Van scheepsbeschuit tot bermbammetjes

Boek Charlotte Kleyn reist in Trek door de geschiedenis en dist op wat er onderweg gegeten werd. Napoleon wist al dat je op een lege maag niet ver komt.

La Partie Carrée, schilderij van een picknick, van de Franse kunstschilder James Tissot uit 1870.
La Partie Carrée, schilderij van een picknick, van de Franse kunstschilder James Tissot uit 1870. Foto National Gallery of Canada, Wikipedia Commons

De skottelbraai, hij staat erin. Die grote barbecueschotel waar mensen die zichzelf échte kampeerders vinden op neerkijken. Omdat-ie haaks staat op alles wat kamperen volgens de echte kampeerder is: eenvoud, avontuur, natuur. Maar Charlotte Kleyn, auteur van Trek, eten onderweg – toen en nu geeft de skottelbraai een plek in haar boek. „Tja, zo wordt het allemaal steeds meer zoals thuis”, schrijft ze. Eten zoals thuis, dat kan de bedoeling toch niet zijn van op reis gaan.

Trek. In de dubbele betekenis van eetlust en reis. Dat móést wel de titel worden van dit boek over wat en hoe mensen eten als ze onderweg zijn, of dat nu met het vliegtuig, de auto of per boot is. Nu of vroeger. Als vrijetijdsbesteding of voor oorlogen, handelsreizen of pelgrimstochten. Lekker of noodzakelijk. Kosjer of niet.

Zelf heeft Kleyn goede herinneringen aan wat haar vader, culinair journalist Onno Kleyn, op de campingbrander kookte. Hij maakte zelfs een serie vakantiekookboekjes, maar dat is Trek niet geworden.

Charlotte Kleyn is niet alleen eetschrijver, ze is ook historicus. Ze dient bij elk hoofdstuk een aantal recepten op, maar Trek is dus geen kookboek. Eerder een verslag van Kleyns zoektocht in archieven en langs plaatsen die iets vertellen over etende reizigers. Ze spitte in reisverslagen, oude kranten, musea, films, romans en de schilderkunst. En ze bezocht keukens en mensen die haar iets vertelden over hoe het gaat en ging, dat eten onderweg.

Scheurbuik

Er komt heel wat scheepsbeschuit, gepekeld vlees en bier voorbij in de hoofdstukken over de vroegere reizigers. Toen al had je tourist traps waar je als passant belazerd werd met aangelengde wijn en rotte vis. En al in de twaalfde eeuw waren er reisgidsen die beschreven dat je in Spanje geen paling moest eten en uit welke rivieren je kon drinken. In Jeruzalem kon je na een eindeloze pelgrimstocht heerlijk op straat eten. Het heette toen alleen nog geen streetfood.

Je moest wel een beetje geluk hebben vroeger: de arme reizigers – matrozen, voetsoldaten, treinreizigers in de derde klas – waren beduidend slechter af dan, noem eens wat, een officier op een VOC-schip. En de consequenties waren veel pregnanter dan nu: scheurbuik en je eigen urine drinken, of aan boord geslachte kip met wijn geserveerd krijgen – zo groot kon het verschil zijn.

Napoleon ontdekte al dat het leger „marcheert op zijn maag”: onderweg naar Rusland werden zijn manschappen door ziekte, onderkoeling en honger gedecimeerd. Hij was nét te vroeg voor de uitvinding van de conserven, eind achttiende eeuw, waardoor vlees, vis, groente en fruit ineens jaren houdbaar waren. De Franse uitvinder Nicolas Appert won er een prijsvraag voor militaire innovaties mee. In het begin was blik nog duur en zwaar, maar al snel kon je er een heel leger mee voeden.

Zo hebben meer voedsel- en keukeninnovaties een militaire oorsprong. Energierepen, het gas waarmee sla vers blijft in de zak, oploskoffie – de mensheid heeft het allemaal aan het leger te danken, beschrijft Kleyn. En „zeg maar dag tegen je Knorr Wereldgerechten als het vriesdrogen van groenten en kruiden niet was uitgevonden.”

Lees ook: Proviand voor in de auto, wat eet je op weg naar vakantie?

Padvinders, een hoofdstuk apart, konden de maaltijd onderweg ook nog weleens benaderen als een militaire opdracht. Het draaide meer om vaardigheden en techniek dan om lekker eten. Kijk mij eens een ‘jagersvuurtje’ stoken en brood op een stok bakken.

En toen heel Nederland in de jaren zestig het kamperen ontdekte, moest koken vooral praktisch en voordelig zijn. Als je het boodschappenlijstje van Allerhande (Albert Heijn) gebruikte, had je voor een week genoeg aardappelpuree(poeder), ingeblikt vlees en tomatensoep bij je.

Geplet broodje ham

Trek krijg je er niet van. Net zo min als van de bermtoeristen die met een boterham met kaas en een thermoskan koffie in de uitlaatgassen langs de snelweg zaten. Alsof ze niet wisten wat picknicken óók kan zijn. Of wat volgens Kleyn de essentie van de picknick is: voor de lol ergens in de natuur gaan zitten eten, en de hele middag blijven eten. Met fruit en wijn op een Frans landgoed, met sardientjes uit blik aan de kust van Porto of gewoon hier en nu, in het dichtstbijzijnde park. En dan, zoals de Amerikaanse schrijfster M.F.K. Fisher, een kwartier op een stokbroodje ham zitten, zodat-ie extra speciaal wordt. Het geheim, verklaart Kleyn, zit waarschijnlijk niet in het pletten van het broodje maar in de picknick zelf, die van de allersimpelste dingen iets magisch maakt, alleen maar omdat je buiten op het gras, op een berg of aan zee zit.

Trek wakkert het verlangen aan naar die bergen en de zee, naar andere landen, nu reizen even niet zo voor de hand ligt. En al snel denk je aan witte bolletjes met omelet op de achterbank. Currywurst langs de Autobahn. Empanada’s die je door het raam in de trein worden verkocht. Van reizen in je hoofd krijg je ook trek.