Recensie

Recensie Boeken

De debuutroman (●●●●●) van Sofie Lakmaker kan best een hit worden

Sofie Lakmaker De debuutroman van Sofie Lakmaker is een vurig verhaal, nietsontziend en grappig – zo smeuïg geschreven dat je erdoorheen vliegt.

Sofie Lakmaker
Sofie Lakmaker Willemieke Kars

De debuutroman van Sofie Lakmaker heeft het in zich om een hit te worden – omdat het een vurig verhaal is, nietsontziend en grappig, zo smeuïg geschreven dat je erdoorheen vliegt. Je zou bijna de kwetsbare eerlijkheid en ernst, en de fijnzinnigheid, over het hoofd zien. Al piept daarvan net genoeg door het cabareteske harnas waarin Sofie Lakmaker (1994) zich zo comfortabel hult. De verteller, een Amsterdamse millennial, voelt zich onvrouwelijk, valt op vrouwen en weet niet waar het heen moet. Dus vertelt ze maar raak over haar rommelige (seks)leven: mannen, vrouwen, niemand, eenzaamheid, angst – en veel geinige anekdotes.

‘Ik weet niet of jij nu heel zelfverzekerd bent, of juist heel onzeker’, zegt een vriendin op een van de momenten in de roman die je doen opveren. Een voltreffer, omdat de verteller zo heerlijk op haar praatstoel zit. Dat kletsgemak, beseffen we dan, zou een teken van onzekerheid kunnen zijn, een overschreeuwreactie, om haar kwetsbaarheid te verhullen.

Zo’n helder moment is ook haar conclusie na het eerste deel. Dat bestond uit veel actie (seks) en weinig reflectie: ‘In wezen is zwijgen mijn specialiteit, en als ik het doe, heb ik het liefst geen kleren aan.’ En veelzeggend is ook haar vergelijking tussen het spel van voetballer Lucas Andersen en hoe ze lesbische seks ziet: ‘Verschrikkelijk veel voorspel, echt verschrikkelijk veel voorspel, waarna er op een gegeven moment zoveel omtrekkende bewegingen zijn gemaakt dat je eigenlijk niet langer begrijpt waar dit ooit naartoe hoorde te gaan. In zekere zin voetbalde Lucas Andersen zoals ik schrijf.’ Op die toon, prikkelend en prikkend, deelt ze ook feministische tikken uit.

Maar vooral is er die onbekommerde schelmentoon, die je evenzeer kan smaken als op de zenuwen werken. Lakmaker kleurt haar verhalen volledig in, zet de boel aan, hengelt naar bevestiging van haar toehoorders (‘Kun je het je voorstellen?’), verbijsterd als ze is over de belachelijke wereld en de rol van haar vroegere zelf daarin: ‘Helemaal nooit heb ik hem aangesproken op al zijn wandaden. Dat komt doordat ik uit een heel specifiek soort hout gesneden ben: fineerhout van de IKEA – het laagste en meest laffe soort.’

Connie Palmen

Dat is eigenlijk net te bedacht, te veel, er net náást. Waarbij je dan wel moet opmerken dat dat net het onderwerp van de roman is: ‘Eigenlijk heb ik overal naast gezeten. Naast de jongens en naast de meisjes, naast het juiste antwoord en nog belangrijker: naast de juiste vraag.’ Je moet het zo zien: de overdrijving blijkt een listige techniek. Zoals iedereen die haar ziet denkt dat ze een jongen van vijftien is, zo lijkt Lakmaker in haar proza naïever en stunteliger dan ze (inmiddels, schrijvend) is. Zeggen dat ze The Catcher in the Rye niet heeft gelezen en dan schelden op alle nep? I see what you did there.

En met de laatste 25 bladzijden brengt ze alles ineens in een volmaakt evenwicht. ‘Geloof het of niet, maar mijn moeder was dus echt dit hele verhaal lang ziek’, begint het slothoofdstuk. Zoals Connie Palmen deed in I.M., zo maakt Lakmaker haar relaas op de valreep diep ontroerend. De vrolijke baldadigheid van eerder voelt dan als een onontkoombare literaire keuze, die vorm en inhoud op één lijn brengt. Haar harnas en die wil om op te gaan in de liefde, te verdwijnen, hadden een reden. De waarheid van het leven herkent ze in een biologische winkel: ‘Er gaan alleen mensen heen die een tastbaar bewijs nodig hebben dat er helemaal niets te begrijpen valt, en daarom zeven euro willen afrekenen voor een pak pasta.’ Haar moeder is dan net overleden.