Peter Bennemeer: ‘Minder zorg bieden, daar profiteren we allemaal van’

Zorgbeleid Peter Bennemeer heeft tegendraadse visies op de zorg. Toen hij in 2011 als buitenstaander directeur werd van het Brabantse Bernhoven Ziekenhuis bracht hij die ideeën volop in de praktijk, zo is te lezen in zijn boek De Ingreep.

Nederland heeft te veel intensivecarebedden, stelt Peter Bennemeer. Het klinkt absurd na een jaar waarin de hele natie zich verbaasde over de geringe IC-capaciteit. Maar Bennemeer (58) meent het. Hij was zes jaar lang directeur van het Bernhoven Ziekenhuis in het Brabantse Uden – nota bene het eerste ziekenhuis waar Covid-19-patiënten vorig jaar de IC overspoelden.

En toch zegt Bennemeer: „Je kunt een pandemie niet verankeren in de bedrijfsvoering van een ziekenhuis. Daarvoor is zo’n situatie te uitzonderlijk. Ziekenhuizen moeten flexibeler zijn, zodat ze tijdens een crisis meer patiënten kunnen opnemen – dat wel. Maar meer IC’s, structurele overcapaciteit organiseren? Nee. Vóór de pandemie was er 25 procent overcapaciteit op de IC’s. Dat is verspilling.”

In zijn recente boek De Ingreep beschrijft Bennemeer de spraakmakende reorganisatie van Bernhoven, die hij leidde van 2014 tot 2017. Door die operatie leverde het ziekenhuis binnen drie jaar flink mínder zorg, en diende het dus minder nota’s in bij de zorgverzekeraars. Alle andere ziekenhuizen in het land leverden juist méér zorg.

Interne concurrentie

Bennemeer had daarvoor 25 jaar in de consumer goods gewerkt, bij Heinz en Danone, dus de eerste maanden moest hij erg wennen in Bernhoven, schrijft hij in De Ingreep.

Artsenmaatschappen bleken in Bernhoven de dienst uit te maken en intern met elkaar te concurreren. „Als een patiënt binnenkomt met een gebroken heup, kan hij naar de orthopeed of de chirurg. Wie de patiënt krijgt, verdient er geld aan”, vertelt hij tijdens een Zoom-gesprek.

Als de directie van het Brabantse ziekenhuis iets wilde invoeren wat een artsenmaatschap niet beviel, zei die „te pas en te onpas” dat het de ‘patiëntveiligheid’ zou schaden. Daardoor hield het debat prompt op, omdat de managers te weinig medische kennis hadden om hier iets tegenin te brengen.

Zorgverzekeraars, die de rekeningen betalen, werden in het ziekenhuis beschouwd als de vijand. En ‘marktwerking’ was voor de meeste artsen een vies woord. Maar in de zorg bestáát helemaal geen marktwerking, zegt Bennemeer. „In het bedrijfsleven zijn alle inspanningen erop gericht om alle belanghebbenden tevreden te houden, maar vooral de klant. In een ziekenhuis, zo bleek, ging het om heel andere belangen.”

Want patiënten binnenhalen en zorg leveren, dat bezorgde het ziekenhuis omzet. En de artsenmaatschappen inkomsten. De dokter noch de patiënt hoeft voor die zorg te betalen – want dat doet de zorgverzekeraar. En dus is er geen prikkel om zuinig te doen of minder zorg te leveren, zegt Bennemeer.

Maandenlang praatte de nieuwe directeur met artsen en managers om hen achter zijn plan te krijgen. Dat was: een efficiënter ziekenhuis worden dat zich meer op de patiënt zou richten en minder op interne belangen. Na drie jaar sloot hij langdurige contracten met twee grote zorgverzekeraars. Zo’n gegarandeerde inkomstenstroom was nodig om veranderingen in gang te zetten.

VGZ en CZ committeerden zich, mits Bennemeer het ziekenhuis efficiënter zou maken en de zorg ‘zinniger’. Bennemeer: „We beloofden binnen vijf jaar 10 procent minder zorgnota’s te declareren. Het werd binnen drie jaar 16 procent minder.”

Peter Bennemeer.

Minder verwijzingen huidklachten

Minder zorg bieden: wie heeft daar baat bij? Bennemeer: „De premiebetaler. Wij allemaal dus. En gek genoeg ook de patiënt. Want veel geleverde zorg líjkt nodig, maar is belastend voor de patiënt en niet bewezen noodzakelijk. We hebben bijvoorbeeld een dermatoloog laten samenwerken met de huisartsen in de regio. Daardoor verwezen die op termijn 80 procent minder patiënten met huidklachten naar het ziekenhuis. De patiënt hoefde niet naar het ziekenhuis en verloor geen cent van zijn eigen risico [huisartskosten gaan niet van het eigen risico af], de huisarts leerde meer over huidaandoeningen en de dermatoloog hield tijd over voor patiënten met écht ernstige huidziektes.”

Het Brabantse ziekenhuis voerde ook een beleid van ‘samen beslissen’ in, waarbij de arts de risico’s en lasten van een operatie of behandeling vooraf duidelijk bespreekt met de patiënt. Daardoor kan die de voor- en nadelen van een ingreep beter afwegen. „Dat zorgde bijvoorbeeld voor 9 tot 25 procent minder heup- en liesbreukoperaties”, zegt Bennemeer.

Op de spoedeisende hulp zette het ziekenhuis een specialist neer die de patiënt meteen bij binnenkomst kon beoordelen. Dat scheelde diagnostiek en interne doorverwijzingen. „Je wilt niet dat een patiënt vier keer naar het ziekenhuis moet voordat duidelijk is wat er aan de hand is.”

Bennemeer sneed niet alleen in wat hij ‘onzinnige zorg’ noemt. Onder zijn leiding verdween de helft van de managementfuncties in het ziekenhuis. Door de langdurige contracten met verzekeraars hoefden de zorgverleners ook niet meer elke handeling te registreren en verantwoorden.

Artsen weer in loondienst

Een andere ingrijpende stap was dat vrijwel alle artsen in loondienst van het ziekenhuis kwamen. De ‘vrijgevestigde’ artsen die maatschappen vormen, zijn in feite ondernemers die hun eigen werk en inkomen beïnvloeden. Artsen in loondienst missen de prikkel om omzet te draaien – wat goed paste in de opzet van Bennemeer. Hij kreeg de meeste artsen over de brug met het uitzicht op minder zorgen, én ze werden aandeelhouder. Daardoor kwamen de belangen van medici en ziekenhuis meer op één lijn. Alleen de kaak- en plastisch chirurgen weigerden de maatschap te verlaten.

Intussen blijft de vraag naar ziekenhuiszorg groeien, ook zonder Covid-19. De bevolking vergrijst en er zijn steeds betere medische behandelingen. Om het geheel betaalbaar te houden, moet de overheid de komende jaren meer snijden in onzinnige zorg, zo vindt Bennemeer. „Er zijn te veel ziekenhuizen. Als een ziekenhuis dichtgaat, zoals het Slotervaart in Amsterdam, verdampt de helft van de zorg die daar geleverd werd. Die was dus overbodig.”

Zelf ziek geworden

Halverwege zijn boek blijkt dat bij Bennemeer zelf in 2014 kanker is geconstateerd. Die kon worden behandeld, maar keerde na drie jaar terug.

De directeur, zo kritisch op overbodige zorg, komt tijdens de onderzoeken en ingrepen in zijn eigen en een ander ziekenhuis weer veel overbodigs tegen. Het sluipt erin, schrijft hij. Maar hij begrijpt het ook: „Niemand is bij mij bezig geweest om zo veel mogelijk omzet binnen te harken. Het was allemaal met de beste intenties. Maar wat ik ook erken: doordat ik in die periode na mijn eerste ingreep maar bleef kwakkelen en m’n energie niet terugkwam, was ik ook zelf vatbaar voor dergelijke goed bedoelde suggesties. Daarom is het in mijn ogen belangrijk dat mensen de verantwoordelijkheid voor hun gezondheid niet meer blind in de handen van artsen leggen. Ook al gaat het je boven de pet, het gaat over jouw leven en jouw gezondheid.”

Zijn artsen leverden goed werk bij hem, schrijft Bennemeer in zijn boek, al heeft hij minder energie en wordt hij nooit meer de oude. Hij is sinds 2017 geen directeur meer, maar adviseert onder meer. „Ik ben er nog en kan volop van het leven genieten. Dat is een privilege dat mij zonder de moderne geneeskunde niet meer was gegeven.”