Illustratie Gijs Kast

Hoe 50 jaar war on drugs de generatie-Taghi voortbracht

Marengozaak Maandag begint de strafzaak tegen Ridouan Taghi en zestien  medeverdachten, die worden verdacht van  zes liquidaties.  Een halve eeuw zwalkend drugsbeleid in Nederland gaf ruimte  aan een nieuwe generatie cocaïnebaronnen. Hoe kon Taghi zó groot worden?

Een eerlijk proces? Nee, vertelt Ridouan Taghi bij zijn eerste verhoor op 26 januari 2020 tegen twee rechercheurs, daar gelooft hij niet in. „Zeg tegen de rechter gewoon: geef mij levenslang, dat scheelt jullie heel veel geld.” Hij suggereert dat de „belastingcentjes” die de maatschappij zo bespaart, „lekker” aan iets anders kunnen worden uitgegeven. „Zorg, scholing, justitie en politie: iedereen heeft geld nodig.”

Taghi vertelt ook tegen zijn verhoorders dat hij na zijn arrestatie in Dubai op 19 december 2019 niet naar Nederland wilde. Hij heeft het document voor zijn uitlevering getekend met „een zak half over zijn hoofd” maar wist niet wat er in stond. „Ik heb gezegd: stuur mij maar naar Marokko”, aldus Taghi. „Daar is geen mediacircus.”

De wens van Taghi mocht niet baten. Aanstaande maandag begint de inhoudelijke behandeling van de strafzaak Marengo, precies drie jaar na de eerste tussentijdse zitting waarbij kroongetuige Nabil B. werd gepresenteerd. Taghi staat terecht als voorman van een criminele organisatie met zestien medeverdachten. Het Openbaar Ministerie (OM) ziet hem als de opdrachtgever van zes voltooide liquidaties en een serie pogingen en voorbereidingen daartoe.

Tot dusver heeft Taghi de rechtszaal vermeden en zijn advocaat Inez Weski het woord laten voeren. Zij ontkent alle beschuldigingen aan zijn adres. Maar aan het ‘mediacircus’ zal Ridouan Taghi zich niet weten te onttrekken. Hij is maandag op verzoek van de rechtbank aanwezig. Dan krijgen de rechters voor het eerst een beeld van de persoon Taghi. Hoe kleedt en gedraagt hij zich? Hoe klinkt zijn stem? En wat vindt hij van de beschuldigingen tegen hem?

Lees ook dit eerdere stuk ovan Jan Meeus over de Nederlandse drugsmaffia: De nieuwe cocaïnebaronnen van Nederland

Sinds zijn arrestatie in Dubai eind 2019 heeft Taghi zich op zijn zwijgrecht beroepen, op enkele persoonlijke ontboezemingen in zijn eerste verhoor na waaruit Het Parool onlangs citeerde. Hij is, vertelde Taghi zijn verhoorders, minder gaan roken en heeft nog nooit cocaïne of ecstacy gebruikt. Hij rookte af en toe wel een joint of dronk een glas wijn: „Ik ben geen goede moslim als het om wijn gaat.” Taghi vertelt ook dat hij als kind uit een Marokkaans migrantengezin moeite zou hebben om bij voetbal partij te kiezen tussen Marokko en Nederland.

Hoewel Taghi voor het eerst voor de rechter staat in een grote strafzaak, is zijn publieke status inmiddels soortgelijk aan die van criminele kopstukken als hasjbaron Klaas Bruinsma en Heinekenontvoerder Willem Holleeder. De Kleine uit Vianen lijkt het gezicht te worden van een generatie misdaad-ondernemers.

Dat is opmerkelijk voor een verdachte die vijf jaar geleden bij de politie nog niet echt op de radar stond. Wie is Ridouan Taghi eigenlijk? Hoe kan het dat in Nederland gewortelde criminelen zoals hij zo’n grote rol wordt toebedeeld in de internationale drugshandel?

En wat zegt zijn opkomst over de Nederlandse war on drugs? Die vraag is volgens hoogleraar veiligheidsvraagstukken Hans Boutellier cruciaal voor het debat over het Nederlandse drugsbeleid maar zal in de rechtszaal buiten beschouwing blijven. „Is de strijd tegen drugscriminelen nog wel te winnen?”

Deel I

De vergismoord

2 Januari 2017

  • 14.34 Broertje, Imo kent u die? Een jongen, werkte bij Malabata vroeger.
  • 14.41 Die kk hond geeft wat die hoort en ziet aan die Moes en Piet. Hij zei dat die Moes op een lijst staat
  • 14.45 Ok, vieze hoerenkind even invalide maken. Komt hij vaak by u?

„Broertje, Imo kent u die? Zo een jongen die werkte bij Malabata.” Met die vraag meldt Ridouan Taghi zich volgens de politie op 2 januari 2017 per pgp-telefoon bij een handlanger. Taghi wil, zo blijkt uit een serie vervolgberichten, deze Imo „even invalide maken”. Hij zou namelijk informatie lekken aan onderwereldrivalen van Taghi. „Die kanker hond geeft wat hij hoort en ziet aan die Moes.”

Met ‘Moes’ leeft Taghi dan al ruim een jaar op voet van oorlog: Mustapha F., een beroepscrimineel uit Amersfoort die net als Taghi actief is in de cocaïnesmokkel. En kennelijk wil hij nu een signaal afgeven: op het doorgeven van informatie aan Moes staat straf.

In de dagen na dit bericht wordt de jacht op Imo ingezet. „Dank u broertje”, zegt Taghi op 9 januari als hij hoort dat Imo zich waarschijnlijk bevindt in een huis op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. „Dan laat ik heads erop afgaan.” ‘Heads’ is onderwereldlingo voor schutters, mannen die Taghi aan het werk wil zetten. Het is vergeefs, Imo laat zich niet zien die dag.

9 Januari 2017

  • 9.48 Oké perfect broertje. Geeft u exact num welke telefoonzaak. Dan doen we dat. Alleen Straatweg wegkomen is kut maar moet lukken.
  • 16.24 Komt hij dagelijks daar?
  • 19.58 Top, alles staat klaar
  • 20.04 Dank u broertje, dan laat ik heads erop afgaan.

Maar een handlanger van Taghi ziet Imo in de vroege ochtend van 12 januari 2017 als hij een café aan de Moezeldreef in Utrecht verlaat op weg naar zijn huis, een flat aan de Faustdreef in de wijk Overvecht. In het portiek van dat gebouw wordt om 01.45 uur een man met een kalasjnikov beschoten. Hij overlijdt ter plekke. Al snel blijkt dat er een tragische vergissing is begaan. Het slachtoffer is niet Imo maar Hakim Illi die ook aan de Faustdreef woont. Illi is de bijnaam van Hakim die, zo blijkt uit het dossierstukken, vermoedelijk rond dezelfde tijd het café aan de Moezeldreef verliet.

Taghi trekt zich weinig aan van de vergissing, zo concludeert de politie op basis van ontsleutelde pgp-berichten: „Spotters zeiden: Het [staat] daar vol petten. Vieze kankerhoeren zoon.” Vergissing of niet, een halve dag later gaat de jacht van Taghi op Imo gewoon verder: „Broertje, check of iemand vandaag die Imo ziet en wat hij aan heeft als het kan.”

12 Januari 2017

  • 2.19 Alikoem salm broertje, alles goed
  • 2.21 Spotters zeiden het (staat) vol petten daar. Vieze kankerhoeren zoon tffoeee

De moord op Hakim Illi heeft grote gevolgen. Hij is een telg uit een grote en bekende familie in de Utrechtse onderwereld. Sommige familieleden kennen Ridouan Taghi en zijn handlangers heel goed. Eén van Taghi’s handlangers, zo blijkt, is in de dagen voor de moord gezien met een gestolen Audi die later uitgebrand is teruggevonden. Hij heet Nabil B.

Nabil en Hakim kenden elkaar uit de buurt, kwamen bij elkaar over de vloer en gingen naar elkaars bruiloften. Vanwege het verhaal over de auto gaat de familie van Hakim Illi op zoek naar Nabil. „Stress bro, ze zoeken me”, appt Nabil aan een vriend, nog geen 24 uur na de moord. „Oude buurjongens, familie van die van gisteren.” Nabil krijgt te horen dat hij iemand anders de schuld moet geven, als hij wordt gevraagd naar die auto. En de naam van Taghi mag Nabil absoluut niet noemen tegen familieleden van Hakim.

Maar wat hij ook doet, Nabil heeft een probleem: met Taghi of met de familie van Hakim. Ruim 24 uur na de moord heeft Nabil een gesprek met een oom van Hakim Illi. Hij speelt open kaart en vertelt dat de aanslag is gepleegd in opdracht van Taghi. „Ok, ik heb ze net gesproken bro. Ik heb me verhaal verteld maar die geloven me niet meteen.” Als Taghi dit te horen krijgt, reageert hij blijkens onderschepte berichten furieus: „Grote heeft hem heel goed gesproken en nu stiekem mijn naam noemen.”

14 Januari 2017

  • 19.28 Hij weet, ga iedereen van hem laten slapen als die my naam heeft genoemd.
  • 19.31 Hun zeggen dat Nabil dit tegen hun heeft gezegd.
  • 22.38 Broertje waar is Nabil? Waarom reageert hij niet?

Een kroongetuigendeal

Nabil B. ziet nog maar één uitweg: praten met de politie. Maar wegens de risico’s die dat met zich meebrengt, moet dat niet meteen bekend worden in het criminele milieu. Daarom zorgt Nabil ervoor dat hij wordt aangehouden voor verboden wapenbezit. Maar meteen na zijn arrestatie maakt hij zijn ware intenties duidelijk: hij wil een kroongetuigendeal in ruil voor alles wat hij kan vertellen over de rol van Ridouan Taghi bij conflicten in de Utrechtse onderwereld.

Amper twee weken later begint Nabil B. met het afleggen van een serie van circa veertig zogeheten kluisverklaringen. Die worden pas openbaar als zijn deal daadwerkelijk rondkomt. Zo niet, dan blijven die verklaringen in de kluis liggen naast tal van andere geheime verklaringen. Een deal komt er namelijk vaker niet dan wel, vertelde Onno de Jong vorig jaar in de NRC-podcastserie Cocaïnekoorts. Hij is een van de advocaten van Nabil B. en heeft eerder kroongetuigen bijgestaan.

Nabil B. vertelt in detail over liquidaties in het Utrechtse criminele milieu die verband houden met cocaïnehandel. Naast de moord op Hakim Illi, was Nabil ook betrokken bij twee andere moorden. In juni 2016 stond hij op de uitkijk in Overvecht toen Ranko Skekic werd vermoord, een vriend van een rivaal van Taghi uit Utrecht. En een half jaar later leverde Nabil het kenteken van de Volkswagen Polo waarin misdaadblogger Martin Kok op 8 december 2016 naar seksclub Boccacio in Laren reed. Op de parkeerplaats van het bordeel werd Kok geliquideerd, volgens Nabil B. in opdracht van Taghi.

En Nabil weet nog meer, over een grote wapenvondst in Nieuwegein in de zomer van 2015 bijvoorbeeld. Deze zaak – codenaam 26Koper – leidt tot de arrestatie van een groep verdachten uit Utrecht en omgeving. Het vermoeden is dat de groep samenwerkt met Taghi, maar het harde bewijs ontbreekt totdat Nabil B. begint te praten. Volgens de kroongetuige is deze wapenzaak de directe aanleiding voor de moord op Ronald Bakker, een medewerker van een Spyshop uit Nieuwegein. Hij werd doodgeschoten in september 2015.

Die liquidatie, zo vertelt Nabil, heeft vermoedelijk te maken met problemen met het ‘sweapen’ van auto’s. Medewerkers van de „Spy” in „Geina” werden ingehuurd om te controleren of de politie afluisterapparatuur of bakens had geplaatst waarmee auto’s op afstand konden worden gevolgd. En dat zouden ze volgens Taghi niet goed hebben uitgevoerd. „Kanker spyshop-honden hebben dubbelspel gespeeld”, appt hij op de dag van de moord. „Sweapen en zenders plaatsen voor de politie, sir. Maar boodschap is aangekomen.”

Net als Ronald Bakker is ook Ranko Skekic door de politie benaderd tijdens het onderzoek 26Koper. Sterker nog, Skekic was als getuige opgeroepen door de onderzoeksrechter. Het vermoeden van opsporingsambtenaren dat de dood van Bakker en Skekic iets met dat onderzoek te maken heeft, wordt door Nabil bevestigd. Nabil B. levert cruciale informatie over een complexe en gewelddadige vete in de Utrechtse onderwereld en de vermeende rol daarbij van Taghi. Tot de wapenvondst in Nieuwegein kent vrijwel niemand Taghi, binnen de recherche. Als zijn naam in 2015 wordt genoemd door een getuige, spellen ze zijn voornaam als Redouan. Hoe kon een man die wordt beschuldigd van een serie levensdelicten zo lang onder de radar leven?

Illustratie Gijs Kast

Deel II

Strijd tegen maffia

Ridouan Taghi is geboren op 20 december 1977, volgens zijn paspoort in Beni Selman. Volgens Taghi is dat een foutje: hij is geboren in Tetouan maar aangegeven in Beni Selman. Hij is twee als zijn ouders met hun vier kinderen naar Nederland trekken. Ze gaan in Nieuwegein wonen, een in de jaren zeventig snel gegroeide gemeente vlakbij Utrecht. Omdat er relatief weinig Marokkanen wonen, leert Taghi naar eigen zeggen Algemeen Beschaafd Nederlands spreken.

De familie Taghi verhuist in de tweede helft van de jaren tachtig naar Vianen, op nog geen half uur fietsen van Nieuwegein. In dit oude vestingstadje wonen veel meer Marokkaanse migranten. Ze werken onder andere in de betonindustrie. Taghi’s ouders krijgen in Nederland nog zes kinderen.

Als tiener werpt Taghi zich op de straathandel in hasj, die meestal verkocht wordt in stukjes van een gram, verpakt in aluminiumfolie. Ondanks de aanwezigheid van een coffeeshop in Vianen wordt er begin jaren negentig ook volop op straat gehandeld door stukjesverkopers als Taghi. De jongens hangen rond op schoolpleinen en bij het Hertenkamp, een soort kinderboerderij aan de rand van het historische centrum van Vianen.

Taghi is in die tijd een iele, kwetsbare jongen. ‘Kleine’, noemen zijn vrienden hem. Hij is volgens bronnen in het criminele milieu meerdere keren bestolen en mishandeld door oudere of sterkere jongens, maar gaat zijn belagers niet uit de weg. Volgens zijn advocaat Inez Weski is hij twee keer van school gestuurd wegens betrokkenheid bij vechtpartijen.

Motor van de onderwereld

De tiener Ridouan Taghi is in het begin van de jaren negentig een onbekend lid van een snel groeiend leger aan mensen dat zijn geld verdient aan drugshandel. De opkomst van die handel is niet los te zien van het Nederlandse gedoogbeleid dat in de jaren zeventig is geïntroduceerd. De verkoop van kleine hoeveelheden hasj aan consumenten wordt niet gelegaliseerd, maar ook niet meer strafrechtelijk vervolgd. Vandaar ‘gedogen’.

Door dit beleid ontstaat de ‘coffeeshop’, een horecagelegenheid waar hasj wordt verkocht. In vijftien jaar tijd groeit het aantal coffeeshops van minder dan tien in 1975 naar een door de politie geschat aantal van circa vijftienhonderd in 1990. De bevoorrading van deze nieuwe en snel groeiende legale markt voor hasj komt in criminele handen. De coffeeshop mag namelijk wel wiet verkopen, maar de bevoorrading blijft illegaal.

Dankzij deze paradox wordt de groothandel in hasj en wiet de motor van de Nederlandse onderwereld. In de loop van de jaren tachtig komt daar de handel in synthetische drugs bij, met name door de opkomst van de partydrug ecstacy. In 1985 stelt de politie vast dat er sprake is van een nieuw fenomeen: georganiseerde drugscriminaliteit, een bijproduct van overheidsbeleid.

Voor mannen die zich al decennia bezighielden met prostitutie, illegaal gokken, overvallen en containerdiefstal zijn drugs het nieuwe verdienmodel. Ze sluiten niet zelden een bondje met migranten uit Marokko waar al eeuwen wiet wordt geteeld voor eigen gebruik. Door de opkomende vraag naar hasj en wiet in Europa professionaliseert in Marokko de teelt voor de export – er is veel geld mee te verdienen.

De opkomst van drugsbendes stelt de politie voor nieuwe, grote problemen, naast een enorme groei van kleine veelvoorkomende criminaliteit als fietsendiefstal, autokraken en woninginbraak. Het is de Rotterdamse politiecommisaris Jan Blaauw die in 1988 de noodklok luidt over het gebrek aan menskracht: „Rotterdamse recherche kan zware misdaad niet langer aan”, aldus Blaauw in Het Vrije Volk. Elders in het land is het niet veel beter.

De recherche kampt met capaciteitsproblemen vanwege de keuze voor wijkteams die de politie dichterbij de burger moeten brengen. Met die keuze wordt de politie voor de burger zichtbaarder, maar het leidt ook tot een structurele onderbezetting van de recherche. En de capaciteit die er is gaat op aan grote onderzoeken naar kopstukken, bijvoorbeeld naar de in 1991 doodgeschoten hasjbaron Klaas Bruinsma en zijn opvolgers.

Voor de aanpak van straatdealers als Ridouan Taghi zijn in die tijd nauwelijks agenten beschikbaar. In de vijfde klas van het vwo houdt Taghi de middelbare school voor gezien. Hij groeit door tot groothandelaar in hasj. Volgens een bron in het Amsterdamse criminele milieu begint Taghi in die tijd kilo’s hasj in te kopen in Amsterdam, om die in Nieuwegein en Vianen door te verkopen.

Het verhaal wil dat in die tijd de banden tussen Taghi en een aantal jeugdvrienden uit Nieuwegein weer nauwer worden. Een aantal van hen wordt in verband gebracht met de Bad Boys. Die naam gebruiken de leden van deze volgens de politie „overlastgevende jeugdgroep” als ‘tag’, de handtekening onder gespoten graffiti. Volgens sommige bronnen op straat is ‘bad’ de afkorting van black and dangerous, en er zijn ook bronnen die het hebben over black and deadly. Sommige leden van de groep komen later in aanraking met de politie voor winkeldiefstal, straatroof en openlijke geweldpleging.

Advocaat Inez Weski vindt dat door de politie gehackte informatie niet als bewijs mag dienen: Advocaten strijden tegen informatie uit ‘cryptophones’

Ondanks een serie reorganisaties, kampen rechercheteams in de jaren negentig nog altijd met een tekort aan gekwalificeerde mensen. En de oplossing – de introductie van Interregionale Recherche Teams (IRT’s) – loopt uit op een heuse crisis in de opsporing, de zogenoemde IRT-affaire. Die leidt tot een parlementaire enquête naar de inzet van ongeoorloofde onderzoeksmethoden om de voormannen van de drugshandel in beeld te krijgen.

In het rapport over de IRT-affaire worden de opkomst van de georganiseerde misdaad en de moeizame strijd van de politie daartegen, haarfijn beschreven. Maar de conclusies leiden niet tot meer capaciteit voor de recherche, integendeel. Volgens Cyrille Fijnaut, emeritus hoogleraar strafrecht leidt het IRT-rapport vooral tot „een institutionele strijd om de macht over de opsporing”. Aan het begin van de nieuwe eeuw constateert een werkgroep onder leiding van de Amsterdamse plaatsvervangend korpschef Joop van Riessen dat „de positie van het gezag in het geding komt” doordat de recherche nog altijd kampt met onderbemensing.

Wel maakt de Nederlandse recherche naam met de Unit Synthetische Drugs, eind jaren negentig opgericht als antwoord op de snelle groei van de pillenindustrie in Nederland. Het werk van deze eenheid leidt na enkele jaren tot een daling van de export van Nederlandse ecstacy. En in Amsterdam worden onderwereldkopstukken als Willem Holleeder en Dino Soerel met succes vervolgd en veroordeeld.

Doorzetter met ambitie

Successen als deze hebben echter nauwelijks impact op de drugseconomie, die zich mede dankzij jongemannen als Ridouan Taghi steeds verder ontwikkelt. Taghi is in de zomer van 1999 getrouwd met een in Den Haag geboren vrouw met Marokkaanse roots. Ze gaan in Vianen wonen en krijgen tussen 2000 en 2006 vier kinderen. Als hij zelf hasj gaat importeren uit Marokko, krijgt de twintiger Taghi de wind in de zeilen. De ooit zo fragiele stukjesverkoper groeit uit tot een serieuze speler in de hasjsmokkel.

De vraag is hoe Taghi dat voor elkaar heeft gekregen. Volgens sommige bronnen heeft hij via een familielid toegang tot een hasj-lijn gekregen, maar er zijn ook verhalen dat hij steun heeft gekregen van een aantal oudgedienden uit de Utrechtse onderwereld, die het wel zagen zitten met hem. Want daarover zijn bronnen in de onderwereld het eens: Ridouan Taghi is een doorzetter, iemand met ambitie.

Intussen is de overheid vooral bezig met institutionele oplossingen voor het probleem van de georganiseerde misdaad. Zo wordt in 2005 de Nationale Recherche gevormd, een overkoepelend rechercheteam dat wordt aangestuurd door het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie. De geschiedenis herhaalt zich: terwijl het aantal taken toeneemt wordt niet echt geïnvesteerd in de opsporing van misdaad.

Ondanks het succes wordt de Unit Synthetische Drugs geïntegreerd in de Nationale Recherche. De specialisten gaan op in het grotere geheel en daarmee wordt hun specifieke kennis zo dun uitgesmeerd dat veel rechercheurs gedesillusioneerd afhaken.

Intussen is er alweer een nieuwe prioriteit geformuleerd zonder extra budget. In 2004 krijgt de strijd tegen de wietindustrie voorrang, wat in 2008 uitmondt in een Landelijke Taskforce Aanpak Hennepteelt. Om hier capaciteit voor vrij te maken, sneuvelt ook het gespecialiseerde rechercheteam dat onderzoek doet naar wapenhandel.

De kennis van de rechercheurs verdwijnt niet, zo belooft het kabinet Balkenende IV in 2008, maar wordt integraal onderdeel van de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Het is beleidsproza waarvan iedereen binnen de politie de gevolgen inmiddels kan voorspellen. Het onderzoeksthema vuurwapencriminaliteit is op dat moment niet sexy en krijgt zonder eigenaar geen prioriteit. Het gaat om moeilijke, internationale opsporingstrajecten tegen veelal onbekende criminelen die weinig reuring veroorzaken. Een evaluatie leert een paar jaar later dat het onderzoek naar wapens is versloft. En omdat het vuurwapeninformatiesysteem slecht wordt bijgehouden is er binnen de organisatie geen overzicht meer van de omvang van het probleem. En vervolgens wordt het enige kenniscentrum over vuurwapens – het Landelijk Platform Vuurwapens – ook maar afgeschaft.

Liquidaties krijgen steevast voorrang boven structureel onderzoek naar het drugsmilieu waarin dit geweld plaatsvindt

Opnieuw worden de waarschuwingen van Jan Blaauw en Joop van Riessen in de wind geslagen, en krijgt recherchewerk te weinig prioriteit binnen de politie.

En dát biedt de georganiseerde misdaad vrij spel. „Het Openbaar Ministerie in Den Bosch kan jaarlijks maximaal drie onderzoeken doen naar grote criminele bendes die actief zijn in de wiet”, zegt hoofdofficier van justitie in Den Bosch Gerrit van den Burg in 2009 in NRC. En dat terwijl alleen al in zijn arrondissement zeker tien grote wietbendes actief zijn. En Van den Burg – inmiddels de baas van het OM – is op dat moment óók voorzitter van de Landelijke Taskforce Aanpak Hennepteelt.

Veel verder dan het ruimen van wietplantages komt die aanpak niet. Wie achter die plantages zitten, waar zij grondstoffen kopen, hoe ze wiet exporteren, hoe hun netwerk in elkaar zit – dat wordt wegens tijdgebrek niet goed uitgezocht. Wietzaken worden weggeprioriteerd, melden politieonderzoekers zelf. In de praktijk krijgen liquidaties vrijwel altijd voorrang boven structureel onderzoek naar het drugsmilieu waarin dit geweld plaatsvindt.

De gevolgen van deze noodgedwongen keuzes zijn paradoxaal: door het geweld blijft veel drugscriminaliteit ongemoeid en daardoor neemt het geweld toe. Het is een sluipend proces met grote gevolgen, zo blijkt. Een paar jaar na de introductie van de Taskforce tegen wietteelt staat Noord-Brabant bovenaan de lijst van provincies waar de meeste onderwereldmoorden worden gepleegd. En in buurten waar „veel gelegenheid is, weinig naleving en gemankeerde handhaving”, zo signaleert het Verwey-Jonker Instituut, raakt drugscriminaliteit steeds meer verbonden met het alledaagse leven.

De Brabantse commissaris van de koning Wim van de Donk vat het probleem in de Volkskrant krachtig samen: „We hebben van doen met een ongeorganiseerde overheid tegenover georganiseerde criminaliteit.

Illustratie Gijs Kast

Deel III

Cocaïnekoorts

Terwijl de Nederlandse recherche worstelt met de aanpak van de pillenlaboratoria en wietplantages, dient een nieuwe kans zich aan voor hasjsmokkelaars in Marokko. Cocaïne. Colombiaanse kartels hebben in de nieuwe eeuw een deel van hun smokkelroutes verlegd naar West-Afrika. Van daaruit komt de in blokken van een kilo geperste cocaïne in Marokko terecht en gaat met bestaande hasj-lijnen via Spanje Europa in.

Met de smokkel van cocaïne is voor hasjsmokkelaars als Ridouan Taghi véél meer geld te verdienen. Hij laat zich in de zomer van 2009 uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie, en verhuist met zijn gezin naar de Marokkaanse stad Casablanca. Ergens in die tijd raakt hij vermoedelijk betrokken bij de smokkel van cocaïne. Zo wordt zijn naam in 2012 genoemd in Spaans politieonderzoek naar een schietpartij. Het slachtoffer, een bekende in het Spaanse drugsmilieu, wijst met de vinger naar Taghi en een oom. Bij de Spaanse guardia civil is Taghi, aldus de stukken, „bekend als een grote drugshandelaar”.

De Europese cocaïnekoorts groeit als de Verenigde Staten in 2012 stoppen met het vernietigen van coca-plantages vanwege een staakt-het-vuren tussen de Colombiaanse regering en de verzetstrijders van de Farc. Het leidt tot een overvloed aan cocaïne die de Colombianen met graagte richting Europa zien gaan, de nieuwe groeimarkt. Voor smokkelaars is het dankzij de opkomst van de smartphone en moderne cryptocommunicatie bovendien makkelijker dan ooit om contacten te leggen en te onderhouden met drugsbaronnen in Zuid-Amerika en daar het logistieke netwerk voor de smokkel te organiseren.

De opkomst van de cocaïnesmokkel leidt tot nieuw geweld. Een wilde schietpartij in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt eind 2012 komt voort uit een ruzie over cocaïne, en vormt het begin van een van de meest gewelddadige episodes uit de Nederlandse onderwereldgeschiedenis. Na Klaas Bruinsma, Willem Holleeder en al hun criminele vrienden, neemt de generatie van Taghi het heft in handen. Zij investeren het geld, de kennis en het netwerk verworven met de handel in hasj, wiet en pillen, in het witte goud. Opgegroeid in de slechte buurten van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, gebruiken ze in de beste Nederlandse handelstraditie de uitstekende infrastructuur om van het land een draaischijf voor de cocaïnehandel te maken.

Ze verblijven vaak in het buitenland, maar hebben een leger van jonge, vaak kansarme jongens gerekruteerd die in Nederland het vuile werk doen: van drugs dealen per scooter tot het plegen van liquidaties. Het antwoord op de vraag van politici hoe het toch kan dat jonge jongens zo gemakkelijk aan een kalasjnikov kunnen komen, is ongemakkelijk voor diezelfde politici. Het gespecialiseerde rechercheteam dat deze vragen had kunnen beantwoorden, is immers opgeheven vanwege andere prioriteiten.

Nieuwe opsporingsstrategie

Het ontgaat ook justitie en politie niet dat in 2014 en 2015 een opvallend groot aantal vooraanstaande figuren uit de Nederlandse onderwereld om het leven komt. Om de geweldsspiraal te doorbreken, gaan een paar gespecialiseerde recherche-eenheden strategisch onderzoek doen naar de infrastructuur die nodig is voor het voorbereiden en uitvoeren van liquidaties: communicatie, vervoer en wapens. Wie stelen de auto’s en leveren de wapens die bij liquidaties worden gebruikt? En hoe worden de moordcommando’s aangestuurd?

Het onderzoek leidt de recherche, zij het bij toeval, indirect naar Ridouan Taghi. Zijn handlangers komen in 2015 in beeld dankzij een onderzoek naar een groep dieven die het soort snelle auto’s steelt dat vaak gebruikt wordt bij geweldsmisdrijven.

De groep is bezig met het voorbereiden van liquidaties. Zo blijkt tijdens het onderzoek dat ze niet alleen gestolen auto’s hebben, maar ook de gangen natrekken van een aantal rivalen van Taghi, en beschikken over een voorraad wapens waarmee ook wordt geoefend. De groep wordt opgepakt voordat ze kan toeslaan, en de recherche vindt dan ook een grote hoeveelheid wapens in Nieuwegein.

De zaak 26Koper gaat de boeken in als een succes omdat Taghi’s handlangers door het gerechtshof in Amsterdam worden veroordeeld voor het voorbereiden van liquidaties. Maar de omvang van de Nederlandse onderwereld is inmiddels zo groot, dat het geweld niet ophoudt met de ontmanteling van één „uitzendbureau voor de onderwereld”, zoals de groep door het OM werd getypeerd. Ridouan Taghi, zo valt af te leiden uit de woorden van Nabil B., schakelt in het najaar van 2015 moeiteloos over naar andere handlangers – zo valt af te leiden uit onderschept berichtenverkeer. Die handlangers zijn volgens justitie en politie bereid om tegen betaling te moorden. Een van hen is Nabil B.

Deel IV

Pretty Good Privacy

„Kijk, achteraf is het natuurlijk heel heftig”, vertelt kroongetuige in spe Nabil B. in maart 2017 aan zijn ondervragers over de moord op Ranko Skekic nog geen jaar eerder. „Maar ja goed, in de onderwereld is geen berouw.”

Nabil B. beschrijft de vele intriges in de Utrechtse onderwereld. Hoe kopstukken op het ene moment met elkaar samenwerken bij de smokkel van hasj en cocaïne en elkaar het volgende moment naar het leven staan. Het is een opportunistische wereld waarin allianties voortdurend wisselen en informatie over veranderde belangen soms letterlijk van levensbelang is.

Lees ook een profiel over kroongetuige Nabil B: Nabil B. - van gesjeesde student tot belangrijke troef van het OM

De dan dertigjarige Nabil beschrijft ook zijn eigen werdegang in dat milieu. Hoe hij als het zwarte schaap van een succesvolle Marokkaanse migrantenfamilie stopte met zijn studie architectuur en koos voor een ander leven. Dat hij daarna veel geld verdiende met de teelt van wiet maar door pech met een grote schuld bleef zitten en dat gat vulde door in de cocaïnehandel te stappen.

Het is een keuze geweest waarvan Nabil B. de gevolgen niet overzag. „Met softdrugs heb je softe problemen, met harddrugs heb je harde problemen”, vertelt hij. „De klappen van softdrugs zijn toch anders dan de klappen van harddrugs. In plaats van tien stappen vooruit ga je er soms vijftien achteruit.”

Hij legt de rechercheurs ook uit hoe hij Taghi in 2010 heeft leren kennen en via zijn cocaïnehandel uiteindelijk betrokken is geraakt bij het plegen van liquidaties. „Ik was ergens in de buurt van Eindhoven waar ik een bericht te zien kreeg dat die Joego dood moest”, aldus Nabil B. over de moord op Skekic.

Taghi zelf ziet Nabil B. vanaf 2015 niet meer, hij is na de invallen in de 26Koperzaak reizend op een vals paspoort naar het buitenland vertrokken. Nabil staat niet in rechtstreeks contact met Taghi, maar krijgt wel vaak berichten van hem te lezen die via via zijn doorgestuurd. Dat gaat allemaal met PGP-telefoons, speciale toestellen waarmee vertrouwelijke berichten worden versleuteld zodat de politie ze niet kan lezen. De recherche heeft Nabil gevraagd hoe hij wist dat een bericht afkomstig was van Taghi. Volgens Nabil schreef Taghi heel specifiek en gebruikte het woord ‘sir’ vaak. En de lange ‘ij’ wisselde Taghi structureel in voor de ‘y’. Hij schreef bijvoorbeeld ‘bij’ als ‘by’. „Taghi was ook heel licht ontvlambaar”, aldus Nabil B. tegen zijn ondervragers. „En daardoor merkte je dat als er iemand schold, dat Ridouan Taghi was.”

Met softdrugs heb je softe problemen, met harddrugs heb je harde problemen

Nabil B, kroongetuige

Deze verklaring van Nabil B. past wonderwel bij de resultaten van een groot onderzoek naar het gebruik van crypto-telefoons in de onderwereld. Het meest populair zijn toestellen van Ennetcom en PGP Safe. De inbeslagname van de servers van deze twee bedrijven – door het OM bestempeld als telecomleveranciers voor de onderwereld – is de grote doorbraak in het onderzoek naar Ridouan Taghi en zijn handlangers.

De getuigenissen van Nabil B., in combinatie met de inhoud van miljoenen ontsleutelde PGP-berichten, is in de zomer van 2017 genoeg voor de start van een nieuw strafrechtelijke onderzoek: 26Marengo. De kroongetuigendeal met Nabil wordt op vrijdag 23 maart 2018 gepresenteerd tijdens de eerste openbare tussentijdse zitting in de Marengozaak. „Het is tijd dat de geweldsspiraal doorbroken wordt”, aldus de officier van justitie. Zonder kroongetuigen zoals Nabil B. lukt het volgens justitie niet om een eind te maken aan „de negatieve spiraal van excessief geweld”, uitgevoerd in opdracht van criminelen die zich „onaantastbaar wanen”.

Nabil B. geeft met zijn verklaringen „een ontluisterend beeld van de wrede manier waarop moord-opdrachten worden uitgezet”, aldus de officier. „Niet doen wat je gezegd wordt, of zelfs maar het vermoeden dat je zou kunnen gaan praten met de politie, is voldoende om direct een opdracht te geven om je te laten liquideren. Als je een risico kan zijn, word je direct uit de weg geruimd. ‘Eigen kamp’ of niet. Het doet er niet toe.”

Een week later blijkt dat het Openbaar Ministerie de genadeloosheid waarmee de georganiseerde misdaad in Nederland opereert, nog heeft onderschat.

Deel V

Ongekende escalatie

Het is iets voor negen als een reclamemaker Reduan, op donderdagochtend 29 maart 2018 in de receptie van zijn bedrijf in Amsterdam-Noord voor zichzelf een kop koffie inschenkt en de trap neemt naar de eerste verdieping. Reduan is directeur van reclamebedrijf Knibbe Lettering en heeft een afspraak voor een sollicitatiegesprek. Als hij bijna boven is, begint een man achter hem te schieten. Hij wordt vijf keer geraakt en valt zwaargewond bovenaan de trap op de grond. De schutter vuurt van dichtbij een zesde en laatste kogel af voordat hij vlucht naar de zwarte Seat waarin hij al zat te wachten toen Reduan naar binnen ging. De schutter had de afspraak voor de sollicitatie gemaakt.

Die donderdagochtend wordt bekend dat Reduan – een gescheiden vader van twee jonge kinderen die niets met de georganiseerde misdaad te maken heeft – de broer is van kroongetuige Nabil B. De moord op Reduan is moeilijk anders op te vatten dan als een signaal aan iedereen in de onderwereld: op praten met de politie staat de doodstraf, is het niet voor jou dan wel voor iemand die je lief is.

Nooit was in Nederland familie van een kroongetuige vermoord, waarom zou dat nu wel gebeuren?

Schutter Shurandy S., een 39-jarige man uit Hilversum, wordt twee dagen later opgepakt. Hij legt een volledige bekentenis af, waaruit blijkt dat hij al in het najaar van 2017 is geworven voor zijn dodelijk werk. Wie de opdracht heeft verstrekt, wil Shurandy niet zeggen, maar voor justitie en politie lijdt het geen twijfel: dat moet Ridouan Taghi zijn geweest, de man die na de vergismoord op Hakim Illi in januari 2017 over Nabil B. appte: „Hy weet, iedereen van hem gaat slapen als die mijn naam heeft genoemd.”

Smeekbede van Nabil B.

Ondanks dat gevonden PGP-bericht, dat aan Taghi wordt toegeschreven, hield niemand binnen de opsporing rekening met dit scenario. Nooit is in Nederland een familielid van een kroongetuige vermoord, waarom zou dat nu wel gebeuren? Vanwege die redenering is een smeekbede van Nabil B. genegeerd om zijn kroongetuigendeal pas bekend te maken nadat Ridouan Taghi is aangehouden. „Er gaan lijken vallen”, heeft Nabil naar eigen zeggen tegen het Openbaar Ministerie gezegd.

Maar naar Nabil B. wordt nu niet geluisterd. Justitie laat het opsporingsbelang prevaleren boven de veiligheid van Nabil B. en zijn familie. Eind 2017 is bij toeval een van de handlangers van Taghi aangehouden na een mislukte moordaanslag. Omdat het OM belastende verklaringen van Nabil B. over deze verdachte nu wil gebruiken, moet de kroongetuigendeal worden geopenbaard.

Ook de familie van Nabil heeft vaak en intensief met het OM gesproken over de risico’s die zij liepen. Zij zijn gewone burgers met een eigen leven, dat door een deal van de overheid met hun criminele broer ongevraagd op zijn kop wordt gezet. Maar op de dag dat Reduan wordt vermoord, is adequate beveiliging niet geregeld.

Anderhalf jaar later, op 18 september 2019, wordt een van de advocaten van Nabil B. vermoord. Derk Wiersum wordt vlakbij zijn huis doodgeschoten als hij op weg naar een zitting in zijn auto wil stappen. Werd er na de dood van Reduan gesproken over een laffe moord, nu spreekt de minister van Justitie van een aanslag op de rechtsstaat. Bij de strafzaak betrokken advocaten, rechters en officieren van justitie worden die dag allerijl in veiligheid gebracht. Waar na de moord op Reduan lang wordt gesproken over de beveiliging van de familie van de kroongetuige, wordt nu snel gehandeld. Het is een pijnlijke constatering voor de familie van Nabil B. Een broer van Nabil vertelt later in de Volkskrant dat hij en zijn familie nog altijd worstelen met hun beveiliging. Hij vindt dat zijn leven en dat van zijn familie is „opgeofferd” aan de belangen van het OM en wil persoonsbeveiliging. In een reactie op dat interview rekent het OM voor dat het niet mogelijk is om persoonbeveiliging te regelen voor alle leden van de familie van Nabil B. „Een persoon beveiligen kost 35 man van de politie per week. Doe je dat voor 30 familieleden, dan heb je minimaal 1.200 man extra politie nodig”, aldus het OM in de Volkskrant.

Hoewel Ridouan Taghi niet is aangeklaagd voor de moorden op de broer en de advocaat van de kroongetuige, bevestigen betrokkenen dat de impact op de strafzaak Marengo groot is. Door deze twee moorden zijn alle betrokkenen bij de rechtszaak heel hard geconfronteerd met de straatmores van de onderwereld. Sommigen krijgen nog steeds persoonsbeveiliging.

Daarmee is de strafzaak ook een test geworden voor het instrument ‘kroongetuige’. Is het na het leed voor Nabil B. en zijn familie nog mogelijk om neutraal en onbevangen naar zijn persoon te kijken en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen zakelijk te beoordelen?

Deel VI

Hoe de cocaïne verdween

„Ik beroep mij op mijn zwijgrecht”, zegt Nabil B. op 4 februari 2020 als een advocaat hem bevraagt tijdens een getuigenverhoor over drugshandel. Het gaat onder andere over plannen voor een zending van 2.500 kilo cocaïne vanuit Panama, maar namen om dat verhaal te verifiëren wil hij niet geven. Hij wil alleen nog maar praten over liquidaties, en niet de drugshandel waarbij hij betrokken is geweest.

Dat leidt tot een clash tussen de kroongetuige en de advocaten van de verdachten. In zijn kluisverklaringen in 2017 is Nabil namelijk wél ingegaan op de drugssmokkel. En om de betrouwbaarheid van zijn oorspronkelijke verklaringen te kunnen controleren, moet hij kunnen worden bevraagd over alle relevante details in die verklaringen.

De kroongetuige krijgt echter bijval van de officieren van justitie. Ze vinden dat de deal die Nabil B. heeft gesloten, inderdaad gaat over liquidaties en niet over cocaïnemokkel. In de juridische discussie die volgt, vinden de advocaten van de verdachten de rechtbank aan hun zijde. In de tenlastelegging, zo is de redenering, staat dat vrijwel alle verdachten lid zijn geweest van de criminele organisatie van Taghi die zich, naast liquidaties, bezighield met drugshandel.

Omdat de rechtbank deze redenering volgt, gooit het OM het over een andere boeg. In augustus 2020 schrapt het OM de handel in verdovende middelen uit de tenlastelegging van alle verdachten. Vanaf nu draait de strafzaak Marengo alleen nog om moord en strafbare gedragingen die daarbij horen, zoals autodiefstal en wapenbezit. Daarmee is volgens het OM de juridische grond voor allerlei vragen over de cocaïnehandel van de kroongetuige vervallen.

Drugs en moraal

Maar de moorden waar Taghi en zijn medeverdachten van worden beschuldigd, hadden plaats in de context van cocaïnehandel. Criminologen vinden de vraag gerechtvaardigd of je dat drugsmilieu in een strafzaak als Marengo niet moet schetsen. Zakelijke belangen, persoonlijk verraad en criminele intriges rond cocaïnehandel zijn immer vaak de aanleiding voor onderwereldgeweld.

Dat blijkt ook uit de verklaringen van Nabil B. Hij ziet zijn medewerking aan liquidaties als een logisch vervolg op de drugshandel voor Taghi: „een vriendendienst” waarvoor hij niet betaald werd. „Ik kreeg later misschien een paar blokken coke toegeschoven die ik mocht doorverkopen.” Werkt dat inderdaad zo? Zijn dit de mores in buurten waar jongens worstelen met hun lage positie op de sociaal-economische ladder en een gebrek aan perspectief?

„Geld en status zijn voor sommige jongeren onder dit soort omstandigheden een belangrijke drijfveer”, zegt criminoloog Marijke Drogt, docent toegepaste psychologie aan de Hogeschool van Leiden. Ze werkt tevens met ex-gedetineerden. „Zeker als er in de ogen van de jongeren weinig perspectief is op dat grote succes. Dan leiden straatmores over succes, masculiniteit en loyaliteit sneller tot een keuze voor criminaliteit.” Maar het is en blijft een keuze, stelt Drogt, „Iemand als Taghi is voor jongens een voorbeeld, niet vanwege het geweld maar vanwege zijn financiële onafhankelijkheid.” Die droom over succes en status leidt in de praktijk volgens Drogt meestal niet tot weloverwogen keuzes. „Kenmerkend voor veel criminelen is het impulsieve kortetermijndenken.

Ik kreeg later misschien een paar blokken coke toegeschoven die ik mocht doorverkopen

Nabil B, kroongetuige

De optelsom van dit soort individuele ambitie ziet hoogleraar veiligheidsvraagstukken Hans Boutellier terug in de wijken waar ze opgroeien. „Criminele activiteiten rond drugs zijn verbonden geraakt met het alledaagse leven”, schrijft Boutellier in het rapport Weerbare wijken tegen ondermijning. „Medewerking aan drugscriminelen wordt niet als heel verwerpelijk gezien.” Dat past volgens Boutellier bij het gegeven dat drugsgebruik in veel delen van de maatschappij normaal is geworden. „De gelegenheid om illegaal bij te verdienen”, volgens Boutellier een klassieke verklarende factor voor crimineel gedrag, „wordt ‘gewoon’ benut, zonder al te veel scrupules.” Uit het strafdossier van Taghi blijkt dat hij direct of indirect tientallen mensen van werk en/of inkomsten voorzag. Sommige mensen in zijn netwerk kregen maandelijks een vast bedrag. Los van de geldelijke afhankelijkheid die zo kan ontstaan, laat het dossier van Taghi zien dat de financiële impact veel verder reikt dan tot zijn handlangers.

Zo vertelt Nabil B. hoe hij, op zoek naar een schuilplaats voor schutters na een te plannen liquidatie, terechtkomt bij een echtpaar met een jong kind in de Utrechtse wijk Overvecht. Hij biedt ze een weekje vakantie in Turkije aan als ze hun appartement ter beschikking stellen voor, zo laat hij doorschemeren, een drugsdeal. Het stel stemt toe, zonder kennis over de echte agenda van Nabil en zijn opdrachtgever.

Uiteindelijk is het appartement van het stel niet gebruikt, maar het voorval laat zien dat een paar onschuldige mensen door de opvattingen rond drugshandel in Nederland in een heel lelijk parket terecht hadden kunnen komen. In wezen is het verhaal van Nabil B. en een aantal andere verdachten in Marengo niet anders: hun keuze voor de cocaïnehandel leidt tot betrokkenheid bij nog zwaardere criminaliteit.

Dat soort details bespreken is volgens Marijke Drogt heel relevant. „Wat mij door mijn werk met ex-gedetineerden opvalt, is die beperkte rationaliteit in het denken van velen: de focus op het nu, het overschatten van het eigen kunnen en het neutraliseren van kwaad. Simpel gezegd willen ze de ‘bling’ zonder al die narigheid. De vraag of dat wel realistisch is, wordt zelden gesteld.”

Morele betekenis van misdaad

Uit het werk van Hans Boutellier kan worden afgeleid dat de maatschappelijke betekenis van hetgeen wat in strafzaken allemaal wel of niet wordt besproken, heel relevant is. Zijn boek Solidariteit en slachtofferschap (1993) is een standaardwerk over de morele betekenis van criminaliteit in onze cultuur.

Criminaliteit dwingt ons tot normering van gedrag. In het geval van moord en doodslag waarvan Taghi nu wordt beschuldigd, is dat evident vanwege het fatale lot van slachtoffers: het is moreel laakbaar. Maar als het om drugshandel gaat is dat veel ingewikkelder. Drugshandel maakt immers niet per se slachtoffers. Tenzij er een douanier of een transportbedrijf onder bedreiging wordt gedwongen om mee te helpen, maar dat is lang niet altijd het geval. En wat te denken als douanier en transporteur vrijwillig meewerken omdat ze er een centje aan verdienen?

Boutellier wijst op het feit dat dit soort strafbare feiten niet snel leiden tot grote morele ophef. „Nederland kent een lange geschiedenis van morele ambiguïteit rond drugs”, zegt hij. „Ons gedoogbeleid heeft niet geleid tot heldere normen. Hasj roken mag wel, maar hasj smokkelen niet. Leg dat maar eens uit.”

Dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop in Nederland wordt gedacht over cocaïnesmokkel of pillenproductie. Hier wint de koopman het meestal van de dominee. Nederland is economisch aantrekkelijk vanwege de grote havens en de effectieve logistieke afhandeling van de vracht die daar wordt binnengebracht. Heel streng controleren op drugs brengt die efficiency in gevaar en dat doen we dus niet. Het is precies de reden waarom ons land een draaischijf is geworden voor de georganiseerde misdaad.

De manier waarop grote strafzaken als Marengo juridisch vorm krijgen, helpt zo bezien niet bij het scherp krijgen van onze moraal over drugs. Door de associatie met bruut geweld verworden ‘iconische’ onderwereldfiguren als Holleeder of Taghi tot de personificatie van het kwaad. „Dat is logisch”, aldus Boutellier. Maar kun je iemand als Taghi wel los zien van ons drugsbeleid en de losse moraal over drugsgebruik? Kun je zijn persoon los zien van het gedrag van mensen die graag financieel profiteren van drugshandel als het uitkomt?

Is het gezien deze functie van het strafrecht, anders gezegd, wel verstandig om cocaïnehandel te schrappen uit de tenlastelegging van de verdachten? Boutellier denkt van niet. Hij vindt ook dat Ridouan Taghi met zijn uitspraak over zijn strafzaak als „een mediacircus” wel een punt heeft. Door hem en zijn handelen centraal te stellen wordt een andere, veel complexere discussie vermeden. „Je ziet hier dat er in Nederland weerstand is om de drugsproblematiek in al zijn facetten aan de orde te stellen”, aldus Boutellier. „Dat helpt niet om onze moraal en normen hierover aan te scherpen. Daarom is het tijd voor een breed maatschappelijk debat over drugsbeleid.”

Illustraties Gijs Kast.