Recensie

Recensie Boeken

Wat doet die robotjongen in de schoolklas?

Kinderboek Nieuwe klasgenoot George maakt een eigenaardige indruk: hij blijkt een robot. De Britse David Almond schrijft in zijn nieuwe kinderboek jolige jongensdialogen waarin terloops licht filosofische vragen de revue passeren, over het mysterie dat het leven is.

De nieuwe jongen in het gelijknamige kinderboek van David Almond is ‘een rare’, daarover zijn straatschoffies Daniel en zijn vriend Maxi het snel eens als George hun klas binnenwandelt. Hij zegt bijna niets. Zijn ogen lijken uitdrukkingsloos. En hij rekent sneller dan een rekenmachine. Wanneer zijn oor er ineens afvalt, is Daniel overtuigd: ‘Hij is een robot’, of tenminste ‘iets robotachtigs’.

Op dit punt in het verhaal dolt Almond enthousiast met onze willing suspension of disbelief. Net als zijn jeugdige protagonist vanuit wiens perspectief hij De nieuwe jongen vertelt, twijfel je weliswaar dan al aan George’s menselijkheid, maar geef je daaraan nog liever niet toe. Als vanzelfsprekend ga je mee in de schijnbaar logische gedachtekronkels van Daniel. Die vraagt zich bijvoorbeeld terecht af of George zoveel raarder is: ‘We zijn zelf toch zeker gestoord?’ […] ‘Zoals we elke ochtend als zombies weer naar school gaan?’ Ook Maxi’s speelse idee ‘dat alle kinderen buitenaardse wezens zijn’ wier herinneringen zijn gewist door leraren, waanzinnige wetenschappers en politici prikkelt. ‘Ken je dat gevoel, dat je heel erg naar iets verlangt, maar niet goed weet wáár je zo naar verlangt? […] Dat komt omdat er een kwijtgeraakte herinnering in ons rondwoelt aan onze ware planeet’, probeert hij Daniel van zijn doldrieste bedenksel te overtuigen.

Terloopse filosofie

Almond is goed in dit soort levensechte, jolige jongensdialogen waarin terloops licht filosofische vragen de revue passeren over het mysterie dat het leven is – de rode draad in zijn oeuvre. Opmerkelijk: terwijl hij meestal vanuit het magisch-realisme vertrekt, kiest hij nu met De nieuwe jongen voor een aangenaam gedachte-experiment. Want ja, Daniels vermoedens worden halverwege het verhaal bewaarheid: George is inderdaad een menselijke robot, de eerste in zijn soort. De directie van Nieuwe Levensvormen N.V. komt het de bovenbouwklassen zelf vertellen, ‘en er komen er meer, een hele rij Georges, tot ver in de toekomst’. De ambivalente reactie van de kinderen op dit nieuws is goed getroffen. Enerzijds zijn ze nieuwsgierig: wat is intelligentie eigenlijk; kan George wel iets leuk vinden? Anderzijds voelen ze zich bedrogen. Ze meenden oprecht (met plezier ontkracht Almond hier het monsterlijke Frankensteincliché) dat hij erbij hoorde, ‘op zijn eigen hartstikke rare manier’.

De nieuwe jongen doet denken aan Mijn broer en ik (2018), Abdelkader Benali’s kinderboek waarin een meisje ontdekt dat haar broer een robot is en ook vragen over menselijkheid en de vrije wil aan de orde komen. Maar Almond slaagt er beter dan Benali in om zijn gedachte-experiment om te zetten in een volwaardig, amusant kinderboekenavontuur. Daarbij maakt zijn uitvergrote humor (geholpen door Marta Altès’ karikaturale tekeningen) een complex onderwerp als AI en de morele dilemma’s die het opwerpt, behapbaar. Zo is Daniels moeder eigenaar van een beautysalon met de dubbelzinnige naam JE NIEUWE ZELF (Experts in Make Overs), waarmee kinderen ongemerkt tot denken worden aanzet over de mistige grens tussen nep en echt en wat (nog) menselijk is.

Helemaal jezelf zijn

George blijkt voor Daniël en zijn schoolvriendjes sowieso menselijk genoeg om hem, zij het in onderdelen, te kidnappen. Dit is niet helemaal geloofwaardig, maar Almond komt ermee weg. Alleen al vanwege de ontroerende scène waarin Daniel op zijn bed zit met George’s hoofd in zijn handen, denkend aan al het verborgene en onbekende in zijn eigen hoofd en alles wat het kan. Vanuit een (vrijheids)verlangen naar ‘dat lekkere losse gevoel van helemaal mezelf zijn’ en de wezenlijke vraag ‘moet je iets zijn wat dood kan gaan als je iets bent wat kan leven’, besluiten hij en Maxi vervolgens George zelf te construeren en naar het nabijgelegen bos te leiden, met alle even noodlottige als vrolijke gevolgen van dien. Daarmee eindigt Almonds boek met een innemend pleidooi voor een menswaardige kinderwereld waar de verbeeldingskracht (nog) vrij spel heeft.