Recensie

Recensie Boeken

Twee tieners die een boom willen redden – en zichzelf

Jeugdboek Marnus en Leila klimmen in een boom die gekapt dreigt te worden, in dit lichtvoetige Zuid-Afrikaanse tieneravontuur. Ze zitten daar ook om zélf gezien te worden.

Het gevaar van een pakkende titel is dat de inhoud van het boek tegenvalt. Gelukkig geldt dit niet voor Een mooie dag om in een boom te klimmen. Dit eerste kinderboek in Nederlandse vertaling van de Zuid-Afrikaan Jaco Jacobs (1980) is net zo sprankelend en verrassend als de titel die het meekreeg. Dat zit ‘m niet per se in de plot. Het verhaal, dat zich in slechts drie dagen afspeelt, laat zich gemakkelijk samenvatten: tienermeisje Leila wil voorkomen dat er een boom wordt gekapt ten behoeve van een waterleiding. Om medestanders te krijgen gaat ze rond met een petitie. Zo belt ze ook aan bij Marnus (13). Als hij niet direct overtuigd is van de noodzaak te ondertekenen, sleurt Leila hem mee naar de boom (een witkaree) en voordat hij er erg in heeft, zit hij met het onbekende meisje tussen het bladerdak, hopend dat de gemeentewerkers die de kapklus moeten klaren behalve de boom, ook hem en Leila met rust laten.

Apartheid

Veel spannender dan dit wordt het niet. Nee, wat dit bescheiden tieneravontuur bijzonder maakt, is de lichtvoetige vertelstem van Jacobs en zijn beeldende schrijfstijl die je regelmatig doet beseffen dat je in Zuid-Afrika bent. Zo zegt Marnus na de eerste boomzitdag, ‘mijn lichaam voelt nu alsof ik heb geworsteld met een olifant’. Terwijl Leila zich ‘snel en soepel als een genetkat beweegt’. Knap terloops stipt Jacobs trouwens ook de geschiedenis van de apartheid aan. Oom John, de beheerder van de nabijgelegen rolbalclub die zich met Leila’s moeder en de excentrieke, altijd in het roze gehulde mevrouw Merriman over de kinderen ontfermt, is opgegroeid in District Six. De boomstrijd van Leila en Marnus herinnert hem aan de verloren strijd van zijn broer tegen de apartheidsregering die in de jaren zeventig alle niet-witte mensen met geweld uit de ooit bruisende multiculturele wijk in Kaapstad verdreef.

Jacobs’ grootste troef is echter Marnus. De behoedzame jongen bij wie het vertelperspectief ligt, manifesteert zich als een scherpzinnig observator van het menselijk handelen en een gevatte verteller. Het openingshoofdstuk waarin Marnus uit de doeken doet hoe hij klem zit tussen zijn oudste broer Donovan, een jonge adonis en ‘meisjesmagneet’, en zijn geldzuchtige jongste broer die meisjes aan Donovan verhuurt in ruil voor ‘zoenlessen’, zet direct de toon. Dat de broers een tikje te karikaturaal worden neergezet is Jacobs vergeven: ‘Marnus-in-het-midden die door niemand wordt opgemerkt’ voelt zich simpelweg gefrustreerd. Dat maakt zijn milde ironische opmerkingsgave geloofwaardig.

Gezien worden

Gaandeweg blijken de boomkinderen meer in gevecht met zichzelf te zijn dan dat ze strijden voor een beter milieu. Het eco-activisme speelt slechts een bijrol en wordt tussen de regels door bovendien subtiel op de hak genomen. Geestig bijvoorbeeld zijn Marnus’ terzijdes over de activistische studenten die hem en Leila komen helpen. Zo vraagt hij zich af als ze ’s avonds een vuur maken ‘wat voor boom er is omgehakt voor het brandhout’. ‘Hebben ze daar ooit aan gedacht?’

Hoe het afloopt met de witkaree doet er eigenlijk niet toe. Dat is de kracht van dit sympathieke boek. De boom is vooral, zij het beetje opzichtig, een podium voor Marnus om eindelijk eens de hoofdrol te kunnen spelen onder het motto ‘soms heb je het nodig om gezien te worden’.

Leila’s drijfveer om haar ‘Boom In Het Midden Van Het Heelal’ te redden, is minder eenduidig. Bij monde van Marnus maakt Jacobs fijntjes invoelbaar dat het meisje een onuitgesproken verdriet met zich meedraagt. Leila ‘lacht niet genoeg’, ziet Marnus. En dat ze niets zegt, is niet omdat ze niets kan verzinnen. Uiteindelijk toont ze Marnus haar geheim, verborgen in het hart van de boom, die ten slotte symbool blijkt te staan voor Oom Johns levenswijsheid dat ‘niets op deze aarde voor eeuwig is’.