Opinie

Zet de camera eens uit bij de videovergadering

Marc Hijink

We zitten te dicht op onze webcams. Als je in het echte leven andermans gezicht zo groot zou zien als tijdens een videovergadering, dan denkt je reptielenbrein dat de persoon tegenover je je wil vermoorden of met je wil paren – al naar gelang de behoefte.

Je gaat toch op een andere manier naar je collega’s kijken na het lezen van het nieuwe onderzoek van Jeremy Bailenson. Deze hoogleraar communicatiewetenschap aan de Stanford-universiteit verdiept zich in de psychologische effecten van videovergaderen via Zoom, WebEx en Microsoft Teams. Of welk ander softwarematig martelwerktuig je werkgever ook voor het thuiswerkersgilde aanschafte.

Zoom fatigue, vermoeidheid door overmatig videovergaderen, werd het afgelopen jaar een volksziekte. Afgaande op de uitgebluste vergadertijgers in mijn omgeving is het medicijn nog niet gevonden.

Videovergaderen is een prachtige uitvinding, goed voor het milieu en goed voor de omzet van Zoom (2,65 miljard dollar in het afgelopen jaar). Maar er valt veel te verbeteren aan de mismatch tussen de digitale wereld en mensen van vlees en bloed. Waar gaat het mis en hoe lossen we het op?

Bailenson constateert vier problemen. De eerste vermoeiende factor is de overdosis oogcontact van mensen die te dichtbij lijken. Starende blikken mijden we liever – denk aan de volle lift waarin iedereen zijn schoenen bestudeert. In een fysieke vergadering voelen deelnemers zich ook veel minder bekeken dan in Zoom, zeker als je niet aan het woord bent.

Lees ook:Videovergaderen doet pijn aan je brein. Zo gaat het beter.

Vergadersoftware zou niet al die gezichten lukraak op elkaar moeten stapelen bij alle gebruikers. En het helpt om verder van je camera te gaan zitten.

Ook vermoeiend: Zoom staat standaard zo ingesteld dat je je eigen videobeeld ziet. Ook al ben je woest aantrekkelijk, de hele dag in de spiegel kijken leidt af en roept zelfkritiek en negatieve gevoelens op. Klik je eigen beeld dus weg; Zoom zou dit de standaardinstelling moeten maken.

Alle deelnemers in de videovergadering zitten gevangen in het frame van hun webcam. Dat levert een derde bezwaar op. Mensen zijn inventiever en meer bij de les als ze actief zijn. Denk aan de schoolkinderen die onderwijs in de buitenlucht krijgen, en beter leren in combinatie met bewegen. Dat is een reden om het cameragebruik te beperken en jezelf af en toe cameravrij te geven tijdens een meeting.

Probleem vier: de non-verbale communicatie bij Zoom of Teams verloopt stroef, vergeleken met onze natuurlijke communicatie. Lichaamstaal werkt niet goed via het scherm. Wie even wegkijkt, lijkt meteen af te haken. En wie instemming wil betuigen, moet overdreven knikken of de duimen tot boven de schouders omhoog steken. Dat kost ‘mentale calorieën’, in de woorden van Bailenson. Ook hier is de oplossing: geef jezelf af en toe een ‘audiopauze’ door de camera uit te zetten.

Videovergaderen is het meest vermoeiend als de luisteraars en spreker niet meer met elkaar verbonden lijken. Ook al kun je video gebruiken, dat wil nog niet zeggen dat het moet, stelt Bailenson. Zeker in kleinere gezelschappen kan de camera beter zo snel mogelijk uit.

Het beste bewijs daarvoor is de telefoon. Ik behoor tot de loopbellers, die graag al pratend simpele taken uitvoeren als koffiezetten of de kat eten geven. Je gaat ervanuit dat de ander alle aandacht heeft voor je woorden, hoewel je weet dat er aan die kant van de lijn misschien net een vaatwasser uitgepakt wordt. Praten zonder camera geeft meer ruimte en meer bewegingsvrijheid – en dat kunnen we in deze tijd maar al te goed gebruiken.

Marc Hijink schrijft op deze plaats elke woensdag over technologie

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.