Een training op het jeugdcomplex van Feyenoord.

Foto David van Dam

Op je zesde naar Ajax of Feyenoord: moeten clubs en ouders dat écht willen?

Voetbalopleidingen De KNVB ontmoedigt profclubs jonge pupillen op te leiden. Onder meer Ajax en Feyenoord blijven hierin volharden. Een kijk in de wereld van de talentenfabrieken. „Hij bracht meer tijd op de achterbank door dan op het veld.”

De brief en de klap

Op de deurmat ligt een envelop. Er staat een logo op dat overal in Nederland tot de verbeelding spreekt. Een cirkel, met daarin de beeltenis van een gehelmde krijger met een baard.

Afzender: AFC Ajax.

Zo begint de droom voor veel voetbaltalenten, en bij Anass, een guitig ventje met een bos krullen uit Amsterdam-West, is dat niet anders. Als hem thuis de brief wordt voorgelezen, begrijpt hij al snel dat er iets bijzonders aan de hand is.

Anass, nog geen zes jaar oud, is gescout.

Drie stagetrainingen verder wordt hij aangenomen. Met zijn creativiteit en spelinzicht, denken de trainers, heeft Anass de potentie om Ajax 1 te halen. Wat volgt zijn vier seizoenen met veel hoogtepunten en een dieptepunt.

Vanaf zijn eerste seizoen meldt hij zich vijfmaal per week op de club: vier keer voor een training, een keer voor een wedstrijd. Hij ontvangt sokken, slippers, scheenbeschermers, drie trainingspakken, een regenjas en voetbalschoenen. Na school, wanneer zijn vriendjes buiten spelen, staat zijn vader hem met draaiende motor op te wachten. Omkleden en eten doet Anass op de achterbank.

Dat Anass bij Ajax speelt, weet heel de buurt. Filmpjes van zijn doelpunten belanden op Instagram. Een video waarin hij en zijn medespelers van Ajax onder-8 een doelpunt vieren als Cristiano Ronaldo, gaat viral, met anderhalf miljoen views. Nóg meer likes en lof volgen als hij in 2018, als tienjarige, mag komen hooghouden in de Arena, voorafgaand aan Ajax-Heerenveen.

Eén, twee, drie, vier, vijf … de teller schiet omhoog … drieëndertig, vierendertig … Totdat Anass de bal laat vallen. Bewust.

Vierendertig is het rugnummer van Abdelhak Nouri, de Ajacied die in 2017 blijvende hersenschade opliep na een hartaanval. Anass woonde bij Nouri om de hoek en beschouwt zijn buurtgenoot als zijn grote voorbeeld. Van Voetbal International tot RTL Nieuws: zijn eerbetoon aan Nouri gaat in rap tempo het internet over.

Maar wie bij Ajax voetbalt, krijgt ook met teleurstellingen te maken. Naar de grote buitenlandse toernooien, de hoogtepunten van het jaar, mag Anass niet altijd mee. In de kleedkamer is het altijd weer spannend welke spelers een brief mee naar huis krijgen en wie niet. Acht van de twintig vallen meestal af. Blijf hard werken, krijgen zij te horen.

Wanneer Anass mee mag, leeft hij zijn droom, spelend tegen clubs als FC Barcelona en Bayern München. Zijn zeven jaar oudere broer Reda, die soms meegaat, hoopt de avond van tevoren altijd dat zijn broertje het goed doet. Tot zijn verbijstering ziet hij dat spelers soms al na een minuut worden gewisseld. Ook Anass, wanneer hij niet kort genoeg dekt.

Mag hij door? Dat is ieder jaar de vraag. Voor de Kerst krijgen de spelers al een (kleuren-)indicatie. Zitten ze in de groene zone, dan zullen ze in april waarschijnlijk goed nieuws krijgen. Oranje? Kantje boord. Rood: grote kans dat je moet vertrekken.

Anass moet harder werken, maken de trainers hem duidelijk. Neem de sprintoefeningen: waarom lopen anderen wél tot de pion en hij niet? Toch scoort hij altijd groen. Tot eind 2018, als hij voor het eerst oranje krijgt. Drie maanden later is het rood: zijn tijd bij Ajax is voorbij.

Anass, nu 13, denkt dat het hem hard heeft gemaakt. Met teleurstellingen omgaan, dat hoort bij het leven. Intussen speelt hij bij het Amsterdamse Buitenveldert, ook landelijk, en assisteert hij Reda bij de voetbalschool Master Voetbal Plan.

Ook Reda kijkt met een goed gevoel terug op Anass’ tijd bij Ajax, hoewel hij en zijn ouders het gevoel hebben dat het in elk jeugdteam van Ajax om slechts één of twee jongetjes draait: de rest is vulling.

‘Stop met die ratrace’

Op 34 betaaldvoetbalclubs telt Nederland 29 profacademy’s. Bij elkaar huisvesten zij een paar duizend voetballertjes, met een in- en uitstroom van zo’n 550 nieuwe spelertjes per jaar, schatten ze bij de KNVB.

De meeste nieuwkomers zijn tien jaar of ouder. Twee derde van de clubs heeft geen teams onder die leeftijdsgrens. Elf academy’s wel. Zij scouten soms al vanaf vijf- of zesjarige leeftijd.

De formule is vrijwel altijd hetzelfde: talent spotten en opleiden tot prof, zonder garantie dat dit lukt. Tussen droom en daad ligt immers een lange weg, waarop spelertjes elk moment door anderen verdrongen kunnen worden.

„Uit concurrentie-overwegingen zijn clubs steeds eerder gaan scouten”, zegt Aloys Wijnker, manager voetbalontwikkeling bij de KNVB. „Allemaal wilden ze als eerste de beste talenten hebben. Haalde de ene club tienjarigen, begon de ander bij negen. Het werd jonger en jonger.”

Haalde de ene club tienjarigen, begon de ander bij negen. Het werd jonger en jonger.

Aloys Wijnker Manager voetbalontwikkeling KNVB

Inmiddels ziet Wijnker een kentering. Waar clubs elkaar aftroefden om de gunst van zesjarigen, beginnen ze weer later te scouten en zijn er clubs die teams afstoten, zoals PEC Zwolle en FC Utrecht met de onder-8. En dat juicht Wijnker toe.

Het is volgens hem zinloos om spelers al zo vroeg mogelijk te scouten. In kinderen tot elf, twaalf jaar kun je geen toekomstige profvoetballer herkennen, stelt hij. „Dat wijzen harde cijfers uit.”

Om die reden nam hij drie jaar geleden een drastisch besluit toen hij hoofd jeugdopleiding bij Vitesse werd. Hij schrapte de onder-8 en onder-9. Uit statistieken bleek dat er in hogere jeugdteams amper voetballertjes zaten die al zo vroeg bij Vitesse waren gaan spelen. Dus waarom ermee doorgaan?

In plaats daarvan lanceerde hij iets nieuws: regiotrainingen. Door op vier locaties vaste oefensessies te houden, konden trainers van Vitesse meer jongetjes voor een langere periode screenen, zonder dat die uit hun vertrouwde omgeving werden gehaald. Hetzelfde doen ze bij AZ, waar Wijnker eerder werkte.

„Om clubs aan te moedigen tot dit soort initiatieven, hebben we bij de KNVB een subsidiepot gecreëerd. Neem de trainer van Feyenoord onder-9. Die traint zo’n veertien kinderen. Wat als hij die tijd besteedt aan veertien amateurclubs Waar hij elk tien trainers bijschoolt, waardoor duizend kinderen betere training krijgen en beter gaan voetballen. Het idee: als alle clubs dit doen, zien ze meer kinderen, en dus ook meer talent.”

Tegenhouden kan Wijnker ze niet, de clubs die zweren dat ze op zesjarige leeftijd de nieuwe Messi kunnen ontwaren. De regels staan het toe. Zolang jongetjes in de buurt van een profclub wonen, kan Wijnker er best mee leven.

Meer moeite heeft hij met urenlange autoritten die spelers soms afleggen om bij pakweg Vitesse, Utrecht of Ajax te spelen. „Ouders moeten vrij nemen om hun zoon naar de training te brengen. En dat kan leiden tot onnatuurlijke druk. ‘Ik moet goed presteren, want papa neemt vrij voor mij.’ Daar komt bij dat er minder tijd is voor broertjes en zusjes. Bij Vitesse reden er hele families achter de bus aan, omdat de kinderen zogenaamd een belangrijke wedstrijd speelden.”

Er zijn ook ouders die de keuze om bij een profclub te spelen overlaten aan hun kinderen, zegt Wijnker. „Dat vind ik apart. Als je kind elke dag bij McDonald’s wil eten, sta je dat dan ook toe? Voor ouders is het soms ook een stukje status. Op een verjaardag ben je al snel het middelpunt van de belangstelling.”

Enkele jaren geleden las Wijnker over een jongetje van acht dat vanuit Den Helder heen en weer reisde naar Feyenoord. „Ik dacht: moet je dat echt willen?”

Foto David van Dam
Foto David van Dam
Een training op Varkenoord, het jeugdcomplex van Feyenoord. Bij de Rotterdamse club willen ze de gevoelige jaren, in de leeftijd van zes tot twaalf, gebruiken om spelers vaardiger te maken.
Foto’s David van Dam

De Feyenoord-methode

Zeven jonge ventjes dribbelen af en aan op Varkenoord, het trainingscomplex van Feyenoord in Rotterdam-Zuid. Met de bal aan de voeten draaien ze langs de pionnen, of proberen ze een ploeggenoot voorbij te spelen. Ze zijn net iets groter dan de minidoeltjes waarin ze moeten scoren. Kelson, Xavier, Dani of Dex heten ze en ze spelen in de onder-7, het jongste jeugdteam van de Feyenoord Academy. Twee keer in de week trainen ze, met wedstrijden op zaterdag.

„Zo schiet je een bitterbal weg”, roept een van de trainers met een knipoog, als een jongen de bal niet goed raakt. „Goed inspelen is belangrijk, vanuit de beweging”, klinkt het. Vanaf de parkeerplaats kijken ouders toe – door de coronamaatregelen mogen ze het complex niet op.

Feyenoord zweert bij jong opleiden. „We halen ze het liefst zo jong mogelijk”, zegt hoofd jeugdopleiding Stanley Brard. „Op jonge leeftijd kan je al zien of een spelertje kwaliteit heeft.” Hoe? Ze weten genoeg als een jongen „overal” is, of „vier man voorbij gaat”, of bij balverlies de bal direct herovert. „Dan zeggen we: die moeten we hebben.” Door de besten bij elkaar te zetten hopen ze dat „ze elkaar opstuwen in hun ontwikkeling”.

Op jonge leeftijd kan je al zien of een spelertje kwaliteit heeft

Stanley Brard Hoofd jeugdopleiding Feyenoord

In 2016 trok Wim Jansen, oud-speler en jarenlang invloedrijk adviseur van de jeugdopleiding, in De Telegraaf de vergelijking met Formule 1-coureur Max Verstappen. Die was als tiener al zo goed omdat hij op zijn vierde begon met karten. „Topvoetbal is een vak, dat moet je leren”, vond Jansen. „Elke dag dat hij niks leert, is voor een talent een verloren dag.”

Bij Feyenoord willen ze de gevoelige jaren, in de leeftijd van zes tot twaalf, gebruiken om spelers vaardiger te maken. Zonder dat ze in een keurslijf worden gestopt, benadrukt Brard. „We willen dat jongens zich hier vrij voelen.”

In de verte lonkt de Kuip, daar waar de jongens ooit hopen te schitteren. Al is de kans klein dat ze het eerste halen. Dit wordt bij intakegesprekken en in ouderpresentaties ook benadrukt, zegt Brard. „Het is een terugkerend thema, waarbij we aangeven: er gaan er misschien maar twee per seizoen door.”

In die gesprekken wordt ook de rest van het gezin betrokken. Dat aan de zusjes en broertjes óók voldoende tijd wordt besteed door de ouders. „En niet dat je die jongen op een voetstuk zet omdat hij bij Feyenoord speelt”, zegt Brard.

Doorgaans krijgen jongens minimaal „twee jaar de kans”. Na ieder seizoen is er een evaluatiegesprek. Bij het afscheid hebben ouders het vaak het moeilijkst, zegt Brard. „Binnenkomen is geen probleem, hè. Maar als hij weg moet…”

Teleurstelling bij spelers die afvallen hoort erbij, zegt Brard. Bovendien zijn de meeste jongens het Feyenoord-avontuur „na een maand” alweer vergeten.

De club heeft een ‘nazorgtraject’. Als een jeugdspeler de club verlaat zoekt een sociaal-maatschappelijke begeleider in het nieuwe seizoen contact met de ouders om te vragen hoe het gaat. Ook wordt geholpen bij het vinden van een nieuwe club. Raymond van Meenen, manager van de Academy: „Wij zullen er alles aan doen om een gedwongen afscheid zo zacht mogelijk te laten verlopen”.

Feyenoord zegt voornamelijk in de regio te scouten. Maar soms halen ze jonge spelers van ver buiten Rotterdam. In 2019 kwam een zevenjarig keepertje over van een club uit Rosmalen, en het jaar daarvoor een zesjarige jongen uit Oss. Ze zitten nu beiden in de onder-9.

Uren op de snelweg

Tweeduizend deelnemers. Twintig plekken. Eén procent kans.

Toch dromen alle kinderen die meedoen aan de talentendagen bij Feyenoord dat zij eruit worden gepikt. Zo ook Romano, een handig voetballertje dat is ingeschreven door zijn stiefvader Tommy, een groot Feyenoord-fan.

Romano voetbalt lekker die middag in Rotterdam. Achter zijn naam zetten scouts een krulletje, zoals ze dat ook zullen doen in de selectieronde daarna, en die daarna. Eenmaal bij de laatste twintig lijkt een plek in de opleiding een feit, ware het niet dat Feyenoord op eenprobleem is gestuit.

Romano woont in Den Helder. En dat vindt de club te ver voor een jongetje van zeven.

Niet veel later ontvangt Romano opnieuw een brief. Ditmaal van Ajax. Of hij op stage wil komen? Stiefvader Tommy heeft zijn bedenkingen bij die club, maar gelooft ook dat Romano bij Ajax meer kan leren dan bij zijn amateurclub. De snuffelstage verloopt goed: Romano wordt speler van Ajax.

Hoewel hij lekker meedraait, blijft hij slechts één seizoen. Nadat hij te horen heeft gekregen dat hij mag blijven, heeft zijn stiefvader toch nog eens contact opgenomen met Feyenoord. Willen ze Romano misschien nu wel hebben? Ja, is het antwoord. Hij gaat weg bij Ajax. Feyenoord is mijn club, zegt hij bij het vertrek.

Romano is dan acht. Dat hij uren op de snelweg zal doorbrengen, vindt Feyenoord geen bezwaar meer. Stiefvader Tommy evenmin. Hij is dj en producer en kan zijn tijd zelf indelen. Heen doen ze er vaak een uur en driekwartier over, terug zo’n anderhalf uur. En dat al snel vier keer per week. „Romano bracht meer tijd op de achterbank door dan op het veld”, aldus Tommy. De speler zelf beschouwt de autoritten als een investering in een mogelijke toekomst als profvoetballer.

Romano bracht meer tijd op de achterbank door dan op het veld

Tommy Stiefvader van Romano

Dat geldt ook voor het gastgezin. Als Romano drie jaar bij de club zit, en in Rotterdam naar de brugklas gaat, is pendelen geen optie meer. Gelukkig heeft hij een klik met het gastgezin. Het echtpaar heeft drie kinderen die aan topsport doen, en kent het veeleisende ritme waarin Romano leeft.

Het wordt zwaarder. Zeker dat vierde jaar, waarin Romano het moeilijker krijgt. Het is kantje boord, zegt zijn trainer als hij eind van dat seizoen hoort dat hij mag blijven. Laten we er dan mee stoppen, oppert zijn moeder. Zij heeft haar zoon liever heel de week thuis in plaats van die ene nacht. Haar partner Tommy denkt er anders over. „Wat als het in het vijfde jaar wél goed gaat, en hij zijn minpunten verbetert? Achteraf krijg je misschien wel spijt.”

In zijn vijfde jaar zit Romano bijna wekelijks op de bank en speelt hij soms helemaal niet. Eerst vreet het aan hem, later berust hij in zijn lot.

De mededeling dat hij moet vertrekken, zag hij dan ook aankomen. Er zijn andere profclubs, dichter bij huis, waar hij terecht kan, maar Romano gaat liever ballen bij de amateurs van FC Den Helder. Op dagen dat hij om half drie van school komt, beseft hij hoeveel uren er in een dag zitten. Niet meer de auto in. Wat een vrijheid.

Zouden hij en Tommy een talent uit Den Helder aanraden naar Feyenoord te gaan?

Tommy: „Als ouders de baan ernaar hebben om heen en weer te rijden, zeg ik: doen. Het was een topervaring.”
Romano: „Ik ook. Uiteindelijk wen je aan dat reizen.”
Tommy: „Wij zijn denk ik de enige gekken in Nederland die zo veel hebben gereisd om dit mee te maken.”

Training voor spelers onder 7 jaar bij Feyenoord.Foto David van Dam

Twee buren, twee visies

Alle jeugdspelers die bij Ajax komen hebben „een droom”, zegt hoofd jeugdopleiding Saïd Ouaali. Profvoetballer worden – bij Ajax spelen. Als club willen zij „er alles aan doen om te helpen die droom te verwezenlijken”, vertelt hij. „Met onze trainers en begeleiding, met pedagogische achtergrond. Het enthousiasme en plezier moet steeds terugkomen.”

Ajax begint met opleiden vanaf onder-8, met drie trainingen per week. De club haalt ze zo jong naar trainingscomplex De Toekomst omdat ze hier de „persoonlijke en kindvriendelijke” begeleiding kunnen bieden waarvan zij denken dat een jong talent die nodig heeft. Ouaali: „Wij willen onze talenten zo vroeg mogelijk ontdekken, herkennen en verder ontwikkelen”.

Bij het scouten van talent kijkt Ajax in eerste instantie naar wat een kind met de bal kan, zegt Ouaali. „De technische en motorische vaardigheden. De keuzes die hij maakt in het samenspelen.”

Maar andere factoren spelen ook mee. „Hoe zal een kind omgaan in de context van Ajax-medespelers? En met professionele begeleiding?” Pas als dat duidelijk is, halen ze een speler eventueel naar De Toekomst.

In gesprekken met ouders en talenten geeft Ajax vooraf aan dat de kans dat een kind het eerste elftal haalt niet groot is, zegt Ouaali. Het verwerken van de teleurstelling door uitvallers hoort ook bij opleiden, vindt hij. „Het is onderdeel van de ontwikkeling, waar een kind op latere leeftijd ook profijt van heeft. Maar je kan ook benadrukken dat een kind onderweg ontzettend veel nieuwe ervaringen meekrijgt. Nieuwe vriendjes. Prachtige wedstrijden en toernooitjes.” Voor jeugdspelers die afvallen is er nazorg.

Ajax stelt dat zo’n 85 procent van hun spelers die in de bovenbouw (vanaf zestien, zeventien jaar) komt, uiteindelijk het betaald voetbal haalt. Verschillende spelers die zeer jong bij Ajax begonnen bereikten het eerste, onder wie Daley Blind, Noussair Mazraoui, Ryan Gravenberch (op hun achtste bij Ajax) en Joël Veltman en Matthijs de Ligt (vanaf hun negende).

Bij Ajax volgen ze met interesse de omslag in denken over het opleiden van de jongste jeugd door profclubs. Intern hebben ze er soms discussie over, zegt Ouaali. „Ons beleid wordt voortdurend geëvalueerd. Ook dit. Wat is het beste voor het kind en de club? Wij geloven nog altijd dat dit past bij de visie van Ajax.”

Wij geloven er niet in om op hele jonge kinderen al het predicaat ‘talent’ te plakken

Paul Brandenburg Hoofd jeugdopleiding AZ

Maar bij de regionale rivaal, tientallen kilometer noordelijker, denken ze er compleet anders over. „Wij geloven er niet in om op hele jonge kinderen al het predicaat ‘talent’ te plakken”, zegt Paul Brandenburg, hoofd jeugdopleiding van AZ. „En wij denken niet dat het verstandig is om jongens van zes of zeven jaar meerdere keren per week naar de club te laten komen. Dat scheelt ze al zoveel reistijd.”

Om die reden heeft AZ geen jeugdelftallen tot en met tien jaar. In plaats daarvan hebben ze voor de onderbouw vijf voetbalscholen in de regio, onder meer in Hoorn, Haarlem en Amsterdam. Elke zondag trainen op iedere locatie twintig tot dertig spelers van zeven tot en met twaalf jaar onder leiding van AZ-coaches. „Eenmaal in de week met de besten tegen de besten uit de eigen regio.” Spelers die zich daar over een langere periode profileren, kunnen doorstromen naar de AZ-jeugdopleiding in Wijdewormer.

Voordeel is dat de jeugdspelers die op een ‘AZ Voetbalschool’ zitten, in hun thuisomgeving kunnen blijven, vertelt Brandenburg. „Bij hun amateurclub, met hun eigen vriendjes. En veel tijd om buiten te spelen en andere sporten te beoefenen. Essentieel voor de ontwikkeling van een voetballer.” Bovendien kan AZ de in totaal bijna 150 spelers op de voetbalscholen langere tijd volgen. Zo kan de club zien of een speler voldoende lerend vermogen heeft en medische, fysieke en cognitieve testen afnemen.

Het jongste jeugdelftal bij AZ is de onder-11. Daar begon de club vier jaar geleden mede „uit concurrentie-oogpunt” mee, omdat ze in Alkmaar zagen dat de beste spelers van hun voetbalscholen overstapten naar andere clubs in de regio, bij gebrek aan een jeugdteam bij AZ.

Als het kon zou Brandenburg de jeugdopleiding pas bij onder-13 beginnen. Het moment dat kinderen de overstap maken naar het voortgezet onderwijs. Maar hij weet dat hij zichzelf daarmee in zijn vingers snijdt, gezien de strijd om het talent. „Ook bij onze voetbalscholen staan scouts van Ajax, Volendam en FC Utrecht.” Hij vindt dat profclubs moeten afspreken dat ze spelers pas vanaf twaalf of dertien jaar gaan opleiden.

Tim Koning, sport- en prestatiepsycholoog: „Is het belangrijk dat kinderen continu met 5-0 winnen, of zich ontwikkelen?”
Foto David van Dam

Bezorgde wetenschappers

Tim Choy (48) is psychosociaal wetenschapper en performance coach. Hij speelde zelf in de jeugd van Haarlem en Telstar en benutte zijn ervaringen als bijna-prof voor onderzoeken naar de slagingskansen en mentale gesteldheid van jeugdspelers bij bvo’s. Met zijn organisatie Soul 2 Goal wil hij spelertjes beter leren omgaan met de schaduwkanten van topsport, zoals stress en prestatiedruk.

Naast hem zit sport- en prestatiepsycholoog Tim Koning (30), een van de twee auteurs van het binnenkort te verschijnen boek De Talentformule, over het belang van plezier voor topprestaties en talentontwikkeling. Koning: „Het grootste gevaar van een talentontwikkelingsprogramma is dat we alleen het topje van de ijsberg zien. De spelers die het wél halen. Zij worden gezien als het bewijs dat het loont. Maar als er meer aandacht komt voor spelers die afvallen, zou je zien dat het een loterij is.”

Draait het bij de jongste jeugd dan niet om spelen en plezier? Koning: „Dat zeggen ze voor de bühne. Het feit dat een jongen van zes wordt geselecteerd door bijvoorbeeld Feyenoord, heeft veel impact. Het hele gezin zal om hém draaien. Hij is niet zomaar een jongetje meer, maar het jongetje van Feyenoord. Wat voor ballast brengt dat mee?”

Choy: „Het begint al bij dat shirt. Als een kind dat aantrekt treedt er een psychologisch effect op, hoe goed het klimaat binnen een club ook is. Het kind gaat zich anders gedragen, zich aanpassen aan de cultuur bij de profclub, waar het bij de amateurs juist vrijheid genoot. Wij zien juist dat die vrijheid van geest zo belangrijk is om creativiteit en sociale vaardigheden te ontwikkelen. Denk aan pleintjesvoetbal, zonder trainers die je beoordelen.”

De troon wordt je afgenomen. Kinderen ervaren dat als falen en kunnen psychische problemen krijgen.

Tim Choy Psychosociaal wetenschapper en performance coach

Koning: „Je kunt je ook afvragen of we in de jeugd niet te veel met ranglijsten bezig zijn. Op pleintjes wil ook iedereen winnen, maar wordt er gehusseld bij te veel ongelijkheid. Is het belangrijk dat kinderen continu met 5-0 winnen, of zich ontwikkelen?”

Choy: „Trainers laten spelertjes soms op straatveldjes voetballen, zodat ze een gevoel van vrijheid zouden hebben. Maar die kinderen weten heus wel dat verderop iemand mee staat te kijken.”

Koning: „Over vroeg beginnen bestaan misverstanden. Dat loont bij sporten als golf en darts, waarvan je vaardigheden tot in den treure kunt oefenen, maar niet bij een dynamische sport als voetbal. Oftewel: bij voetbal staat het aantal uren dat je als kind investeert niet per se gelijk aan de toekomstige prestaties. Uit een verzameling van onderzoeken blijkt zelfs dat de factor tijd slechts voor 1 procent doorslaggevend is om topniveau te bereiken. Sterker nog: wie vroeg piekt, maakt juist minder kans later door te breken. Vroegrijp is vroegrot.”

Als sportpsycholoog spreekt Koning regelmatig jonge voetballers. „Jongetjes die moeite met tegenslag hebben. Die altijd bij de beste hoorden, en plots voorbij werden gestoven door spelers die daarvoor nog bij de amateurs speelden. Hun identiteit stond gelijk aan hun prestaties, maar als die afnemen… wie blijft er dan over?”

Choy: „De troon wordt je afgenomen. Kinderen ervaren dat als falen en kunnen psychische problemen krijgen. Natuurlijk, we hebben te maken met topsport, maar daar moet wel verplicht adequate begeleiding tegenover staan.”

Beiden kunnen de rol van sportpsychologen niet vaak genoeg benadrukken. Choy: „Als je op jonge leeftijd psychologische vaardigheden kan aanleren, hebben ze daar later veel profijt van. Nu krijgen wij jongens tegenover ons als het al te laat is. Als ze depressief zijn, ruzie hebben gemaakt. En dan zegt de club: hij is mentaal niet sterk genoeg.”

Koning: „Ik bezocht eens een profclub. Daar zei een directeur: ‘Weet je waarom wij geen sportpsycholoog nodig hebben? Ik laat jongens met een zak zand tien keer de trap op en neer rennen en kijk gewoon wie als eerste begint te kotsen.’ Ik dacht: zegt hij dit nou echt?”

Wilt u naar aanleiding van dit verhaal reageren of ervaringen delen? Dat kan via e-mail: f.vanderpoll@nrc.nl