Recensie

Recensie Boeken

Een knappe en knisperende debuutroman (●●●●)

Helena Hoogenkamp Dit schrijnende debuut over een opgroeiende vrouw onderscheidt zich met een knisperende stijl en sterke, suggestieve beelden.

Helena Hoogenkamp
Helena Hoogenkamp Stephan Vanfleteren

Het leven zit tegen, maar gelukkig is er nog het aanbidden van Louis Claus. Debutant Helena Hoogenkamp (1986) brengt dat gevoel treffend over, in zinnen die veel tonen en weinig benoemen. Louis heeft bijvoorbeeld borsthaar om bij weg te dromen: ‘Het schitterde donker en scherp op zijn klamme borst, ik wilde het ontwarren als een ouderwets telefoonsnoer.’ En een thuissituatie om jaloers op te zijn: ‘Geen sarcasme, geen verborgen kritiek in goedbedoelde opmerkingen.’ Hij is ook nog teder na de seks: ‘Het washandje dat Louis me brengt is lauw, hij heeft het kraanwater eerst op laten warmen.’

Ik-verteller Carla is veertien en Louis is haar toevluchtsoord, want vader is druk, moeder is woedend over haar ziekte. En haar zus is vertrokken naar een kraakpand, boos ‘dat we overal buiten werden gehouden. Waarbuiten? dacht ik en hoorde door de muur heen dat mijn moeder kanker had. Stil bleef ik op bed liggen wachten tot ze het mij kwamen vertellen en viel in slaap.’ Dat schrijnt. Carla is in de snelkookpan die haar leven is al volwassen aan het worden, maar daar nog niet helemaal voor toegerust, kinderlijk als ze ook nog is: ‘Tegenover de cacaofabriek steek ik mijn tong uit om de chocoladedeeltjes in de lucht te vangen.’ Je kunt wel mooie voorbeelden blijven citeren.

Jeugd, tegenslag, opgroeien: het is de materie waaruit veel literaire debuten zijn opgebouwd, maar Hoogenkamp steekt er bovenuit met haar knisperende stijl en haar knappe dosering. Dat ze al toneelstukken schreef kun je merken, ze weet hoe je een verhaal moet opbouwen, ze beheerst de kracht van de suggestie en laat scènebeelden en motieven mooi subtiel terugkeren. Ze laat haar personages afwisselend hard, onbeholpen en teder zijn – in die mix doet Het aanbidden van Louis Claus denken aan het werk van Nina Polak.

Pijnlijk

Tegelijk gaat Hoogenkamps debuut ook over meer dan groeipijn. Na het eerste deel, waar Carla veertien is, schakelen we naar vijftien jaar later, als ze een vaste relatie heeft (met een vrouw), haar moeder net overleden is en Louis Claus een acteur is die ineens op het grote doek opduikt. Meer is niet nodig om Carla uit haar evenwicht te brengen: ze raakt weer in contact met Louis, waar meteen intimiteit van komt, wat Hoogenkamp dan met deze verrassende omweg beschrijft: ‘Er zitten koudevelletjes rond zijn lippen, die tegen de mijne schuren. Elk velletje is een naaldje.’

Schrijnende intimiteit: de liefde waarin Carla wil verdwijnen is ook een onderwerping. Wie vlucht in aanbidding, riskeert zelfverlies, en toch voelt de vlucht in aanbidding van deze vrouw als onafwendbaar. Dat is confronterend: Het aanbidden van Louis Claus vertelt subtiel, aanvankelijk nog als een ongemerkte onderstroom, over de wording van een vrouw: de specifieke vrouw Carla, maar via haar ‘de vrouw’ als maatschappelijke rol. Door de hele roman komen scènes voor waarin man-vrouwverhoudingen getoond worden (voor wie ze wil opmerken), situaties waarin door mannen beheerst en door vrouwen berust wordt. Hoe vormend die verhoudingen zijn, daar komt de volwassen Carla in de tweede helft van de roman steeds meer achter.

Daarmee legt Het aanbidden van Louis Claus iets pijnlijks én doodgewoons bloot, zonder dat Hoogenkamp het in je gezicht schreeuwt. In literaire zin is dat mooi en effectief en terecht, en inhoudelijk heeft het ook weer iets schrijnends – knap.