Een reprise van het Fortuyn-jaar, een liberale zege en een fragiele formatie

Deze week: de uitslag van 17 maart. Ofwel: winst voor Rutte en Kaag, gelijkenissen met het jaar van Fortuyn, grote vragen voor links, de rol van Dijkhoff, loeren in het CDA, verzwakte tegenmacht, een afwachtende formatiestart.

Donderdag hing de zwier van overwinning en vernieuwing in de gangen van het Kamergebouw. Debutanten met aanstekelijke ambitie. Met honger naar verandering.

En nog onbedorven door Haagse wetmatigheden als fractiediscipline en proceduremacht.

’s Middags, 14.00 uur, trapte Kamervoorzitter Khadija Arib (PvdA) de kabinetsformatie af, in de rooksalon naast de oude vergaderzaal.

Partijen die op basis van de voorlopige uitslag een of meer zetels behaalden, mochten hun lijsttrekker afvaardigen. Het waren er zeventien (zeventien).

En wat de meesten niet wisten: binnen VVD en D66 was die ochtend al bekend dat de lijsttrekkers kregen voorgelegd of Annemarie Jorritsma (VVD) en Kajsa Ollongren (D66) verkenner in deze formatie werden.

Een alternatief ontbrak, dus het antwoord was 's middags bevestigend, en wat meer was: een aanwezige telde dat maar zes van de zeventien lijsttrekkers eerder bij de start van een formatie betrokken waren.

Anders gezegd: in deze cruciale periode van ondoorzichtige regeringsvorming heeft Mark Rutte vooral te maken met fractievoorzitters zonder formatie-ervaring.

En dat terwijl je de laatste maanden, na de Toeslagenaffaire, allerlei bedenkingen hoorde over het verloren machtsevenwicht in Den Haag. Te veel regeringsmacht, te weinig parlementaire tegenmacht.

Het is erger: in de nieuwe Kamer zitten straks acht fracties met vijf of minder leden. En elke parlementariër kan je vertellen dat je dan te zwak bezet bent voor tijdrovende controle van nieuwe wetgeving. Hoewel een voorname les van de Toeslagenaffaire was dat Kamerfracties juist nieuwe wetgeving beter moeten controleren – want dáár ging het mis.

Dus je kon, hoe paradoxaal, moeilijk zeggen dat de kiezer deze week voor versterking van de tegenmacht had gekozen.

Zo was er zoveel gelaagdheid in de uitslag. Maanden klonk uit alle stromingen kritiek op het liberalisme. „Het is tijd het liberale feest op te breken”, schreef CU-leider Gert-Jan Segers vorig najaar. Talrijke partijen – ook het CDA – zeiden iets vergelijkbaars.

Maar woensdag haalden VVD en D66 opgeteld zo’n zestig zetels. Van alle stromingen verreweg het beste resultaat.

Het gevaar van zo’n conclusie is alleen dat het andere werkelijkheden verdoezelt. Zelf viel me vooral op hoe frappant de gelijkenis met eerste Kamerverkiezingen van de eeuw was – in 2002, het Fortuyn-jaar.

Zijn nationalistisch-rechtse stroming beleefde destijds een doorbraak met 28 zetels (26 LPF; 2 Leefbaar Nederland). Woensdag haalden PVV, FVD en JA21 samen hetzelfde aantal. Wel nam de radicalisering in die wereld toe, vooral bij FVD.

Al kon je ook zeggen dat destijds, net als dit jaar, ruim tachtig procent van de kiezers niet radicaal-rechts stemde.

Maar ook het dieptepunt voor progressieve partijen in 2002 was gelijk aan dat van dit jaar. In 2002 haalden D66, PvdA, GroenLinks en SP samen 49 zetels. Woensdag: ook 49 zetels. Wel was destijds de PvdA de grootste progressieve partij met 23 zetels. Nu D66 met 23 zetels.

Dus ook hier beweging binnen de stroming: klassiek links schoof op naar het progressief-liberale midden.

Er komt bij dat CDA en VVD destijds allebei groot waren, nu alleen de VVD nog. En toen had je tien partijen in de Kamer, nu zeventien. Het neemt niet weg dat radicaal-rechtse en progressieve partijen woensdag precies hetzelfde beleefden wat in 2002 ook gebeurde: de politiek kent meer continuïteit dan het vaak lijkt.

Maar dat kon de euforie in VVD en D66 woensdag natuurlijk niet wegnemen. D66 had met Sigrid Kaag een voorvrouw die aarzelend begon, wat haar doorbraak in de campagne uitvergrootte.

Objectief behaalde de VVD het grootste succes met Ruttes vierde zege op rij. Andere partijen klaagden over zijn defensieve campagne, met de debatten tegen Wilders als dieptepunt: hoge kijkcijfers, nul relevantie.

Evengoed deed zijn partij de laatste jaren ook iets uitzonderlijks: met de partijleider in het Torentje werkte ze aan inhoudelijke herpositionering.

Het plan werd geïnitieerd door een van de bijzonderste politici van de laatste jaren: Klaas Dijkhoff. Een fikser zonder ego. Donderdag stond hij in een typerende pose voorop De Telegraaf: Rutte, de partijvoorzitter en campagneleider nippend aan een glas wijn, daarnaast Dijkhoff – met een blikje bier.

Hij begon de herpositionering toen de partijtop al wist van zijn vertrek na deze periode. Eigenbelang speelde geen rol. En hij gebruikte hét VVD-dieptepunt van de laatste jaren – de dividendbelasting – om zijn al langer sluimerende kritiek op de partij (te weinig oog voor de middenklasse, te veel voor multinationals) te agenderen.

Het creëerde de debatruimte waarin de partij taboes op zaken als een hoger minimumloon en rekeningrijden liet vallen.

Een verschuiving naar het midden die Rutte nodig had om in deze campagne te concurreren met minder klassieke concurrenten, van PvdA tot en met GroenLinks.

Het is een aanpak waar de drie klassiek-linkse partijen (PvdA, GroenLinks, SP) wel iets van kunnen leren. Om te beginnen het aspect van het eigenbelang. Toen PvdA en GroenLinks begin vorig jaar kans hadden met een optimistisch verhaal te fuseren – concurreren om de macht met klassiek-rechts – wilden de partijtoppen daar niet aan: partijleiders hadden ook oog voor de eigen kansen.

Deze week volgden alsnog bewegingen om tot versnelde fusie te komen, als beletsel tegen verder verval. Maar dit verhulde wel hun ideeënarmoede in de campagne. Terwijl daar het echte probleem zit: waar radicaal-rechts een herkenbaar tegengeluid tegen het liberalisme heeft, mankeert klassiek-links dit al jaren.

De thema’s en slogans liggen voor het oprapen. De meeste klassiek-linkse partijen zijn de meritocratie gaan omarmen – mensen beoordelen op prestaties, niet afkomst. Maar omdat ouders met genoeg inkomen de mindere prestaties van hun kinderen met betaalde bijlessen maskeren, is die linkse verdediging van de meritocratie in feite de omarming van een nieuwe aristocratie geworden. Niet echt een klassiek-links ideaal.

En over slogans: vorig jaar zomer had je een pamflettistisch pleidooi tegen individualisme en voor gemeenschapszin van de Britse economen Paul Collier en John Kay, vrij naar Gordon Gekko: Greed is dead. Hebzucht is dood.

Geen idee of het zou werken, politiek is mijn vak niet, maar dit soort begrippen heeft klassiek-links wel nodig om de concurrentie met een dominant tegengeluid voor liberalen en radicaal-rechts te worden. Anders is fuseren sowieso zinloos.

Het paradoxale was deze week ook dat het verlies van klassiek-links het onwaarschijnlijk maakte dat een of meer van deze drie partijen zich snel opwerpt als coalitiepartner. Vooral voor D66 ingewikkeld, want Kaag haalde veel kiezers bij die partijen weg met de belofte van een ‘zo progressief mogelijk kabinet’.

Praten over een snelle formatie was überhaupt onzinnig, omdat in het CDA tot eind volgende week geen helderheid komt over de voorkeurstemmen van Pieter Omtzigt en zijn eventuele rol in de fractie daarna – zodat ook die partij amper nog kon bewegen.

En het feit dat D66 vanaf woensdagavond aanstuurde op een tweede verkenner, onderstreepte dat ze in die partij beducht zijn voor herhaling van het lot van de tweede regeringspartij in drie eerdere kabinetten- Rutte: verliezen of zwaar verliezen.

Zo gaf de gelaagde uitslag van 17 maart veel partijen aanleiding tot vrees voor een fragiele formatie – zelfs winnaars.