De droomscène uit Alfreds Hitchcocks ‘Spellbound’ (1945): verdwalen in werk van Salvador Dalí, toen uiteraard in zwart-wit.

Foto ANP

Bepaalt film in welke kleuren we dromen?

Special zwart-wit | Psychologie In de jaren vijftig droomden we in zwart-wit, dachten psychologen. Nu dromen we weer in kleur. Of eigenlijk toch in zwart-wit?

In The Wizard of Oz droomt boerenmeisje Dorothy in 1939 weg uit de monochrome realiteit van Kansas naar het magische rijk Oz, in lumineus Technicolor. In diezelfde tijd dachten psychologen te weten dat het precies andersom was: onze realiteit is in kleur, we dromen in zwart-wit.

Dat bevestigden indertijd talloze onderzoeken: 70 tot 80 procent van de respondenten meldde alleen in zwart-wit te dromen. Volgens een onderzoek uit 1951 zag 29 procent soms een toefje kleur: die minderheid droomde ‘technicolored’, zo heette het toen. Opmerkelijk, want in het verleden droomde men wel in kleur, zo kon je uit Aristoteles en Epicurus opmaken. Freud maakte in 1900 in Die Traumdeutung nog in de helft van zijn geanalyseerde dromen gewag van kleur.

Het lag dus voor de hand dat de opmars van zwart-witte media – gravures en fotografie in de 19de eeuw, film en televisie in de 20ste – ons conditioneerden om monochroom te dromen. Dat bevestigde dat ons brein maakbaar was en wijd open voor suggestie: fijn voor psychologen. Maar de jarenvijftigconsensus dat we zwart-wit dromen, kantelde in de jaren zestig. Onderzocht men proefpersonen voorheen via zelfrapportage en droomdagboeken, nu werden ze in het lab uit hun remslaap gewekt om over verse dromen te rapporteren. En dan bleek 40, 69, 75 of zelfs 100 procent in kleur te dromen. Hoewel media in die tijd ook kleurrijker werden – foto en film vanaf de jaren veertig, televisie vanaf de jaren zestig – verloor de wetenschap daarna zijn interesse in de kwestie. We dromen in kleur, was de nieuwe, saaie consensus.

Het lag voor de hand dat de opmars van zwart-witte media ons conditioneerden om monochroom te dromen

De publieke opinie volgde met ruime vertraging. Volgens ouderwetse zelfrapportagen droomde in de jaren negentig nog ruwweg de helft exclusief in zwart-wit, bij een onderzoek van Eric Schwitzgebel in 2001 deed niemand dat meer, al droomde 27 procent soms nog in zwart-wit. In een onderzoek van Eva Murzyn in Dundee leken jeugdervaringen een rol te spelen. Van 55-plussers die met een zwart-wit-tv opgroeiden, droomde een kwart soms in zwart-wit. Bij degenen die met kleuren-tv opgroeiden was dat 7,3 procent.

Maar de vraag was inmiddels of dat over onze dromen ging of over onze interpretatie daarvan. Dat de opkomst en ondergang van zwart-witte media onze dromen zo massaal, abrupt en ingrijpend veranderden, leek onderzoeker Schwitzgebel nogal absurd. Ook in de jaren vijftig ervoeren we de dagelijkse realiteit gewoon in kleur. Dus of wij droomden altijd al in zwart-wit, maar herkenden dat pas na de komst van fotografie en film als zodanig. Of wij droomden altijd al in kleur, maar gingen droom en film met elkaar associëren. In de bioscoop laten we ons immers meevoeren in een alternatieve realiteit, ‘dromen we weg’. Pas na afloop – als we wakker worden – beseffen we dat die realiteit bizar, onlogisch of theatraal was. Droom en film lijken zo op elkaar, dat we onszelf in het zwart-witte tijdperk wijs maakten ook zwart-wit te dromen.

Ook die theorie vond Schwitzgebel onbevredigend. Hij stelde dat dromen noch gekleurd, noch zwart-wit zijn, maar onbepaald. Denk aan een roman: lees je die in kleur of zwart-wit? Soms even in kleur, als de heldin in de tekst een vuurrode jurk draagt. Maar meestal onbepaald: stapt zij in een Mercedes, dan verzin je achteraf desgevraagd dat die auto blauw of grijs is, tijdens het lezen vorm je vaak geen beeld. Geen tijd, je fantasie is alweer een halve pagina verder.

Zo gaat dat misschien ook in onze dromen, die in die onbepaaldheid dan toch eerder op zwart-wit- dan kleurenfilm lijken. Immers: zwart-witfilm kent talloze tinten grijs. Of een grijze peper rood of groen is, mag de kijker zelf bepalen, maar in de praktijk neemt het brein onder het kijken van een zwart-witfilm zelden de moeite zo’n grijze peper in rood of groen te decoderen als het voor het verhaal irrelevant is. Dat is nutteloos gebruik van rekencapaciteit.

Dromen wij dus in kleur of zwart-wit? Die vraag komt voort uit een verkeerde analogie. Dromen zijn niet in kleur of zwart-wit, maar wat wij ervan maken. We zijn geen toeschouwers in de bioscoop, maar regisseurs in de montagekamer.