Nonsens en gein, met boodschap

Iedereen Leest Op deze plek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. De bestsellerserie De waanzinnige boomhut is aanbeland bij verdieping 130. Opnieuw vol speelse verbeelding.

Toen de 11-jarige YouTuber Roxy in een interview aan kinderboekenschrijver Andy Griffiths vroeg wat lezers konden verwachten van De waanzinnige boomhut van 130 verdiepingen, het tiende deel in de bestseller-reeks, antwoordde hij: „Ze kunnen, zoals gebruikelijk, het onverwachte verwachten.”

Griffiths, een tanige, kortgeschoren Australiër met pretogen, elfachtige puntoren en de gedachtekronkels van een zevenjarige, begon uit te leggen dat er in negen delen al zó veel gebeurd was – er was door de tijd gereisd, gevochten tegen groenten, naar de bodem van de zee gereisd, een oneindig trappenhuis beklommen – maar het bovenaardse was nog onontgonnen terrein. Het „leek [hem] leuk” om eens een ruimtereis te maken: hij zag de gigantische boom al voor zich, zwevend door het luchtledige, „gevangen genomen door een gigantische vliegende oogbol”, op weg naar een „intergalactisch ruimte-avontuur”.

Het is als koken met ingrediënten uit een halfleeg gesnaaide koelkast

Het leek hem leuk – dat klinkt willekeurig, maar tja, waarom niet? Roxy stelde geen vervolgvragen – want dat is typisch iets voor een volwassene, terwijl een kind allang snapte wat Griffiths vervolgens nog even toelichtte: „Het wezen van de boomhut is dat alles kan gebeuren, alles is mogelijk, dus het is niet moeilijk om dertien nieuwe verdiepingen te bedenken voor ieder nieuw boek. En terwijl ik dat doe, suggereren de nieuwe verdiepingen wat er gaat gebeuren in het boek.”

Dat klinkt misschien niet als een briljante werkwijze, maar het is bij De waanzinnige boomhut best betekenisvol. Het is als koken met ingrediënten die je aantreft in een halfleeg gesnaaide koelkast. Of beter, want meer op kinderniveau: het is als spelen met het speelgoed dat toevallig voorhanden is. Autootjes én een knuffel, wattenstaafjes, modder en een pannendeksel. Het begint met willekeur en eindigt met een verhaal.

Griffiths schrijft zoals een kind speelt, dus met alle ruimte voor het onverwachte. Het begint met een vlieg die over de pagina’s zoemt, superirritant, en waartegen zelfs een vliegenkanon en laserogen niet helpen, en even later zijn hoofdpersonages Andy en Terry verzeild in een „intergalactische op-leven-en-dood-wedstrijd”, na een knotsgek muzikaal intermezzo (het lied ‘Er zit een gat in mijn emmer’) en een opsomming van alle afleveringen van de tv-serie Olifant op een fiets.

Lang niet alle ingrediënten halen de soep, overigens: de tijdverspilverdieping (met grote hoeveelheden bubbeltjesplastic) komt van pas bij een lange ruimtereis en de Grijpinator („die alles altijd overal vandaan kan grijpen”) heeft een glansrol als deus ex machina, maar de iglo van 13 verdiepingen blijft het hele boek vacant. Het verraadt toch enige sturing: niet voor álles ruimt Griffiths plek in, als het niet in het verhaal past.

Verwacht van De waanzinnige boomhut van 130 verdiepingen dus weer nonsens en gein, een verhaal zoals een kind het maakt. Daarmee vertolkt het op metaniveau ook, zoals gebruikelijk, de Boomhut-boodschap: dat je met niks én een speelse verbeelding een leuke tijd kunt hebben.

Reacties: boeken@nrc.nl