Recensie

Recensie Strips

Stripcensuur uit angst voor geweld, gescheld en masturbatie

‘Gevaar voor de jeugd’ Omdat jongeren na de oorlog massaal strips gingen lezen, bemoeiden priesters en andere zedenmeesters zich met de inhoud. De Belgische stripkenner Jan Smet beschreef vele gevallen van censuur in de strip.

In Robbedoes werd deze scène gecensureerd. In de niet gecensureerde illustratie kan men wel raden waar de dame mee bezig is.
In Robbedoes werd deze scène gecensureerd. In de niet gecensureerde illustratie kan men wel raden waar de dame mee bezig is. Illustratie Phlippe Aymond & Jean Van Hamme. Lady S. ‘Staatsraison’. Dupuis, 2012.

De scheldende en drinkende kapitein Haddock uit de strips van Kuifje heeft sinds een jaar of twee een twitteraccount, waarbij je dagelijks een tweet met een van zijn creatieve scheldkannonades krijgt: „Bende augurken! Strandschuimer! Duizend granaten!” (@haddocktiert). Vloeken, net als seks en geweld waren taboe toen de populaire Belgische strips als Kuifje en Lucky Luke ontstonden, voor en na de Tweede Wereldoorlog. Vandaar Haddocks zelfbedachte vloeken.

Het waren vooral katholieke uitgevers die, om de jeugd te lokken, strips uitgaven – en zo kwam het dat er eigenlijk altijd een priester meekeek over de schouder van de striptekenaars van de jaren dertig tot zestig in België. En die kerkdienaren bepaalden uiteindelijk wat wel en niet mocht in de strips. De mate waarin dat gebeurde wordt goed duidelijk in het dikke, ruim 500 pagina’s tellende boek Duizend bommen en castraten – censuur in de strip van de Vlaamse stripkenner Jan Smet. Het boek is vooral een uitgebreide reeks van registraties van gevallen waarbij kerk of overheid of andere zedenmeesters ervoor zorgden dat stripmakers hun werk moesten aanpassen.

Zo mochten van de priester van het Belgische uitgeefhuis van tekenaar Morris geen (dansende) vrouwen voorkomen en mocht er niet geschoten worden in zijn cowboystrip Lucky Luke. De Belg Morris stapte over naar een Frans uitgeefhuis – zodat hij wel danseressen in de saloons mocht tekenen. Dat er niet geschoten mocht worden, dat vond zijn Franse tekstschrijver René Goscinny niet zo erg: die had er plezier in creatieve oplossingen te vinden om conflicten in het verhaal zonder de kogel op te lossen, meldt Smet.

Kinderziel

Overigens waren in Frankrijk niet de priesters die de stripmakers inperkten, maar een wettelijke commissie die over de kinderziel in jeugdlectuur waakte. Zo vond de Franse censuurcommissie bijvoorbeeld de stripfiguur Marsupilami, een buideldier met lange staart dat ‘hoeba hop’ roept een gevaar voor de jeugd omdat het een „absurd en denkbeeldig wezen is dat ongearticuleerd geschreeuw aanheft”. De Belgische stripmaker Franquin en uitgever Dupuis protesteerden, en toen mocht er toch een Marsupilamistrip komen – als het beest maar geen hoofdrol kreeg. Je kunt je amper nog voorstellen dat de kerk (en overheid) nog tot in de jaren zestig zoveel invloed had.

Lees ook: Strip over de niet te stoppen verteller René Goscinny

In zijn uitgebreide, vooral thematisch ingedeelde boek (vloeken, vrouwelijk naakt, seks, aids, racisme, seksisme, roken, majesteitschennis, etc.) voert Smet ons langs eindeloze reeksen censuur in allerlei gradaties, met hier en daar voorbeelden in beeld. Hoewel het boek als kern de Belgische strip heeft, waaiert het ook uit naar Frankrijk, Duitsland, Nederland en vooral ook Amerika, waar de strip een grote vlucht nam. Evenzo de puriteinse hysterie. Zo vreesde psychiater Fredric Wertham in de jaren vijftig dat Wonderwoman lesbisch was, en Batman en Robin homo waren – en dat zou de jeugd schaden. Behalve tot geweld, zouden strips jeugdige (mannelijke) lezers ook tot problematische masturbatie kunnen aanzetten, aldus Wertham. Dat moest voorkomen worden. De Amerikaanse stripuitgevers kwamen met een soort zedelijke code, om de verkoop niet in gevaar te brengen.

In de jaren zestig wilden tekenaars ook strips voor volwassenen maken, met ongecensureerde seks en geweld. Stripscenarist Goscinny zag daar weinig in: „Ze willen tekenen voor volwassenen, maar in feite tekenen ze voor jongeren die met één hand lezen.” De vele voorbeeldplaatjes van deels ontblote vrouwen in Smets boek lijken Goscinny’s gelijk te bewijzen. Smets boek bevat toch zoveel soms aardige anekdotes voor de liefhebber, dat het gemis aan een bondige opzet (en een register) op kritiek lijkt van een lid van een bende augurken.