Recensie

Recensie Boeken

Polderend gaat de democratie ten onder

Nederlandse politiek Twee Leidse wetenschappers laten zien hoe het landsbestuur is vastgelopen als gevolg van zelfgenoegzaamheid en vervreemding van zijn wezenlijke taken.
Premier Rutte op weg naar het spoeddebat over de avondklok, op 18 februari.
Premier Rutte op weg naar het spoeddebat over de avondklok, op 18 februari. Foto: David van Dam

Nog altijd is de Haagse gifbeker niet leeg. Want weer een ‘weg-met-ons’ rapport. Deze keer was het een parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van het Tweede Kamerlid André Bosman (VVD) die vorige week het mes in eigen vlees mocht steken. ‘Het ontbreekt de Tweede Kamer aan interesse, kennis en informatie om haar medewetgevende en controlerende taken ten aanzien van de uitvoering optimaal te vervullen’, zo luidt een van de conclusies over het eigen functioneren.

Weg met ons zei eerder ook al premier Mark Rutte (VVD) toen hij in januari het ontslag van zijn kabinet aanbood. Dit als reactie op het rapport van weer een andere Tweede Kamercommissie, over de kindertoeslagaffaire, dat volgens Rutte een ‘ontluisterend beeld’ bevatte van ‘ernstige tekortkomingen en fouten bij de wetgever, de ministeries, de rechtspraak en het kabinet’.

Niet eerder leek het landsbestuur enkele weken voor verkiezingen zo’n gehavende indruk te maken. Een eigenzinnig kabinet dat jarenlang doof en blind is voor signalen dat zaken fout lopen en een niet functionerende Tweede Kamer die het kabinet vergeet te controleren en te corrigeren. Het is een tamelijk desastreuze combinatie.

Gelukkig maar dat het coronavirus en al zijn gevolgen alle andere ellende doen vergeten. Vandaar dat het bestuurlijke slagveld ondanks de grove gesignaleerde en aanwijsbare tekortkomingen er in de publieke opinie vrij rustig bij ligt. Of is het de schijn die bedriegt? Het spreekwoord zegt: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Hoe gegarandeerd is nog het vertrouwen in het openbaar bestuur dat zichzelf zo’n brevet van onvermogen heeft gegeven? Een door het publieke ongenoegen gevoede stemmingswisseling – bijvoorbeeld omdat het land het nu wel heeft gehad met al die door corona opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen – kan dan heel snel leiden tot een heftige vertrouwensbreuk, met onvoorziene gevolgen.

Hoogste opkomst

Aan de andere kant: wordt er niet altijd geklaagd over ‘Den Haag’ en gewaarschuwd voor een verlies aan vertrouwen? Meters boekenplank kunnen worden gevuld door boeken en studies met onheilspellende titels die als gemeenschappelijke noemer hebben dat de democratie dan wel ‘het systeem’ in gevaar is. De Leidse politicoloog en historicus Ruud Koole herintroduceert hiervoor in zijn onlangs verschenen boek Twee pijlers zelfs een toepasselijke term: vervalvertoog. Een woord afkomstig van de historicus Piet de Rooy die het gebruikte in een reactie op het opzienbarende artikel dat de Rotterdamse hoogleraar Jacques Oerlemans in 1990 – 31 jaar geleden dus – op de opiniepagina van NRC Handelsblad schreef onder de alarmistische titel ‘Eén-partijstaat Nederland’. Oerlemans had met zijn stuk, enkele maanden na de val van de Berlijnse Muur, het ‘momentum’ mee. Terugblikkend zegt Koole dat toen de aanzet is gegeven voor een beweging, onder zowel linkse als rechtse commentatoren, die vond dat ‘de politiek niets meer goed leek te kunnen doen’.

Het heeft de critici flink beziggehouden zonder dat het vermaledijde systeem of de gelaakte cultuur maar enigszins veranderde. En de kiezer? Die ging telkens trouw naar de stembus. De laatste Tweede Kamerverkiezingen, die van 2017, gaven met 81,7 procent het hoogste opkomstpercentage sinds 1986 te zien.

Partijtrouw is een ander verhaal. De vaste aanhang van partijen slinkt steeds verder. Kiezers hoppen massaal van de ene naar de andere partij. Maar van afkeer van de politiek of van Verdrossenheit zoals dat eind vorige eeuw in Duitsland werd genoemd, lijkt geen sprake.

Maar misschien is dat juist wel het gevaar. Dat het vertrouwen als gevolg van het disfunctioneren van de overheid en zijn bestuurders stilletjes steeds verder erodeert en er zo een klimaat ontstaat waardoor een volk ‘in woede ontsteekt’ dan wel ‘wegzinkt in apathie’, zo waarschuwt Koole vrij naar de Franse Verlichtingsfilosoof Montesquieu. Op zo’n moment komt het erop aan hoe ‘robuust’ de instituties die de democratie dragen nog zijn.

Paalrot

Het is de kernvraag in het boek van de inmiddels met emeritaat zijnde Koole waarin hij op zoek gaat naar het ‘wankele evenwicht’ in de democratische rechtstaat. Zijn speurtocht is uitgemond in een theoretische, historische, filosofische maar bovenal gedegen beschouwing over het bestuurlijke stelsel dat met het begrip rechtsstaat in één woord wordt samengevat.

Koole onderzocht de twee pijlers waarop de rechtstaat rust: de electorale, waar via verkiezingen het volk het voor het zeggen heeft, en de niet-electorale pijler met daarin een zeer belangrijke plaats voor de rechterlijke macht. Beide steunpilaren vertonen de nodige structurele gebreken en moeten verstevigd worden, is zijn conclusie.

Kooles Leidse collega, hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans stelt het in zijn recent verschenen boek Het land moet bestuurd worden wat plastischer om tot hetzelfde oordeel te komen. Hij heeft het over ‘paalrot’ in de pijlers en hekelt de onaantastbare vanzelfsprekendheid die zich in het denken van politici en bestuurders is gaan vastzetten waardoor de aandrang om zaken te veranderen minimaal is.

Hij wil, schrijft Voermans in de inleiding, met zijn boek proberen de ‘raadselachtige aard’ van het Nederlandse bestuur en zijn polderbestuurders te begrijpen. ‘Hoe kan het dat in een land van minderheden, waar oplossingen worden gepolderd en voortdurend moet worden onderhandeld en overlegd toch daadkrachtig wordt bestuurd?’

Machiavelli

Om tot het slechts gedeeltelijke antwoord op zijn vraag te komen slaat Voermans vele zijpaden in waardoor het boek een soms chaotisch karakter krijgt. Hij wil te veel beweren en vooral vertellen met zijn tijdens de gedwongen corona-opsluiting geschreven boek. Voermans springt van Rutte naar Machiavelli, doet ondertussen historische politieke evenbeelden aan, beschrijft hoe hij ‘dasloos, twee boordknopen open, jasje met aanstellerig pochet’ op zondag aanzit bij het tv-programma Buitenhof, voert een vendetta met de ‘rasechte regent’ Piet Hein Donner om aan het slot tot de slotsom te komen dat Nederland ‘gemiddeld genomen door goed volk wordt geleid. Verantwoordelijk, hardwerkend en goudeerlijk’.

Het is een compliment met een wrange bijsmaak. Want dat ‘goede volk’, zo toont Voermans op diverse plekken in zijn boek overtuigend aan, is onderdeel van een ‘bestuursstaat’ die alleen maar kan gedijen als er zoveel mogelijk wordt gedepolitiseerd. Op termijn kunnen de gevolgen hiervan volgens hem structureler, verstrekkender en permanenter zijn dan die van de dagkoersen van publieke tevredenheid met geleverde overheidsdiensten. Het gaat ten koste van de democratische rechtsorde met gevolgen voor de aanvaardbaarheid van beleid en het zal leiden tot bestuurlijke verblinding doordat bestuurders alleen nog maar met elkaar bezig zijn. Nederland moet volgens Voermans oppassen niet op een ‘gevaarlijk glijdende schaal te raken waarbij door onnavolgbaar optreden van de overheid het vertrouwen van burgers langzaam wegebt’ en het parlement ‘meer en meer als een gezichtsloze machine wordt ervaren’.

Het is een weinig optimistisch beeld dat beide Leidse wetenschappers schetsen. Koole en Voermans wijzen in hun boeken op dezelfde gevaren. Er dreigt vervreemding. Vervolgens is afkeer van de politiek en de rechtsstatelijke instituties niet ver meer weg. Laat het een waarschuwing zijn voor het selecte gezelschap dat straks na de verkiezingen een regeerakkoord in elkaar gaat sleutelen.