat altijd al belangrijk gevonden. Cor Jellema, vertaler van Meister Eckhart, schreef in een gedicht wat die 13de-eeuwse mysticus ons aanraadt: „Blijf bij jezelf, dan ben je in de dingen,/ en in de dingen laat jezelf daar vrij.” Ik denk heel vaak aan die regels en probeer ze elke keer weer te begrijpen. Soms lukt dat, soms ben ik dat begrip weer kwijt. Maar het heeft alles te maken met wat Eybers hier schrijft, met het overgegeven kijken naar wat er aan leven is buiten je, en niet denken: wat betekent dat voor mij, niet zoeken naar wat er in je omgaat. Dan, schrijft Eybers: „tintel dit of ek selfafstotend groei”.

Zelfafstotend groeien.

Soms, bijvoorbeeld als je op Schiermonnikoog aan de waddenkant staat en er zijn verder geen mensen, er is alleen het wad met zijn kleine zuigende geluiden en al die bezige vogels, het ronde roepen van de wulpen, het felle schreeuwen van sterntjes, maar ook het stille zoeken van de kluten op hun blauwe poten, vergeet je dat je er bent en je wordt vervuld van vreugde.

Is dat een begin van wijsheid? Ik weet het niet. Ik denk soms dat mensen die zoveel met taal bezig zijn en met formuleringen voor wat ze zoal ondergaan, veel meer behoefte hebben aan dat ‘loslaten van het zelf’ dan mensen die, zonder het ooit over wijsheid te hebben, gewoon weten dat ze leven en ooit zullen sterven en intussen „doen wat hun hand te doen vindt”, zoals Prediker zegt.

En wij maar praten over onze vermoedens, over hoe nietig we zijn, dat we het gehéél moeten zien en ondergaan, en ja! Dat we dat soms doen! Geweldig!

Ach. De bessenstruik loopt uit, ik heb in de tuin het oude blad weggeharkt, er waren groenlingen, de koolmezen riepen vanochtend heel nadrukkelijk. Wat ze zeiden – „nouliks vertolkbaar”. Maar het was wel wat. Net als die regels van Eybers, zomaar wat woorden om mee te nemen in het ijverige alledaagse dwalen, zoeken, leven.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.