Bert Visscher: „Ik hou van geven. In de tijd die we hebben wil ik anderen blij maken. Er is al zoveel gezeik in het leven.”

Foto Kees van de Veen

Interview

Bert Visscher: ‘Het publiek in de steek laten vind ik verschrikkelijk’

Interview | Bert Visscher, cabaretier Hij heeft een boek geschreven over zijn ‘mislukte’ eerste jaren als cabaretier. Bert Visscher is nu bezig met zijn laatste jaren. „Wanneer ga je te lang door, wanneer stop je op tijd?”

Knikkende knieën had Bert Visscher als hij in het begin van zijn carrière naar de kassa van het theater liep om te vragen hoeveel kaartjes er waren verkocht. „Helemaal niets”, was geregeld het antwoord. „Waren we in Goes, konden we weer terug naar Groningen.”

Over die tijd gaat Dat wordt nooit wat, zijn nieuwe boek vol grappige, anekdotische verhalen over zijn ‘mislukte’ optredens als twintiger. Over de keer dat hij op het podium een tennisbal in het oog van een journalist sloeg, het optreden waarbij hij een deel van de kleedkamer in de fik zette, de twee dagen dat hij een Amsterdams zaaltje had afgehuurd en er helemaal niemand kwam opdagen of de shows bij studentenverenigingen waar hij bekogeld werd met appels en drop. „Zat ik ’s nachts om 03.00 uur op de terugweg naar huis in een truckerscafé. Dan dacht ik wel: waarom doe ik dit? Ik wist natuurlijk niet dat het wat zou worden. Dat ik er doorheen moest en dan op een gegeven moment geld zou gaan verdienen.”

De zalen begonnen vol te lopen nadat de VARA eind jaren tachtig fragmenten van zijn tweede show Tango aan de Dnjepr had uitgezonden.

Je hebt alles jezelf aangeleerd. Geen kunstopleiding, nooit een regisseur. Hoezo?

„Ik wilde naar de school voor drama en expressie in Utrecht maar werd er na de oriëntatie al uitgeflikkerd. Ik was totaal talentloos vonden ze. Eén keer heb ik een regisseur ingeschakeld. Dat heeft twee weken geduurd. Leg ook maar eens aan iemand mijn ideeën uit. Zo van, er komt een konijn uit een hol het podium op. Dat konijn wil eigenlijk op Hawaï wonen want dan heeft ze een Hawaïjurkje aan. Dan zie je een regisseur kijken van: waar gaat dit naartoe? Wat ik doe is totale gekte. Alles moet in het programma kunnen. Ik moet flink afgeragd van het podium komen.”

Je vriend en oud-technicus Daniël Wever zei: Bert moet altijd van de zaal winnen.

„Hmmm, ja dat heeft hij mooi gezegd. Je moet ze veroveren. Vooraf denk ik: ik ga ze helemaal slopen, naar de tyfus spelen. Daarvoor komt het publiek ook. Dat denkt…” Hij slaat met zijn hand op de tafel. „…Vanavond gaan we het beleven, bij Visscher. Wat voor geks heeft hij nu weer bedacht? Het mooiste is als de zaal als een korenveld heen en weer klapt van het lachen.”

„Het mooiste is als de zaal als een korenveld heen en weer klapt van het lachen.”

Foto Kees van de Veen

Je stijl is wel een beetje veranderd, toch?

„Ja. Vroeger zaten mijn programma’s helemaal volgestampt. Ik raffelde nummers af, huppakee kon het volgende beginnen. Ik was bang om een stilte te laten vallen. Als dat gebeurde dacht ik: het publiek vindt er geen kloot aan. Als ik video’s terugkijk dan denk ik wel eens: doe een beetje kalm. Nu zit er veel meer rust in, ik durf nu ook vanuit mijzelf te vertellen. Als ik nu een verhaal vertel en er valt een stilte dan vind ik dat ook een prachtige reactie. Des te sterker de grap die daarna komt.”

Hoe zwaar is het?

„In het begin zeiden mensen tegen mij: dit ga je niet lang volhouden vriend. Maar ik ben recent 60 geworden en ik ren nu ook nog door de zaal, spring van het podium af. Ik geef net zo veel energie als vroeger.”

Je speelde altijd door, ook al was je ziek of door je enkel gegaan.

„Nou het slordige is, ik kan nooit afzeggen. In loop der jaren had ik 20 à 30 voorstellingen beter niet kunnen spelen. Ik weet nog dat ik een keer in de Kleine Komedie in Amsterdam moest optreden. Ging ik tijdens de voorstelling staan, lag ik ‘boem’ zo weer op de grond, zo vermoeid was ik. Ik krabbelde wel op en speelde door. Ook ben ik wel eens uit huis gedragen de auto in en in Emmeloord waar ik moest optreden naar de fysio gegaan, die heeft de hele middag aan me gewerkt. Van een ziekenbroeder kreeg ik een pilletje dat ik eigenlijk niet mocht hebben, maar alleen maar zodat ik kon staan en kon optreden. En ik ben eens door mijn enkel gegaan op het podium. Wilde ik in een bureaustoel verder maar dat mocht niet van mijn technicus.”

Waarom speel je dan toch door?

„Anders laat ik het publiek in de steek. Dat vind ik verschrikkelijk. Na afloop doe ik ook altijd een handtekening en een babbeltje. Op een gegeven moment moet ik wel naar huis. Dus loop ik weg, maar dan zie ik toch nog iemand in de hoek staan, een jongetje of meisje dat geen handtekening heeft gekregen. Ben ik bijna bij de auto, vind ik het zo zielig voor dat kind, ga ik weer terug.”

Het klinkt alsof je heel veel bezig bent met geven, geven, geven.

„Ik hou van geven. In de tijd die we hebben wil ik anderen blij maken. Er is al zoveel gezeik in het leven. Je moet al zoveel. Ik wil relativeren, perspectief geven, lol maken. Soms ook tegen beter weten in. Ik heb kennissen verloren aan ziektes. Die wisten dat ze dood zouden gaan. Dat ik dan zei: nee het komt wel goed man. Hupsakee!

„Ik heb me ook heel lang druk gemaakt om andere mensen. Kijk ik heb vrienden en kennissen van wie je denkt: wat een saai kloteleven. Die zitten op de bank en er gebeurt niets. Die gaan als hoogtepunt een weekje naar Drenthe op vakantie. Denk ik: doe toch wat met je leven. Pien, mijn vrouw, zegt: ‘Kan jou het wat schelen, als die mensen daar gelukkig mee zijn’. Heeft ze natuurlijk gelijk in.”

Zijn er ook kanten van jezelf die je niet hebt ontwikkeld in die 40 jaar?

„Zelf muziek maken. Ik heb vroeger piano gespeeld en heb dat verslonsd. Ik vind dat jammer.”

Hoe groot is de jammer?

„Vind ik een heel grote jammer.”

In een interview in 2013 zei je dat je graag een cd wilde maken. Maar hij is er nog niet toch?

„Nee. Nee dat durf ik nog niet. En waarom zou ik ook?”

Als je dat graag zou willen.

„Ja, maar ga dan naar Claudia de Breij als je mooie liedjes wilt.”

Nee, niet vanuit het publiek gezien. Vanuit jou. Als jij de behoefte hebt om liedjes te maken.

„Ja maar ja. Wat moet ik dan zingen? Een liefdeslied? Dat past niet bij mijn show. Mensen komen toch naar die grappige Bert Visscher. Maar buiten mijn programma, graag. Ik werd gevraagd door de dirigent van het Noordpool Orkest of ik een tournee met hen wilde doen met liedjes van artiesten die ik waardeer. Ik zei dat ik dat niet durfde, maar het was wel iets wat ik heel lang wilde. Dus ik heb me over laten halen.”

Heb je moed nodig gehad?

„Och man. Ik heb dirigent Reinout Douma de week voor de première wel iedere avond gebeld. Zo van, ik doe het niet, want ik ga helemaal af. Het publiek komt voor de grappige Bert Visscher. Maar de zangeressen en Reinout hebben me erdoorheen gesleept. Zij zeiden: en dan, wat heb je te verliezen? Het was fantastisch om te doen. Ik stond op het podium te luisteren naar die violen en dacht, dit is zo mooi en ik mag gewoon meedoen.”

Het klinkt toch alsof je een beetje gevangen zit in de gevende, grappige Bert Visscher.

„Dat is zo. Daar zit ik in gevangen. Begrijp me goed, ik vind dit fantastisch om te doen. Dit is toch een droom? Ik acteer graag, sta graag op het podium, vind het fijn om mensen een vrolijke avond te bezorgen en ik verdien daar mijn geld mee. Maar je hebt een publiek opgebouwd en dat verwacht iets van je. Dus het is een open gevangenis.

„Uit mijn concerten met het Noordpool Orkest bleek overigens inderdaad dat sommige fans niet zo blij waren met mijn stap. Die zeiden, nou dat hadden we niet van die Visscher verwacht. Tja, dat is nou eenmaal zo. Ik wil ook iets doen wat ik leuk vind, als je het niet leuk vindt, kom je niet.”

Alsof cabaret vooral geven is aan het publiek en dat je muziek alleen voor jezelf maakt. Omdat je dieper in jezelf kunt spitten.

„Ja denk ik wel. Mooi gesproken. Dat klopt denk ik wel.”

Ik begrijp van de mensen om je heen dat je nadenkt over het einde van je carrière.

„Ik heb nog vijftig voorstellingen staan die door corona zijn uitgesteld en heb daarnaast wel een nieuwe voorstelling gepland. Het is altijd maar hopen dat het iets wordt. Soms word ik wakker en dan denk ik: o god, wat als ik helemaal niets verzin? Het moet allemaal uit dit hoofd komen en ik ben altijd bang dat dit hoofd het opeens niet meer doet. Maar ik heb er wel heel erg veel zin in. Ik zit nu op zevenhonderd ideeën voor die voorstelling. Ik hoop dat ik er in november duizend heb en dat er twintig goede bijzitten.

„Maar er zijn natuurlijk ook piekermomenten waarop ik denk: wanneer ga je te lang door, wanneer stop je op tijd? Voor iedereen houdt het een keer op. Ik ben een enorm gevoelsmens dus het kan zo zijn dat ik over twee à drie jaar denk: het is mooi geweest. Maar misschien duurt het nog tien jaar. Alhoewel, dat denk ik niet. Ik ben wel bezig om me heen te kijken. Zijn er andere dingen die ik kan doen? Als iemand zegt, wil je in mooi stuk spelen of wil je een mooie film maken, dan sta ik daarvoor open. Dan hoeft het niet allemaal meer uit mij te komen. Of stel dat ik toch met een liedjesprogramma kom en dat het publiek zegt: dit is fantastisch. Dan kan ik nog tien jaar door met liedjes.”

Het boek Dat wordt nooit wat van Bert Visscher ligt nu in de winkel. Inl: bertvisscher.nl