‘Wat betekent God? Het wemelt van de goden’

Wat maakt het leven de moeite waard? Huub Oosterhuis (87) schrijft kerkliederen, hij was ooit priester. Dat is in zekere zin nooit overgegaan, zegt hij. Wat het dan is, priester zijn? „Luisteren. En eh… tafeltennissen in een jeugdgevangenis. Daar is het voor mij begonnen, toen ik zestien was.”

De kerken zingen niet in deze tijd. Mag niet, kan niet. Maar áls ze zingen, als ze zouden zingen, is de kans groot dat ze een lied van Huub Oosterhuis (87) zingen. ‘De steppe zal bloeien.’ Of: ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen.’ Zowel katholieken als protestanten, in of buiten kerkelijk verband, allemaal zingen ze zijn teksten.

Oosterhuis heeft honderden liederen geschreven, liturgische liederen zijn min of meer zijn leven geworden. Hij vindt ze belangrijk vanwege de vertroosting en de bemoediging die ze kunnen geven. „Mensen zingen graag samen hè”, zegt hij. „Dat geeft een meerwaarde aan woorden.”

We spreken elkaar bij hem thuis in Amsterdam-Zuid, in een huiskamer vol boeken, schilderijen – een mooie Lucebert aan de muur –, kunst uit verre landen, foto’s, kaarsen, kussens. Oosterhuis spreekt zeer bedachtzaam, met lange stiltes. Ik zit met zijn laatste poëziebundel op schoot, 360 pagina’s verzamelde gedichten onder de titel Handgeschreven. Het zijn geen echte verzamelde gedichten, want hij heeft vroegere gedichten bewerkt en nieuwe bijgeschreven, heel veel weggelaten en alles anders gerangschikt, zodat er een ‘levenslijn’ in zou zitten. Daardoor kan een gedicht dat hij schreef toen hij 23 was, naast een gedicht komen te staan dat op zijn 67ste ontstond.

Alsof hij nog steeds één en dezelfde is, zeg ik. Kan hij zich nog wel auteur voelen van een gedicht dat hij zó lang geleden schreef? Jawel hoor, zegt hij. Daarom zag hij er ook geen been in om er soms weer aan te prutsen, om een gedicht „aan te punten” als hij het te „zwabberig” vond. Maar het is wat hem betreft allemaal duidelijk van één man. „Op het eenkennige af”, zelfs.

Die ene man trad in 1952 in in de jezuïetenorde en werd in 1964 tot priester gewijd. In 1969 werd hij geschorst vanwege een conflict over het celibaat. Hij trouwde en kreeg kinderen, de latere muzikanten Tjeerd en Trijntje Oosterhuis, en werd een zeer invloedrijk theoloog, tot op heden verbonden aan de Amsterdamse (Studenten) Ekklesia. En altijd was er de poëzie, in programma’s die hij maakte, in de verschillende culturele centra die hij in Amsterdam oprichtte: De Populier, De Rode Hoed, De Nieuwe Liefde. Al die verschillende levens en mannen zitten in dit ene boek.

„Ik heb gedichten gekozen die toen, en nu nog, een belangrijk moment in mijn leven markeerden. Bijvoorbeeld het gedicht ‘Gelofte’, dat nogal in het begin staat omdat het een rol speelde in mijn jeugd.”

In dat gedicht staan de regels „hoe diep gaat de pijn/ van het moedernaakt/ maar onaangeraakt/ man moeten zijn”.

„Dat is wel voorbij gegaan”, zegt hij, „maar het is voor mij toch altijd actueel gebleven. Het is één geschiedenis.”

U heeft geen spijt van dingen?

„Nee.”

U heeft in uw leven flinke breuken gekend.

„Ja. Grote. Maar ze hebben die eenheid niet verbroken.”

Zeer lange stilte. „Ik zou bijna zeggen: de poëzie hebben ze niet verbroken. Naast dit boek heb ik nog een veel dikker boek gepubliceerd, Stilte zingen. Dat zijn de liederen die ik aanvankelijk voor de kerk heb geschreven en voor de mensen die daar nog iets mee hebben. De gedichten bleven jarenlang in de marge omdat de liederen steeds sterker de opdracht werden.”

Door u zo gevoeld of anderszins?

„Door mij zo gevoeld. Ik begon ze te schrijven begin jaren zestig. Alles wat kerkelijk was en gelovig onderging toen enorme veranderingen, dus van de officiële kerkelijk religieuze kant kwam er geen opdracht. Maar ze voorzagen in een behoefte en zo werd dat eigenlijk mijn vak. Vorm geven aan gevoelens voor mensen die dat niet zelf konden.

„In die zin is de keuze voor een priesterwijding nooit voorbijgegaan. Die is ook eigenlijk nooit teruggetrokken. Ik ben wel uit de officiële kerk gezet, daar heb ik een groot conflict mee gekregen, maar de kern is nooit voorbijgegaan.”

Wat ís het dan, priester zijn?

Zeer lange stilte.

„Luisteren. En eh… tafeltennissen in een jeugdgevangenis. Ik zat op de middelbare school en een aantal jongens stelde zich beschikbaar om met jeugdige delinquenten op te trekken, te praten, een beetje familie te worden. Daar is het voor mij begonnen, toen ik zestien was denk ik.”

Want wat zag u toen?

„Dat ik iets kon met die jongens, dat ik ze begreep. Dat ik kon luisteren, dat ik iets terug kon zeggen, dat ik met hun ouders kon praten. Het gaf me het gevoel dat ik daar moest zijn.”

Je kunt voelen iets te moeten doen zonder het helemaal te willen

Als u niet op een jezuïetencollege had gezeten had u net zo goed maatschappelijk werker kunnen worden?

„Ja. Dat had natuurlijk gekund ja. Een motief om priester te worden was niet dat ik aan liturgie zou doen of zo.”

Nee? Dat speelde geen rol?

„Helemaal niet. Ik vond die bestaande liturgie aftands en onaantrekkelijk en ik had daar weinig mee. Maar ik had wel iets met dat type religieus leven dat me op het jezuïetencollege was voorgeleefd. Dat je er bent voor anderen, dat je… ik heb er ook veel van gekrégen. In die tijd zag ik ook een beslissende film: Journal d’un curé de campagne. Die maakte vreselijk veel indruk op me.”

In die film van Robert Bresson, uit 1951, zien we een jonge priester wiens geloof nauwelijks weerklank vindt in de plattelandsparochie waar hij gaat werken.

Dat is niet een film waardoor je meteen denkt: dat wil ik.

„Je kunt voelen iets te moeten zonder het helemaal te willen. Je kunt voelen: dat is mijn richting en dan wordt het ook steeds meer willen. En vervulling. En ja, wat ze roeping noemen.”

Het schrijven van liederen begon in Groningen waar Oosterhuis Nederlands studeerde. Hij was naast de studie verbonden aan een school waar hij allerlei klussen opknapte, hij deed de avondklas, de huiswerkklas, leidde een koor, viel in als er iemand uitviel. Hij schreef gedichten op het bord, van Lucebert bijvoorbeeld, en vroeg dan aan de klas: „Wat staat daar?” „Heel leuke lessen”, zegt hij vergenoegd.

„Maar er was natuurlijk ook een religieuze component, want het was een katholieke school en er moesten christelijke oefeningen worden gedaan. Dat was een grote ellende want niemand snapte er iets van een Latijnse hymne. Dus toen ben ik begonnen met liedjes schrijven. Er waren natuurlijk een heleboel jongens en meisjes die een instrument bespeelden, die haalde ik dan bij elkaar – zo kwam dat op gang.”

Had u er meteen aardigheid in?

„Ja, ik vond het leuk. ‘Maak jij nou eens iets met de bijbel erin’, zei de verantwoordelijke pater tegen me. Dus toen begon ik. Op de fiets van Groningen naar Winsum en terug. Met wind tegen. En terug ook wind tegen.

„Dat is doorgegroeid. Maar toen dacht ik: ik weet niets, ik pak hier en daar maar wat op, dat moet ik systematiseren. En toen ben ik theologie gaan studeren en Hebreeuws gaan leren.”

In zijn theologiestudie in Maastricht werd het bijbelse verhaal sterk „verchristelijkt” gebracht, vertelt hij. „De hele teneur was: het jodendom is voorbij.” De bijbel werd zo gelezen dat alles uitliep op Christus. „Ik had het gevoel, ook door de mensen om me heen natuurlijk, dat ik de eigenlijke betekenis van het boek in z’n oorspronkelijke vorm moest proberen te begrijpen.”

Dacht u dan iets te zien te krijgen wat niet in de vertaling te zien was?

„Ja dat dacht ik. En dat was ook zo.”

Wat was dat dan?

„Het is voor mij nooit zozeer een religieus boek geworden, ik denk eerder een politiek boek. Het gaat om de vraag of het mogelijk is op deze aarde een menswaardig bestaan te leven, waarin mensen gelijk zijn en solidair. Eigenlijk is het verhaal van de bijbel een moreel appèl. Het eerste deel vooral. Het tweede deel lees ik als een commentaar op, en een interpretatie van, het eerste deel.”

Eigenlijk is het verhaal van de bijbel een moreel appèl

Veel mensen vinden juist dat eerste deel, het Oude Testament, nogal eens bloeddorstig of wreed, met niet bepaald een erg vriendelijke God.

„Dat boek is natuurlijk de weergave van een eeuwenlange strijd om de vraag: wie is God? Wat betekent God? Het wemelt van de goden. Wie mag die naam dragen? Dat is de vraag. Wat betekent die naam?”

U schrijft steeds over God als ‘God ik zal’.

„In het Hebreeuws wordt die god Jahweh genoemd, dat wordt af en toe afgekort met ‘Jah’. Dat is het grondwoord van de toekomst: ‘Ik zal.’”

En wat wordt daar dan mee aangeduid?

„Dat gerechtigheid en vrede en gelijkwaardigheid toch ooit – en dan houdt het op. Dan wordt het niet verder, ja soms wel natuurlijk, maar op veel plaatsen wordt dat niet verder ingevuld. Het wordt te hopen gegeven.”

Dat wat je doet, moet echt iets zéggen

In het gedicht ‘Priester’ schrijft u „Wenend wil ik uitleggen/ wat ik zo dikwijls doe: brood breken en vreemde/ dingen daarbij zeggen”. Dat gedicht is uit 1964.

„Ja ik was toen in crisis.”

U was nog maar net tot priester gewijd.

„Ik droeg dan die mis op, maar het sloeg niet aan, er was toen al geen wereld meer waarin dat kon klinken.”

U schrijft in datzelfde gedicht: „Maar wat ik ook zeg, dat oeroud evangelie komt er niet uit.”

„Dat is de spanning waarin ik toen verkeerde. Dat je het gevoel hebt: er gebeurt niets. Misschien slaat het ook wel nergens op. Zo’n beetje wat die priester uit Journal d’un curé de campagne ook had, dat vergeefse.”

Hebt u toen wel gedacht: ik trek mijn handen ervan af?

„Nee zover was ik niet. Ik wou dat het wél wat zei. En in 1965 werd ik hier in Amsterdam benoemd als studentenpastor en daar deden we alles anders, daar was het er wel.”

U schrijft in een gedicht dat u als een soort omgekeerde Abraham het offer brengt van geen kinderen te zullen krijgen. Hebt u dat zo gevoeld?

„Ja. Voor mij was al toen ik achttien was het grootste offer bij het intreden in de jezuïetenorde dat ik geen kinderen zou krijgen, dat ik koos voor het celibaat.”

Betekende het voor u vooral: geen kinderen? Het betekent ook geen liefdesrelatie.

„Ja, alles. Daar kom ik nog steeds niet helemaal uit, hoe dat nou zat…”

…dat u het desondanks gedaan hebt.

„Ik kom uit een gezin waarin drie kinderen zijn overleden, in de oorlog. Die werden geboren en gingen dood. Drie achter elkaar. Dat vermengde zich met de oorlog, dat was één geheel. Het was een waanzinnig verdriet voor mijn moeder en ik denk dat dat in mij het verlangen heeft gewekt om kinderen te krijgen. Maar ja, je kon daar niet intreden als je dat niet beloofde, dat moest. Ik vond van niet, maar dat hoorde erbij.”

U schrijft in het gedicht ‘Nieuwe eeuw’ dat de engel Gabriël aan u verschijnt en zegt: „Het heeft geen haast maar jij moet/ kinderen verwekken, namen roepen,/ twee die al sinds je geboorte in je hoofd/ als zwaluwen rondscheren.”

„Ik weet dat moment nog wel. Ik ging in juli 1967 naar Zuid-Frankrijk, aan het strand liggen. Het was een heel klein strandje met allemaal witte stenen, nu is het er geweldig, maar toen bestond het uit twee kuilen en drie kinderen. Toen heb ik een moment gehad dat ik dacht: ik wil kinderen. En ik ga het ook doen. Er was nog helemaal niemand met wie ik het wou, maar ik wou het. Ik wist het even zeker als alle andere dingen waar ik mee leefde.”

Het stond lijnrecht tegenover het leven dat u juist was aangegaan.

„Ja, maar het bracht me níét in verwarring. Ik wist niet hoe of wat, echt niet, het heeft ook nog een tijd geduurd, maar ik wist dat dat niet meer mijn weg was. En ik heb ze gekregen.”

Als u nu moet zeggen wat het leven de moeite waard maakt, wat is dat dan?

„Het is alles bij elkaar.”

In het gedicht ‘Toekomst’ vraagt een stem: „Wie ben je?” Dan is het antwoord: „Een vader, zei ik, de vader van…/ Dichter niet? vroeg ze./ Ook dichter. Ook priester.” Zijn dat de dingen? Die drie?

„Het is de stem van mijn geliefde. Ja, dat zijn de dingen. Die vier.”