Recensie

Recensie

Familiesporen in een zinkende stad

Nederlands-Indië Aan de hand van zijn voorvaderen schreef Philip Dröge de geschiedenis van Batavia/Jakarta, genaamd ‘de grote doerian’, in een verfrissend, spannend reisverslag, waarin schandelijkheden niet konden ontbreken.
Batavia.
Batavia. Illustratie ANP

Philip Dröge is het type verteller dat men zich als leraar geschiedenis zou wensen. De brede blik, meeslepende verhalen, elk nieuw lesuur weer een feest. In zijn De schaduw van Tambora (2015) lazen we over de verregaande gevolgen van een vulkaanuitbarsting in het verre Indië in 1815, tot en met de Duitse uitvinding van de loopfiets. Zijn Moresnet (2016) beschreef een in de na-Napoleontische herindeling van Europa vergeten gebiedje vlak onder Limburg. Met aansluitend het verhaal hoe dit twee broers uit deze minieme taartpunt in de Eerste Wereldoorlog aan weerszijden van het front deed vechten.

Eenzelfde methode vinden we in Dröge’s nieuwste: Moederstad. Jakarta, een familiegeschiedenis. Aan de hand van zijn genetisch bonte rij voorvaderen lezen we de geschiedenis van de stad Batavia/Jakarta. We zien Philip Dröge onvermoeibaar familiesporen nalopen in een stad waar je niet wilt wezen: moederstad Jakarta ‘staat in de top vijf van vrijwel alle verkeerde lijstjes’. Oorverdovend, walmend verkeer: de luchtkwaliteit is er zo slecht ‘dat wetenschappers het effect op de menselijke longen daadwerkelijk in gerookte peuken uitdrukken: de Berkeley Earth Cigarette Equivalent’.

Veertig procent van de stad ligt al onder de zeespiegel, de bodem daalt steeds sneller: voortdurende overstromingen, verdikt met fecale modder uit lekkende, vergeten en overgelopen septische tanks. Overal vuilnisbeltjes, overal stank, Dröge noteert een geurvlag alsof iemand een aangesneden galblaas zomers te lang buiten de koelkast heeft bewaard.

In navolging van New Yorkers met hun big apple noemen inwoners van Jakarta hun stad ‘de grote doerian’: een foto van deze hoogst onwelriekende stekelvrucht prijkt passend op het omslag van Dröge’s Moederstad. Afgezien van de toestand van Jakarta (naar schatting ruim dertig miljoen inwoners) en het respect voor de op zijn GPS koersende, vaak wandelende auteur, pakt alle beschreven ellende goed uit voor het boek. Het geeft soms zelfs glans aan minieme sporen: ‘Een flap klei met een paar grassprietjes erop. Het ligt overvol met plastic afval. Hier een sportschoen, daar een kapotte emmer. Heel, heel veel zakjes. Hij harkt er met zijn sandaal een beetje doorheen en peurt. Dan pakt hij een scherf op. ‘Verdomd, Delfts blauw.’

Genenwaaier

Jakarta is niet alleen voor veel Indonesiërs ibu kota (‘moederstad’), ook moeder Dröge heeft er haar kinderjaren doorgebracht, toen het nog Batavia heette. Dröge zelf heeft Aziatische trekken, en wil weten waar die vandaan komen. Gaande het boek vouwt zijn genenwaaier zich steeds breder uit: Schotten, Fransen, Rijnlanders, bloed uit China, Java, Soembawa – via dat laatstgenoemde eiland blijkt Dröge zelf over een of meer genen van Papoea’s te beschikken. De seksuele moraal der kolonialen leverde in al die eeuwen van overheersing een historische stoet aan al dan niet erkend nageslacht. Aan de hand van zijn extended family is Philip Dröge dan ook in staat Jakarta door de eeuwen heen te beschrijven van J.P. Coen, via VOC (opkomst, bloei, verval), Gouverneur-Generaal Daendels en Jappenkampen tot aan tegenwoordig.

Vanzelfsprekend komen heel wat schandelijkheden voorbij: slavenhandel, slachtpartijen (bijvoorbeeld de Chinezenmoord ofwel ‘Bataviase Furie’ van 1740). Dröge doet aan dat alles geen jota af, en geeft vaak saillante details: ‘Verkocht een stadsbewoner een slaaf aan iemand anders, dan moest hij met de kwitantie naar de notaris. Die controleerde dat christenen niet verkochten aan Joden, moslims en hindoes, want dat vonden de vroede vaderen blasfemisch.’

Behartigenswaardige conclusies trekt hij ook in dit verband: ‘Ik kom uit een geslacht van daders én slachtoffers. Er zijn zoveel slaven geweest in de afgelopen eeuwen en je hebt zoveel voorouders, er zit altijd wel een overgrootmoeder in ketens tussen. Mocht het ooit tot herstelbetalingen voor de slavernij komen, dan kan ik het geld van mijn broekzak naar mijn vestzak overhevelen. Het toont aan hoe krankzinnig het is om het verleden te behandelen in de rechtszaal van de actualiteit.’

Executie

Er wordt wel eens geklaagd over de bronnen waarop Dröge zijn boeken baseert. In geschiedkundig tijdschrift Historiek boog een statisticus zich na lezing van De schaduw van Tambora over klimatologische feiten en cijfers, en niet alles klopte. In Moederstad zegt Dröge zelf dat hij een mooi verhaal niet dood wil checken. Hij maakt achterin zijn boek wel degelijk melding van de herkomst van zijn gegevens.

In tegenstelling tot veel Indië-boeken ontbreekt bij Dröge het tempoe doeloe (‘die goeie ouwe tijd’). Bij alle smerigheid in Moederstad mag men dat verfrissend noemen. Enige nostalgie treffen we toch nog in Dröge’s laatste hoofdstuk aan: ’Wat te doen met eiland Onrust?’ Het betreft hier ‘een van de koraalpukkels die als gestrooide pepernoten her en der in de Baai van Jakarta liggen.’ Het stadsbestuur wil er een historische attractie van maken, als uiting van de tegenwoordige behoefte aan ‘historische beleving’. Het eiland is van alles geweest. ‘Scheepswerf, overslagstation, gevangenis, executieplaats, quarantainestation, verzamelplaats voor islamitische pelgrims, ziekenhuis en concentratiekamp.’ En, aldus Philip Dröge: ‘Onrust was het laatste wat Nederlands-Indiërs van Batavia zagen.’

Moederstad is een spannend reisverhaal over hoe ‘ons’ Batavia was, en hoe het moest worden. Hoe het verder gaat? De stad zakt met haar dertig miljoen bewoners langzaam weg in eigen stront en modder. Er lijkt geen redden aan.