Een non-campagne in een crisis – en volop verliezers in de tussenstanden

Deze week: de SP als potentiële coalitiepartner, scepsis over de CU, Hoekstra die moet kiezen tussen Pieter en Pieter, en: wordt Rutte IV slechts een tussenkabinetje? Ofwel: politici die vooruitkijken op de periode na de verkiezingen.

Je kon er deze week moeilijk omheen: blijkbaar is ook de coronacrisis geen beletsel voor de verdere trivialisering van verkiezingscampagnes.

Het ging maar door. Maandagavond postte Thierry Baudet hoe Gerard Joling hem na wat glazen wijn omhelzend zoende: ‘Partij vd liefde!’ Dinsdag had Koffietijd (RTL4) een primeur: ‘Mark Rutte doet eerste coronatest!’ Woensdag volgde ophef over een jurk van Sigrid Kaag. Vrijdag zei een Rotterdams PVV-raadslid in een online gesprek: ‘Wat heeft Hitler nou met antisemitisme te maken?’

Intussen meldden het onderzoeksprogramma Pointer en De Groene hoe een geliefd campagnekanaal als Instagram de armzaligheid slechts vergroot: politici krijgen van dit sociale medium meer aandacht als ze geen gewone foto’s maar selfies posten.

Je dacht dat een politicus in crisistijd vooral het hoofd koel moet houden. In werkelijkheid moet een politicus het hoofd vooral in beeld houden.

Dit alles in de week waarvan je hoopte dat de officieuze campagne-aftrap – vorige week vrijdag het NOS-radiodebat, zondag het RTL-debat – een periode van gezond politiek gevecht inluidde.

Debat over beleid na de crisis, ideeëncompetitie, botsing van wereldbeelden, strijd over de competenties van lijsttrekkers.

Maar wat je ook kreeg: geen aanvaringen tussen de aanvoerders. Het kwam zelden verder dan interviews volgens het format van infotainment, afgewisseld met live online optredens die amper publiek trokken.

In een campagneteam vergeleken ze die met spreken voor een halfvolle zaal: de holle klanken, het verliezersgevoel van een te groot podium.

Het was allemaal wel te verklaren. Het gebrek aan fysieke interactie met kiezers ontneemt de campagne haar ziel.

En de VVD blijft erin slagen elk conflict te ontlopen door alleen aandacht voor de coronabestrijding van de komende maanden te vragen. Zo krijgt de grootste partij, onbedreigd op kop in de tussenstanden, precies waar ze op uit is: een gedepolitiseerde campagne. Vandaar: trivia.

Maar minstens zo ontnuchterend was dat het land blijkbaar ook niet anders verlangt. Een VVD’er raadde me aan de kijkcijfers van het RTL-debat, afgelopen zondag, te leggen naast die van de laatste coronapersconferentie van Rutte en De Jonge, vorige week dinsdag. Het verkiezingsdebat: 1,8 miljoen kijkers. De coronapersconferentie: 6 miljoen kijkers.

It’s all Covid, stupid.

En natuurlijk: niets is nog beslist. Maar je voelde deze week de gelatenheid groeien. De uitzondering was D66, waar het optreden van Sigrid Kaag in het RTL-debat vertrouwen in een goede uitslag gaf.

Maar de meeste andere partijen werden met de dag somberder over hun kansen op een electorale omslag.

Zo gingen de gedachten al voorzichtig uit naar de periode na de verkiezingen.

CU-leider Gert-Jan Segers voedt de speculaties hierover zelfs publiekelijk. In Nieuwsuur, bezig met een ijzersterke reeks lijsttrekkersinterviews, deelde hij deze week VVD en D66 niet in bij zijn favoriete coalitiepartners.

Hij komt liever uit, beaamde hij, op een samenwerking met confessionele en progressieve partijen.

Dit herkennen coalitiepartners van de afgelopen periode: hoewel Segers niet vies is van politieke deals en vaardig kan manoeuvreren, is hij in de kern een anti-liberaal.

De spanningen met D66 over medisch-ethische zaken haalden veel publiciteit – en Kaag zei al in diverse interviews dat ze geen nieuwe formatiedeal met de CU op dit terrein wil.

Maar ook VVD-fractiesecretaris Ockje Tellegen sprak zich laatst in het Reformatorisch Dagblad uit tegen opnieuw regeren met de CU. Het leidt, zei ze, bij medisch-ethische vraagstukken „écht tot een impasse, tot stilstand’’.

In haar partij heet dit een ‘persoonlijke opvatting’ van de nummer 10 op de kandidatenlijst. Maar genoeg VVD-Kamerleden hadden de laatste jaren ook economisch en cultureel moeite met de CU. In de fractie klaagden ze dat Kamerleden hun grieven over de partij van de premier moesten inslikken.

Het onderstreept dat hernieuwde samenwerking voor D66, VVD én de CU zelf bepaald geen automatisme is.

Ook historisch zou continuering van de coalitie trouwens riskant zijn: kenners van de parlementaire geschiedenis, neem een Mark Rutte, weten dat dit zelden goed afloopt.

Zodoende gaan optimisten in VVD, CDA en D66 uit van een snelle formatie: niet dralen wegens de coronabestrijding, en als dat getalsmatig nodig is samenwerking zoeken met een van de twee linkse partijen, SP of GroenLinks, die expliciet opteren voor meeregeren.

GroenLinks laat al langer openlijk weten dat het er klaar voor is. Maar VVD en CDA denken zonder plezier terug aan de mislukte onderhandelingen met Jesse Klaver in 2017. Toen al bleek dat die twee, nadat D66-voorman Pechtold het opperde, liever zaken deden met de SP.

Kabinetten mogen wel wat volkser, vonden zij, ze zagen de SP als stabieler, en VVD- en CDA-kiezers houden een grotere hekel aan GroenLinks.

Maar onzekerheid genoeg in deze twee linkse partijen. In zowel SP als GroenLinks kan de leider onder druk komen te staan na een nederlaag. In de SP sluimert al langer een conflict met de jongerenorganisatie, mede over regeringsdeelname. In GroenLinks heb je altijd strijd en vluchtig wisselende interne voorkeuren.

En CDA-leider Wopke Hoekstra, door allerlei ongelukjes in een dalende lijn, wacht meteen na de verkiezingen ook al een ingewikkelde keuze: met welke Pieter gaat hij de formatieonderhandelingen in – Omtzigt of Heerma?

Zijn voorgangers als CDA-leider – Buma, Heerma, De Jonge – ervoeren dat alle keuzes rond Omtzigt gevoelig zijn. Toch wijst veel erop dat Hoekstra kiest voor Heerma.

Zo kunnen alle trivia niet wegnemen dat deze gedepolitiseerde campagne twee werkelijkheden voor de grootste partij creëren.

Voorlopig koerst de VVD onbedreigd af op een veilige zege. Tegelijk versterkt haar depolitiserende tactiek het teleurstellende resultaat van zoveel potentiële coalitiepartners (CDA, GroenLinks, SP, PvdA) dat regeren voor de VVD niet makkelijker wordt. Zeker nu twee andere vermoedelijke winnaars onder de gouvernementele partijen (D66 en CU) sceptisch zijn met elkaar verder te gaan.

Het gevolg is dat ze in partijen al pseudo-openlijk spreken over Rutte IV als tussenkabinet, dat uit elkaar valt zodra corona niet meer noopt tot afremming van de economie en het maatschappelijk verkeer. Zo beschreef NRC vrijdag hoe ze in de wereld van Hoekstra nu al spreken over een nieuwe aanval op het Torentje na de val van Rutte IV.

Het laat zien hoe beperkt de waarde van deze depolitiserende campagne kan blijken te zijn. Al tijdens Rutte III ontstond in Den Haag een bredere wens om van Rutte af te komen, deze campagne haalt daar tijdelijk een streep doorheen, maar die wens is daarmee niet weg.

Nog deze week beklaagde Hoekstra zich tegen nu.nl over het „richtingloze liberalisme’’ van de VVD onder Rutte. Kaag zei in het AD: „Ik zet me af tegen tien jaar planloos VVD-beleid.’’

Als dat je twee meest voor de hand liggende coalitiepartners zijn, zul je hard moeten werken om weer tot een stabiel bestuur te komen. Niet voor niets blijven sommige liberalen beducht voor een kabinet zonder de VVD – CDA en D66 die over links gaan. En toeval of niet: daar hintte CU-voorman deze week dus ook op.