Recensie

Recensie Boeken

Een eenkamerappartement vlakbij het Gare du Nord

Aysegül Savas Haar knappe debuutroman over een vrouw in Parijs, Londen en Istanbul wordt gedragen door de betoverende toon van de vertelster. Alles heeft de structuur van een droom.
Uitzicht op de grote Süleymaniye-moskee in de Turkse metropool Istanbul.
Uitzicht op de grote Süleymaniye-moskee in de Turkse metropool Istanbul. Foto Anton Petrus

Verhalen zijn onhandelbare dingen, schrijft Aysegül Savas al op de tweede bladzijde van haar debuutroman Lopen op het plafond. Dat illustreert ze ook. Ze worstelt met de verhaallijnen, springt in de tijd heen en weer, geeft haar aandacht nu weer eens aan deze hoofdpersoon dan weer aan die andere. Wat haar verhaal draagt is de toon van de vertelster. Die betovert je van begin tot eind.

Ze herinnert zich haar leven in Parijs, in Londen en in Istanbul. Ze denkt aan haar vriendschap met een oude Britse schrijver, M., aan haar vader, een dichter die stierf toen ze nog jong was; aan haar moeder met wie ze een haat-liefdeverhouding had. Wat ze zich herinnert, zegt ze, heeft ‘de structuur van een droom, een verzinsel, een vreemde en gewichtloze, zwevende kwaliteit, als bij lopen op het plafond.’

Dat lopen op het plafond deed ze als meisje door in een spiegel te kijken die ze zo vasthield dat ze er het plafond in zag. Ze ontdekte een witte stad, waarin ze voorzichtig langs de kroonluchter kon lopen. Ze trok zich daar terug ‘wanneer Istanbul zwaar en somber tegen de muren van ons appartement drukte’.

Het debuut van Aysegül Savas, die in Parijs woont, in het Engels schrijft en ook fotograaf is, heeft het raadselachtige dat dromen kunnen hebben. De vertelster verruilt Istanbul voor Parijs. Haar moeder had erop aangedrongen: wat moest haar dochter nu in Istanbul? Nurunisa neemt de stap zonder dat ze een baan heeft of een woning. Om een visum te krijgen heeft ze zich ingeschreven voor een reeks literatuurcolleges. Ze vindt een eenkamerappartement vlak bij het Gare du Nord. Zo heeft ze het idee dat ze op ieder willekeurig moment weer kan vertrekken. Ze huurt de kamer van een café-eigenaar om de hoek. Als ze in zijn Café du Coin iets bestelt, brengt de ober haar steevast iets anders. Ze zegt er niets van. Ze kiest biefstuk, tartaar en chocolademelk, die ze in haar koelkast laat verrotten. Hoe bestaat het dat andere klanten altijd het juiste bestellen, weten hoe het zit met ‘de rituelen van een dag’? Dat is precies waar het haar aan ontbreekt. Als ze wordt uitgenodigd voor een uitje met studenten, kijkt ze van een afstandje naar de groep – en keert weer om.

Ze denkt terug aan haar vader, de dichter, die vaak zachtjes in zichzelf zat te mompelen. Ze herinnert zich een gesprek tussen haar grootouders na zijn dood, waarin ze flarden onderscheidde, ‘nergens goed voor’, ‘net een klein kind’. Terloops, als bij toeval, meldt een bijzinnetje verderop in het boek dat hij naar het balkon liep, ‘waar hij vervolgens vanaf stapte’.

Boekhandel

Bij een literaire ontmoeting in een boekhandel in Parijs ontmoet ze de Britse schrijver M., die in Istanbul heeft gewoond. Een tijdje wandelen ze samen door Parijs. Ze is zijn ‘gids voor alle Thracische aangelegenheden’, heel nuttig nu hij met een roman bezig is die zich daar zal afspelen. Ze vertelt hem over haar leven en dat van haar moeder, verzamelt concrete details waar hij zo’n belangstelling voor heeft. Zo wandelt ze niet alleen door Parijs, de stad die nog zo beangstigend nieuw voor haar is, maar ook door haar eigen verleden.

Nurunisa kent het werk van M., houdt van zijn scherpe blik, die van een buitenlander. Leest ze bij hem bijvoorbeeld over ‘een rond dienblad met komkommers’, dan is ze in een oogwenk terug in Istanbul. Zo glijdt ze moeiteloos zijn wereld in, ‘waar inzicht spaarzaam was, waar tragedies tussen twee haakjes plaatsvonden en momenten van grote vreugde getemperd werden’. Het is een typering waarmee Savas indirect haar eigen poëtica karakteriseert. Veel gebeurt terloops, onderdrukt, in stilte. ‘Stilte is een taal op zich’, schrijft Savas in de geest van Nathalie Sarraute.

Pas na een tijdje hoort de vertelster van haar twee tantes dat haar moeder ernstig ziek is. Ze keert terug naar Istanbul, terug naar de cipressen, symbolen van eenzaamheid. In de stad die ze aantreft heeft iedereen de mond vol van ‘verandering’. Het is onrustig, er wordt gedemonstreerd, vernield, er worden rechtszaken tegen journalisten gevoerd. ‘Sommige mensen verdwijnen; zij die hun verhaal niet mogen vertellen.’ Oude zaken sluiten hun deuren, ‘splinternieuwe neonborden nemen de plek in van weggesleten namen’. Haar vrienden verlaten het land, in de nieuwe politieke situatie kunnen ze geen carrière maken. Er heerst ‘angst voor het verstrijken van de tijd’, schrijft Savas, de nieuwe tijd brengt een ander soort machthebbers, suggereert ze, heersers die angst zaaien. Net als in de romans van de Turkse auteur Elif Shafak, die in Londen woont, worden de klokken verzet en ‘tekenen van ouderdom’, overblijfselen van het verleden, gewist.

Zo zijn Parijs en Istanbul de ware hoofdpersonen in deze beeldschone, tastende, fijn vertaalde roman. Ze veranderen met de tijd, de vertelster voelt hoe ‘angst en wantrouwen’ naar binnen sijpelen. Ze wandelt langs de grote monumenten, de bekende toeristische routes, maar gaat ook naar de kruidenier waar je een zakje kikkererwten kunt kopen. Heden en verleden lopen door elkaar. Tegelijkertijd ontdekt ze nieuwe kanten van zichzelf, krijgt ze een andere kijk op de verhouding die ze had tot haar moeder, tot de schrijver M. Andere personages komen minder goed uit de verf.

Alles is voortdurend in beweging in deze knappe debuutroman. Op de herinnering kun je niet varen. Alles en iedereen ontsnapt uiteindelijk aan een definitieve, eenduidige versie – ook een verhaal.