‘Les tulipes’ uit 1907: ingekleurd met de hand en met behulp van stencils. Kleur in film was aan het begin van de 20ste eeuw de norm.

Beeld Eye Filmmuseum

Hoe de chromofoben wonnen en verloren

Special zwart-wit | Historie Eerst was er zwart-wit, daarna kleur? Welnee: film begon in kleur. Daarna werd die door de techniek even zwart-wit, na de komst van het geluid.

Oude films zijn altijd zwart-wit, pas in de jaren dertig komt er kleur, met hoogtepunten in ‘glorious Technicolor’ als The Wizard of Oz en Gone with the Wind (beide 1939). Dit idee over de rol van kleur in de filmgeschiedenis leek lang tijd in beton gegoten. Maar niets is minder waar.

Toen het Nederlands Filmmuseum (voorganger van Eye Filmmuseum) in 1986 besloot de in kleur gemaakte films uit zijn archief ook daadwerkelijk in kleur te conserveren en presenteren, betekende dat niet minder dan een revolutie. Zijn films uit de beginperiode van cinema dan in kleur? Ja, dat zijn ze! Die realisatie brengt een schokgolf teweeg. Eerst in de archiefwereld, later ook onder filmhistorici en een in oudere films geïnteresseerd publiek.

Hoewel veel films uit de periode 1895-1925 in kleur zijn gemaakt, werden ze door filmarchieven geconserveerd in zwart-wit, vooral omdat het goedkoper was en nog geen kennis voorhanden hoe dit anders te doen.

Chromofobie

Maar er speelt nog iets anders. Invloedrijke cinefielen en critici – in Nederland indertijd gegroepeerd rond de Filmliga – lijden aan chromofobie, een afkeer van kleur. In hun ogen zijn films in kleur vulgair, schreeuwerig. Kleur is spektakel dat afleidt van het door hun gekoesterde ideaal van film als kunstvorm. En kunstfilms horen in zwart-wit, waarbij de werkelijkheid geabstraheerd wordt. Zwart-wit is puur, kleur is aandachttrekkerij. Dus is het geen punt om films in zwart-wit te bewaren in filmarchieven.

In de ogen van chromofoben zijn films in kleur vulgair, schreeuwerig: kleur is spektakel dat afleidt van film als kunstvorm

‘Les six soeurs Dainef’ uit 1902: ingekleurd met de hand. Beeld Eye Filmmuseum

Dit gaat echter voorbij aan de werkelijkheid. Er bestaan schattingen dat een eeuw geleden zo’n 80 tot 90 procent van de gehele filmproductie gekleurd was. Zelfs al in 1895, wanneer de Lumière-broers hun nieuwe vinding publiekelijk vertonen voor een betalend publiek – de geboorte van de cinema. Een van de korte Lumièrefilms is in kleur, evenals een film van hun Amerikaanse concurrent, Thomas Alva Edison. Edisons Serpentine Dance (1895) toont danseres Annabelle, wier wervelende jurk met de hand ingekleurd is. Dat is in de begindagen van de cinema gebruikelijk. Films zijn op diverse manieren gekleurd: met de hand of via onderdompeling in een chemisch bad dat een monochrome tint in de filmemulsie achterlaat. Kleur kan daarbij een symbolische functie hebben: rood getinte passages staan voor gevaar, paars voor passie, blauw voor nacht et cetera.

Al snel zijn er diverse technieken die achteraf – dus na de opnames – kleur toevoegen. Met de hand inkleuren vergt veel menskracht, er waren ateliers waar honderden vrouwen beeldje voor beeldje de films heel precies met kwastjes van soms maar één paardenhaar inkleuren. Als films steeds langer worden, is dit te duur: andere, geïndustrialiseerde kleurenprocedés nemen dit handwerk over. Maar kleur blijft al die tijd de norm. Eind jaren tien noteert de pers het als een film niet gekleurd is – de uitzondering op de regel.

‘Molens die juichen en weenen’, uit 1912: een combinatie van tinting en toning.
Beeld Eye Filmmuseum
‘Absinth’ (De drankduivel) uit 1913: een voorbeeld van tinting.
Beeld Eye Filmmuseum
‘Molens die juichen en weenen’, uit 1912 en ‘Absinth’ uit 1913.

Filmmaker Peter Delpeut maakte die kleurenrevolutie van nabij mee in het Nederlands Filmmuseum, eerst als researcher, later als adjunct directeur. Zijn enthousiasme over de ontdekking dat heel veel vroege films in kleur waren, leidde tot zijn fraaie film Lyrisch nitraat (1991), sinds kort te zien op de nieuwe Eye Film Player. Delpeut rekende voorgoed af met chromofobie. Bij hem is kleur een feest dat gevierd moet worden.

Maar het tijdperk van de kleur komt tot zijn eind bij de intrede van de geluidsfilm. Het optische geluidsspoor aan de zijkant van een filmstrook zorgt voor problemen. Als deze filmstrook getint is, kan de projectorlamp dat geluidsspoor niet uitlezen. De geluidsfilm dwingt tot standaardisatie: 24 beeldjes per seconde en het Academy-beeldformaat (1.33:1) worden de norm, evenals filmen op zwart-witmateriaal. Opeens is zwart-wit de standaard en kleur de uitzondering. De chromofoben hadden gewonnen. Tijdelijk.

Spektakel

Veertig jaar lang – tussen 1915 en 1955 – is Technicolor de belangrijkste kleurenleverancier in Hollywood, maar zij hebben een beperkte capaciteit. Hierdoor is kleur schaars en duur. Eén oplossing is het invoegen van kleurensequenties in een verder in zwart-wit gemaakte film. Dat gebeurt bijvoorbeeld in The Phantom of the Opera (1925). Ook de modeshow in The Women (1939) is in Technicolor.

In de jaren dertig wordt kleur vooral gebruikt voor bepaalde genres zoals musicals, kostuumdrama en avonturenfilms. Zo ontstaan er bij de kijker gaandeweg allerlei associaties, waarbij kleur geassocieerd wordt met fantasie, droom en spektakel – precies die aspecten die de Filmliga vulgair vond. Omgekeerd wordt zwart-wit geassocieerd met een bepaalde mate van authenticiteit en realisme, met dank aan oorlogsfilms, het bioscoopjournaal en de film noir.

Tot ver in de jaren vijftig is zwart-wit dominant in de filmindustrie. Dit verandert in 1953, wanneer Technicolor een concurrent krijgt als Kodak Eastmancolor op de markt brengt. Eastmancolor is goedkoper en veel minder bewerkelijk dan Technicolor. Kodaks filmmateriaal is bovendien lichtgevoeliger, wat een accuratere kleurweergave oplevert. Zwart-wit delft langzaam het onderspit.

Medio jaren zestig wordt ook televisie kleur, inclusief de journaalbulletins. De Academy of Motion Picture Arts and Sciences besluit in 1967 het onderscheid tussen beste cinematografie voor een zwart-witfilm en een kleurenfilm op te heffen. Kleur is dan definitief dé norm. Zwart-witfilms worden schaars. Rainer Werner Fassbinder zegt: „Zwart en wit zijn voor mij cinema’s prachtigste kleuren.” Maar hij is een uitzondering.

 

Voor meer over de procedés van het inkleuren van films, zie https://filmcolors.org

 

‘Les tulipes’ uit 1907: ingekleurd met de hand en met behulp van stencils.

Correctie (24 maart 2021): In een eerdere versie van dit artikel stond magnetische geluidsspoor in plaats van optische geluidsspoor. Dat is hierboven aangepast.