Ook op de ambulance was het een compleet ander jaar

Ambulancemedewerkers

Een Covidrit, inclusief pak aantrekken en grondig schoonmaken, wordt routine. De verpleegkundigen van Ambulance Amsterdam missen inmiddels zelfs de toeristen. En: mensen vinden het nog steeds eng om te bellen, denken ze. „Ik weet zeker dat er heel veel mensen dood in hun woning liggen.”
Hans Schuitmaker en Annemiek Valent van Ambulance Amsterdam trekken hun Covidpak aan.
Hans Schuitmaker en Annemiek Valent van Ambulance Amsterdam trekken hun Covidpak aan. Foto Roger Cremers

„We hebben één minuut uitruktijd, hè.” Ambulanceverpleegkundige Hans Schuitmaker (33) benadrukt het nog maar even, terwijl hij het witte pak aan doet, blauwe handschoenen aantrekt en bril op zet. Twee paar handschoenen, want ze mogen een eventueel besmet pak niet met eigen handen aanraken. Het kost hem en zijn collega Annemiek Valent (51) ten minste twee minuten.

Het is zaterdagavond, eind februari, ruim een uur voor de avondklok in gaat. Het Leidseplein is rustig. Niks geen alcohol, drugs of vechtpartij. Niemand die dronken met zijn fietswiel in de tramrails is blijven steken. Waar Ambulance Amsterdam voorheen de handen vol had aan het uitgaansgebied, komen ze er nu nauwelijks meer, zegt Schuitmaker. Ja, nu even, voor de foto, die buiten diensttijd gemaakt moest worden. Een reportage op de ambulance zat er voor NRC niet in.

Ze zijn inmiddels gevaccineerd, maar voor alle Covid-verdachte ritten moeten ze nog steeds volledig verpakt op pad. Voor de regio Amsterdam zijn dat nog altijd gemiddeld 300 tot 350 ritten per week. „Maanmannetjes zijn we, vreselijk”, zegt Schuitmaker, poserend voor de ronkende ambulancewagen. „In het begin was het nog nieuw en spannend, nu word je het weleens zat, het hele gedoe.” Valent: „En je kunt niets met je mimiek. Alleen met je ogen, achter een beslagen bril. Soms schrokken mensen zo, dat ze ons niet binnen wilden hebben. En vooral in de eerste golf zijn we aan de lopende band gefilmd.”

‘Fake nieuws!’, roept een jongen

Ook nu trekken ze aandacht. Een groepje jongeren maakt een selfie. „Kijk eens aan, het wordt helemaal nagemaakt”, roept een jongen, die het gebeuren met zijn telefoon filmt. Met begeleidend commentaar. „Midden op het Leidseplein, alsof Covid gevaarlijk is. Een heel sterk staaltje fake nieuws.” Het filmpje gaat later viraal. De verpleegkundigen negeren het. Of althans, de reactie in het Covidpak is niet te peilen. „Die kom ik straks vanzelf weer tegen”, zegt Schuitmaker later droogjes.

Dit soort Covid-ontkenners komen ze regelmatig tegen. Heel intimiderend soms, zegt Valent, die al veertien jaar op de ambulance zit. „Die weten niet waar ze over praten. Rij een dagje met ons mee, denk ik dan.”

Lees ook: De nasleep van corona: als het sportklasje op tv nog steeds te veel is

Maar ze had veel erger verwacht. „Vooral nu we geen naasten van een patiënt meer mee mogen nemen; behalve als het om kinderen gaat.” Ze zijn ook wel wat gewend in hun werk. Allebei incasseerden ze klappen in het verleden. Valent „uit het niets”, van een zieke patiënt, liggend op bed. Schuitmaker werd eens tegen de grond geslagen door een toerist, die te veel had gebruikt. Sommige boosheid snapt hij zelfs wel. „Als mensen in paniek zijn, duren de paar minuten dat we onderweg zijn, natuurlijk een eeuwigheid.”

Sowieso zijn de tijden veranderd, zegt Schuitmaker, inmiddels zes jaar in het vak. „Mensen worden bijdehanter, eisen meer. Sommigen weten precies wat ze moeten zeggen om een ambulance te krijgen. Dan bellen ze met pijn op de borst en een wondje aan het scheenbeen. Dan plak je een pleister, en is die pijn er opeens niet meer. Heb ik niet gezegd, horen we dan. In zo’n situatie spreekt mijn gezicht boekdelen”, grinnikt hij. „Dan is zo’n Covidpak wel weer handig.”

„Vorige week nog vroeg iemand of de wagen wel schoongemaakt was”, lacht ook Valent. „Wat denken ze!” Minutieus, snuift Schuitmaker. „Alle hoeken en naadjes moeten we aflappen met alcohol en chloor. Acht minuten extra werk per rit”, weet hij. „Maar geen haast in een pandemie. Als wij ziek worden, wie rijdt er dan?” Alleen de chauffeurscabine slaan ze over – daar dus ook géén gebruikte pakken. „Al die knopjes ook nog schoonhouden? Niet te doen.”

Foto Roger Cremers

Anderhalve meter is lastig

De anderhalve meter vinden ze lastiger. Schuitmaker: „Ik sla graag een arm om iemand heen, als die net een geliefde is verloren, maar dat kan niet.” Zoals laatst een vrouw van 83. Reanimatie van haar man mocht niet meer baten. „Ze stond daar, met haar verdriet, na een heel lang leven samen. Nergens staat geschreven hoe je alleen verder moet. Dan ga ik graag even naast zo iemand zitten. Het went heus wel dat je geen arm kan geven, maar het blijft vreemd.”

Tijdens de eerste golf vanaf maart vorig jaar deden ze alleen maar Covidritten. Heel zwaar, herinnert Valent zich. „Want niemand wist iets over de ziekte. Wij ook niet. Maar we moesten wel steeds die woningen in, waar we alleen maar doodzieke mensen aantroffen. De meesten bijna dood ook, want mensen belden steevast te laat.” Waar gaat dit heen, dacht ze continu. „Het maakte ons ontzettend onzeker. Ben blij dat we inmiddels gevaccineerd zijn.”

Nu is de Covidrit routine. Op het saaie af. „Nooit gedacht dat ik het zou zeggen”, grinnikt Schuitmaker, „maar ik mis die toeristen met hun gekkigheden.” Ja, ook als ze de ambulance bellen na een avond te veel drank en drugs. „Ook dan bied je graag hulp, als dat ze van hun stokkie gaan, dat was natuurlijk ook niet de bedoeling.”

Hans Schuitmaker (links) en Annemiek Valent van Ambulance Amsterdam: „Maanmannetjes zijn we, vreselijk.” Foto Roger Cremers

Op het plein blijft het verder rustig, op wat kuierende mensen na. Een voorbij fietsende maaltijdbezorger kijkt even vragend op bij het zien van de ronkende ambulance. De verpleegkundigen mogen dan geen dienst hebben, „als er nu iemand omvalt, onderbreken we de fotosessie natuurlijk wel even”. En dan, wijzend naar de bewakingscamera boven zijn hoofd: „De meldkamer weet dat we hier staan.” Valent: „Ik heb mijn handschoenen alvast in m’n zak gestopt.”

Nu er op straat nog maar weinig gebeurt, komen de ambulanceverpleegkundigen relatief vaker achter de voordeur. Logisch, zegt Schuitmaker. „Wat mensen voorheen in het café of op straat deden, doen ze nu thuis”, doelend op drugs en alcoholgebruik. En er wordt heel veel thuis gebruikt, zegt ook Valent. „Laatst vertelde een bolletjesslikker ons tijdens een overplaatsing vanuit het ziekenhuis dat hij nog nooit zoveel coke had verkocht als nu.”

Papa laveloos op de bank

En ja, er zijn meer signalen van huiselijk geweld, al hebben ze geen cijfers. Schuitmaker: „Iedereen zit opgehokt thuis en je ziet de frustratie oplopen. Dat merken wij ook. Bijvoorbeeld dat papa laveloos op de bank ligt, terwijl de kinderen boven liggen te slapen. We moeten heel alert zijn op bijvoorbeeld kindermishandeling.”

De hersenbloedingen en hartinfarcten, die we normaal elke dag wel hebben, waar blijven ze?

Mensen bellen weer vaker 112, maar nog steeds zijn er minder reguliere meldingen. „De hersenbloedingen en hartinfarcten, die we normaliter elke dag wel hebben, waar blijven ze?”, vraagt Valent zich af. Sommige diensten zijn nog steeds bijna 100 procent ‘Covid’, al verschilt dat per week en per gebied. „Vinden mensen het nog steeds eng? Ik ben ervan overtuigd dat er – zonder dat we dat weten – nog heel veel mensen dood in hun woningen liggen.”

Dit zijn de zwarte kanten van onze maatschappij en het werk, zegt ook Schuitmaker. „We komen trieste dingen tegen, dan schaam je je ook wel eens.” Zo trof hij anderhalf jaar terug een vrouw aan die al tien dagen dood lag op het toilet. Haar dementerende man zat op zijn stoel te wachten op het avondeten. „Zo triest, dat grijpt me aan. Sommige mensen hebben helemaal niets of niemand meer. Dan ben je blij dat er nog iemand belt.”

„We staan heus niet elke dag tot onze enkels in het bloed, zoals mensen nogal eens denken. Maar sommige dingen wennen nooit.” De ongelukken, de zelfmoordpogingen, dat wat „netvliesvervuiling” veroorzaakt. Dan zijn er wel gesprekken nodig. „Want ik moet er bij de volgende casus wel weer kunnen staan.”

Valent kan daar als geen ander over meepraten. Ze werd vijf jaar geleden tijdens een nachtdienst opgeroepen voor een dodelijk ongeluk. Van haar eigen 19-jarige zoon, zo bleek ter plekke. Afgelopen februari verscheen haar boek En dan is het jouw kind dat alles overstijgt. „Dat ik er weer sta, is omdat mijn zoon ongelooflijk trots was op mijn werk”, zegt ze.

Filmen door omstanders: ‘respectloos’

De foto’s zijn klaar. En de pakken zijn weer uit. De filmende nepnieuwsroeper is inmiddels doorgelopen. Dat filmen door omstanders is zijn grootste ergernis, zegt Schuitmaker. „Alsof ze in een bioscoop zitten. Soms zijn het gewoon vaders met hun kinderen erbij. Heel respectloos naar de slachtoffers, vooral als het bij een reanimatie gebeurt.”

In deze tijden zijn ze vooral nationale helden, voegt hij toe. In december kreeg collega Jurian van der Meer namens zijn 600 collega’s in Amsterdam nog een ‘heldenspeld’ van burgemeester Halsema opgeprikt. Schuitmaker: „Ik heb het mooiste beroep. Alle deuren gaan voor je open. Wij zijn die gele flits. Het leven is gered, en je rijdt weer door.”

De ambulance vertrekt vanaf een zo goed als leeg Leidseplein. Foto Roger Cremers

Drukker ondanks avondklok

Ze maken zich op om naar huis te gaan, voor de avondklok in gaat. Beiden houden van de nacht. Schuitmaker: „Er verandert iets als het licht uitgaat, dan is de stad prachtig. Fascinerend vind ik dat.”

Valent had meteen de eerste avond van de avondklok dienst. „Doodstil was het, een heel aparte ervaring.” Wel houden ze hun hart vast de komende weken. Het wordt weer drukker op straat en de lente staat voor de deur. De avondklok is nog steeds van kracht, maar het is lang niet meer zo rustig. Valent: „Ik vind het wel lastig. Ik hou me aan alle maatregelen. En dan zie je mensen dingen doen waar ze zin in hebben. Dan denk ik, kom op nou jongens.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.