Reportage

Bij de ggz-spoedpoli is voor de lunch de laatste plek al vergeven

Ggz-spoedpoli Youz Kinderen met ernstige psychiatrische problemen worden vaker afgewezen bij de hulpverlening. Er zijn te weinig behandelplekken beschikbaar. „De wachtlijsten worden steeds langer.”

Illustratie Sharon Coone

‘U spreekt met de spoedpoli”, zegt Ferry van der Starre, sociaal psychiatrisch verpleegkundige en de „voordeur” van jeugd-ggz-spoedpoli Youz in Capelle aan den IJssel. Hij beantwoordt de telefoon waarop huisartsen, wijkteams of de crisisdienst inbellen als ze zich zorgen maken over een kind met psychische problemen. Ze vertellen hem dat ze hulp zoeken voor een kind dat het leven niet meer ziet zitten, psychotisch is, overgenomen door angsten, zichzelf beschadigt, er een einde aan wil maken. Elke week heeft Van der Starre zeven behandelplekken te vergeven.

„Ik triageer als het ware”, vertelt hij vanachter zijn bureau vol aantekeningenboeken. „Je moet op veel dingen letten tegenwoordig.” Gaat het wel om een psychiatrisch probleem? „Opvoedproblemen verwijs ik door.” Heeft het kind echt binnen een tot vijf dagen – „werkdagen” – psychische hulp nodig of kan het nog wachten?

„Soms is het heel duidelijk”, zegt hij. Laatst bijvoorbeeld, toen was er een kind met stemmen in zijn hoofd die hem vertelden dat hij van het balkon moest springen. En dan is er nog het lijstje dat Ferry van der Starre in zijn hoofd moet afvinken om te weten of het kind, hoe ziek ook, wel aan de criteria voldoet. Is het onder de achttien jaar? Woonplaats? Die moet „wel binnen de regio vallen. Als een kind op een postcode buiten regio Rijnmond woont, krijgen wij problemen met de financiering.” En dat, zegt Van der Starre, „zegt veel over hoe zorg tegenwoordig geregeld is”.

Maar dat Ferry van der Starre de laatste maanden vaker ‘nee’ moet verkopen heeft met alle strenge criteria en verplichte vinkjes niets te maken.

‘Alles is vol’

„Zo”, zegt Van der Starre – rode leesbril halverwege zijn neus, marineblauwe pullover aan, Haagse tongval – op een dinsdagochtend om kwart over elf als hij de telefoon neerlegt, „nu hebben we ons kruit voor vandaag verschoten”. De laatste plek is vergeven aan de huisarts die belde over een kind dat niet veel praat, maar wel zegt dat hij dood wil. „Vanaf nu moet ik iedereen afwijzen. En ik heb nog een belafspraak staan met een praktijkondersteuner van de huisarts, die zich zorgen maakt over vier kinderen met eetstoornissen.”

Wat is zijn verhaal als hij een kind moet afwijzen omdat er geen plek meer is? „Van mijn management moet ik zeggen dat er andere zorgaanbieders zijn waar ze het kunnen proberen. Maar andere plekken zitten ook vaak vol. Alles zit vol.”

Bij Youz, een grote ggz-aanbieder waar jaarlijks dertigduizend jongeren worden behandeld, merken ze al jaren wat de laatste maanden ook weer in onderzoeken duidelijk wordt: voor kinderen met ernstige psychiatrische problemen zijn veel te weinig behandelplekken beschikbaar. Komt het door de pandemie? Dat is een factor. Jongeren met wie het daarvoor al niet goed ging, raken vaker in crisis en de vraag naar acute hulp neemt toe. Maar dat is vooral de druppel. „Het heeft hier, net als op veel andere plekken, de problemen die er al waren duidelijker gemaakt”, zegt Van der Starre.

Branchevereniging de Nederlandse ggz trok al vaak aan de bel, net als de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en patiëntenvereniging MIND. Zij zeggen keer op keer: het gaat zo niet langer. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd concludeerde vorige week dat jongeren met grote problemen niet goed geholpen worden. „De wachtlijsten worden steeds langer.”

Met drie verdiepingen is spoedpoli Youz in Capelle aan den IJssel een van de hoogste gebouwen in een wijk vol rijtjeshuizen. Kinder- en jeugdpsychiater Pety So houdt kantoor in het kleinste kamertje, achter in de gang. „We maken hier een kortetermijnplan”, zegt ze. Psychologen en psychiaters onderzoeken wat er met jongeren aan de hand is. Hun patiënten worden, in tegenstelling tot wat ze vaak denken, niet opgenomen. „Kinderen behandel je thuis”, zegt Pety So, „dan kun je de structuren van het gezin ook meenemen.”

Wordt er te veel van een kind gevraagd? Liggen ouders in vechtscheiding? Is er een trauma? Autisme, verminderde intelligentie, ADHD? Wat moet er gebeuren om het beter te laten gaan? Moeten hulpverleners thuis langs?

De telefoon van Ferry van der Starre rinkelt. Het is de praktijkondersteuner met de vier kinderen met eetstoornissen. Waar kan ze met de kinderen aankloppen?

Illustratie Sharon Coone

„Ik snap je vraag”, zegt Van der Starre. „De spoedpoli heeft niet de deskundigheid voor eetproblematiek in huis, er zijn specialistische zorgpaden voor. Ik moet zeggen: die zitten overal helemaal vol.” Misschien kan ze het buiten de regio proberen?

„Als je de zorgorganisaties belt, krijg je alleen maar receptionistes”, zegt de praktijkondersteuner.

„Doorzettingsvermogen levert ook bij moeilijke gevallen soms iets op.”

In december, toen de scholen vanwege de coronamaatregelen weer dicht gingen, ging de telefoon van Van der Starre „de hele dag door”. Tien kinderen per week moest hij afwijzen, dat had hij nog nooit meegemaakt. „Het was een hele nare tijd”, zegt hij. „Huisartsen pissed, natuurlijk. Ze moeten eindeloos leuren met een kind. En dan ga ik ze ook nog vragen stellen. Midden in een pandemie.”

Hoe hij zijn werk volhoudt? Niet per se een logische vraag, vindt Van der Starre. Hij kan kinderen helpen als ze het niet meer zien zitten. „Het is dankbaar werk.” Hij ziet, naast zijn telefoonwerk, ook zelf nog patiënten. „Jongeren die de controle kwijt zijn. Wij geven ze houvast en perspectief.” Naderhand krijgt hij veel bedankjes. „Ze zeggen: ik heb heel veel geleerd en het was altijd gezellig!” In een „fabriek voor lepels” werken zou hij pas zwaar vinden.

Naar de gemeenten

De problemen rondom zware psychische zorg begonnen in 2015, toen de jeugdzorg werd overgeheveld van de rijksoverheid naar de gemeenten en er tegelijkertijd bezuinigd moest worden. Natuurlijk, het systeem was ook daarvoor verre van perfect. De decentralisatie moest de zorg toegankelijker en laagdrempelig maken. Er zou breed gekeken worden: huisvesting, school, gezin. Wie dichtbij staat, kan sneller ingrijpen. „Een idee waar niemand tegen kan zijn”, zegt Pety So.

Maar jongeren zijn nu „erg lang onderweg”, zegt ze. „Er wordt van alles geprobeerd voor zwaardere zorg wordt ingezet. Eerst kijken of dit helpt, of dit.” Eer ze in de ggz-belanden, „zijn ze vaak veel verder van huis”. Ze probeerde het eens uit te leggen aan een vriend, een cardioloog. Hij zei: „Alsof je een bypass nodig hebt, maar je eerst een dieetje moet proberen.”

Meer zorginstellingen zijn zich op de lichtere geestelijke gezondheidszorg gaan richten. Angstklachten, slaapproblemen, paniekstoornissen. De lucratieve klachten: er is financiële winst mee te behalen. Dat komt doordat ggz-instellingen met gemeentes een gemiddelde prijs voor een behandeling hebben afgesproken en behandelresultaten van zware psychische klachten onzekerder zijn.

„De marktwerking van de zorg”, verzucht Ferry van der Starre. Bijna alle zware gevallen komen nu bij grote instellingen als Youz terecht, plekken die alles in huis hebben: behandelplekken, teams die thuis langs kunnen, een opnamekliniek voor als dat nodig is. Maar door de decentralisatie is er minder geld. „Wij kunnen niet al deze jongeren opvangen.”

Lees ook deel 1 van dit drieluik: Durfinvesteerders zien brood in tieners met lichte psychische klachten, zwaardere patiënten belanden op wachtlijst

Zo begon de jeugd-ggz voor jongeren met zware psychische problemen te overstromen. Jongeren staan steeds langer op de wachtlijst. „Bij een enkel geval gaan de problemen vanzelf over”, zegt Pety So. „Veel vaker worden klachten juist ernstiger.” Jongeren stoppen met school, met sport, ze lopen een achterstand in het leven op, soms van jaren.

Pety So richtte de spoedpoli op in 2018. Dat was toen ze nog op een gewone jeugdpoli werkte en ze steeds vaker geplande afspraken moest afzeggen omdat er spoedgevallen tussendoor kwamen – iets wat ze niet gewend was. Haar plan was jongeren op de spoedpoli op te vangen en ze na zes weken, gestabiliseerd en met een behandelplan, naar andere zorgprogramma’s te laten doorstromen.

Maar die plekken zijn er helemaal niet.

De „achterdeur” klemt, zegt Ferry van der Starre, al tijden. Wachtlijsten, wachtlijsten, wachtlijsten.

Om daar iets aan te doen werd in 2020 een ‘zorgbemiddelingstafel’ bedacht, waar zorg eerlijk over alle zorgaanbieders in de regio wordt verdeeld. Van der Starre schuift er elke week aan met A4’tjes informatie over de kinderen, diagnoses, gewenste behandelplannen. Er zitten nog zo’n vijftien anderen. En dan hoort hij: sorry, wij zitten vol. Wachtlijsten. Budgetplafonds. Of: Daar hebben wij geen behandelingen voor. „Kinderen blijven soms drie maanden bij ons in zorg. Dat heeft gevolgen voor de voordeur. We kunnen maar vijftig kinderen tegelijkertijd helpen. Het is een wankel evenwicht.”

Op pad met de jeugdpsychiater: voor kwetsbare kinderen duurt het veel te lang

Als de zorg te complex is, zegt hij, „raak ik ze aan die tafel niet kwijt.” Elke zorgaanbieder schuift er aan met hetzelfde probleem, zegt hij. Er is niet genoeg geld, niet genoeg plek. „We zijn schaarste aan het verdelen.” De zorgbemiddelingstafel doet hem steeds vaker aan een internetcafé denken. „Dan gaan we maar met z’n allen op internet zitten zoeken naar andere mogelijkheden voor kinderen.”

Het is de omgekeerde wereld, zeggen de behandelaren bij Youz. Het is maar afwachten of en welke behandeling patiënten krijgen. Wie steekt zijn hand op aan de zorgbemiddelingstafel? „Vroeger”, zegt Pety So, en dan bedoelt ze vóór de decentralisatie „belde ik gewoon een collega” voor een vervolgbehandeling. Iemand die je kende en van wie je wist dat het goed zou komen. „Ik vind het steeds moeilijker om kinderen los te laten. Krijgen ze wel de juiste hulp?”

Gezin in tranen

Wat ze zich niet kon voorstellen toen ze de spoedpoli begon: dat de zorg voor één kind soms over vier verschillende zorginstellingen moet worden verdeeld. De ene partij doet diagnostiek, één doet ouderbegeleiding, weer een ander de coachende gesprekken, de laatste schrijft medicatie voor.

Of dat ze aan het einde van elk intakegesprek een gezin, al is het in tranen, een formulier onder de neus zou schuiven. Kun je even tekenen bij dit kruisje? Ja hier, en het kind ook. Voor de financiering. Bedankt! „Alsof je in een slechte film bent beland”, zegt ze. „Ontzettend gênant.”

En nu?

Je kunt concluderen, zegt Pety So, dat de „decentralisatie is mislukt”. Gemeenten komen jaarlijks 1,7 miljard euro tekort voor jeugdzorg, bleek eind vorig jaar uit een onderzoek in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de betrokken ministeries. De vraag naar jeugdhulp nam na de decentralisatie toe (met 16 procent) en werd per kind duurder (ook 16 procent). „Soms denk ik: wat moet er fout gaan voor er wordt ingegrepen?”

De vraag naar psychische hulp onder jongeren zal verder toenemen, schrijft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in een onderzoek dat vorige week verscheen. Het zorglandschap is versnipperd geraakt, het overzicht is kwijt. Er is een tekort aan hulp voor complexe problemen, het geld is op. Er is onvoldoende zicht op de vraag, de beschikbare hulp en naar hoe het geld wordt verdeeld. Vraag en aanbod zijn uit balans. De doorstroming stokt.

Op de spoedpoli zien ze een „vicieuze cirkel”. Van stabiliseren, nieuwe zorg zoeken, wachtlijsten, weer ontregelen, terug op de spoedpoli. Pety So: „En veel kinderen die wij hier zien, hadden al het gevoel dat ze er niet toe doen.”

Maar hoe groot de problemen zijn, is onbekend. „We moeten beginnen met de landelijke wachtlijsten in kaart brengen”, zegt Pety So. Wachtlijsten en wachttijden worden al jaren niet meer landelijk geregistreerd. „Ik denk dat je je rotschrikt.”

In december, vlak voor de kerstvakantie, werd Ferry van der Starre gebeld over een meisje met autisme. Ze stond al twee jaar op de wachtlijst voor een behandeling, maar nu „wilde ze niet meer leven”. Hij had nee moeten zeggen. Maar Van der Starre beloofde dat hij een afspraak bij de spoedpoli voor haar zou inplannen. „Ik vond het zó schaamtevol, ik voelde een grens. Ik wist niet hoe we het gingen oplossen, maar desnoods zou ik het zelf doen.”