‘Ik was hier een vreemdeling, tot een vriend mij kwam ophalen’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week Eddy Korwa (80), die op jonge leeftijd als verstekeling op een schip van Nieuw-Guinea naar Rotterdam reisde.

Foto Dieuwertje Bravenboer
Foto Dieuwertje Bravenboer

‘Ik ben geboren op een klein eilandje bij Biak, een lang eiland dat hoorde bij het Nederlandse deel van Nieuw-Guinea. Ik ben gedoopt als Adek Aulema Korwa. De naam Eddy heb ik later zelf gekozen, die kwam ik tegen in een actiefilm.

„Mijn vader was dorpsonderwijzer. Als hij weer naar een ander eiland werd overgeplaatst, verhuisde het hele gezin mee. Ik had drie zusters en drie broers. Op school leerden we Nederlands, thuis spraken we Maleis of Biaks. Na de lagere school deed ik bouwkunde aan de lts en kwam in dienst van een dochteronderneming van Bredero. Later kreeg ik een opleiding tot kwartiermeester in de haven. Zo ben ik in de scheepvaart terechtgekomen.

„Het westelijk deel van Nieuw-Guinea bleef in Nederlandse handen tot 1962. Toen heeft Nederland ons overgedragen aan Indonesië – en in de steek gelaten. Indonesische militairen gooiden onze Nederlandse paspoorten in een vat en staken ze in brand. Ik werkte in de haven van Sorong en verzette me niet openlijk. Wel was ik betrokken bij sabotage-acties als suiker in benzinetanks gooien. Mijn neef zag dat mijn naam op de zwarte lijst stond. Drie keer probeerde ik te vluchten, maar dat mislukte.

‘Op de lagere school had ik gecorrespondeerd met een jongen uit Enschede, Leo. Zonder dat ik het wist, was Leo ingescheept als ketelbinkie op een schip dat van Rotterdam naar Nieuw-Guinea voer. Wij loodsten dat schip naar de haven en op de bemanningslijst zag ik zijn naam staan: Leo Franciscus Flake. ’s Avonds heb ik hem opgezocht. Ik zei: ik wil weg van hier, ik wil vluchten. Hij zei: oké. Hij nam me mee naar beneden en deed een klep omhoog. ‘Als je daar zit vindt niemand je.’ De volgende dag ben ik met mijn maat Tony daar ingekropen.

„Na drie dagen hadden we honger en zijn we naar boven gegaan. De kapitein wilde ons eerst in een sloep van boord zetten maar de bemanning had sympathie voor ons en dreigde te gaan muiten. De bootsman nam contact op met de rederij. Die liet de kapitein weten dat wij onder de verantwoordelijkheid vielen van H.M. de Koningin. Hij moest ons levend naar Nederland brengen.

„In Rotterdam kregen we te horen dat we niet in Nederland konden blijven omdat we geen papieren hadden en er niemand voor ons kon zorgen. Maar ik had mijn documenten meegenomen in de voering van mijn jack, en ook kon ik laten zien dat staatssecretaris Theo Bot had gezegd dat Nederland verantwoordelijk zou blijven voor het welzijn van de Papoea’s. Dat had ik zwart op wit uit de Nieuw Guinea Koerier. We kregen politiek asiel.

„Ik was een vreemdeling hier, tot een vriend mij kwam ophalen uit het jongerenpension. Hij was de man die mij in Nieuw-Guinea had leren timmeren. Met de scooter bracht hij me naar zijn huis. Zijn vrouw stond ons op te wachten, ze zei: kom binnen, hier ben je thuis. Ik mocht bij hen inwonen en kreeg contact met andere Papoea’s. Mijn vrouw Sien heb ik als klein meisje nog gekend in Nieuw-Guinea, al beweert zij van niet. We hebben vier dochters en drie zoons gekregen. Later bleek dat ik in Nieuw-Guinea, West-Papoea nu, ook nog een zoon heb. Ik had verkering daar toen ik wegging en mijn meisje was in verwachting zonder dat ik het wist. Hij heeft ook bouwkunde gedaan aan de lts.

Als ze je pesten nooit kwaad worden, je moet ze terugpakken

‘Tot mijn pensioen heb ik gewerkt bij defensie, eerst als magazijnbediende, later als chauffeur en beveiliger. Op mijn werk leerde ik: als ze je pesten nooit kwaad worden, je moet ze terugpakken. Een keer hing iemand een poster op met een Papoea met peniskoker op een brommer. Jaren later vroeg dezelfde man mij op een reünie hoe je kunt groeten in het Maleis. Ik zei: ‘tentara susu, dat is goedemorgen’. Maar het betekent eigenlijk melksoldaat, papkind. Hij zei dat tegen iedereen die binnenkwam, ook tegen een Indische kapitein. Wát zeg je, zei die. Later zei ik tegen hem: die kreeg je nog.

„West-Papoea is nog steeds militair operatiegebied. Als ik bel met familie daar gaan we soms over op Biaks omdat je telefoon kan worden afgeluisterd. Vier keer ben ik teruggeweest. Een keer was om mijn zoon Jofrey naar huis te brengen. Jofrey is geboren in IJsselstein. Maar toen hij in 2000 met mij in Biak was geweest, kwam hij terug als 100 procent Papoea. Mocht er iets met mij gebeuren, heeft hij eens gezegd, breng me naar de kampong. In 2013 stierf hij plotseling. Zijn as heb ik daar bij zijn opa begraven.

Door Jofrey heb ik mijn levensverhaal opgeschreven, in het boek De verstekeling – van Sorong naar Rotterdam. Hij zei: u bent een politiek vluchteling, u moet uw geschiedenis vertellen zodat uw kleinkinderen weten wie hun opa is.

„Ik heb nooit spijt gehad van mijn vertrek. Het spijt me wel dat ik geen afscheid heb kunnen nemen van mijn ouders. Ik heb hen nooit teruggezien. Een neef heeft me verteld dat mijn moeder van hartzeer is overleden.”