Opinie

De ongelegen herinnering aan het Duitse Rijk

Luuk van Middelaar

Sommige gedenkdagen komen ongelegen: de 150ste stichtingsdag van het Duitse keizerrijk is er zo een. Op 18 januari 1871 kwam de eerste Duitse eenheidsstaat tot stand, als laatkomer onder de moderne natiestaten. Veel pleit voor besmuikt wegkijken. Drie oorlogen had ‘ijzeren kanselier’ Bismarck nodig om vanuit het sterke Pruisen de eenheid van verspreide vorstendommen en steden te smeden: tegen Denemarken (1864), Oostenrijk (1866) en Frankrijk (1870-71). Hij herschikte de Duitse en zo de Europese orde.

De stichtingslocatie alleen al spelde onheil: Versailles. Terwijl zijn troepen het nabije Parijs nog belegerden, werd de Pruisische koning Willem I tot ‘Duitse keizer’ uitgeroepen in de Spiegelzaal van het Franse koningspaleis. Aan de wieg van het Reich ligt de vernedering van de Franse westerbuur, dat Elzas en Lotharingen moest afstaan. Achteraf lijkt er van 1871 een historische boulevard naar de Duitse nazicatastrofe van 1933-45 te lopen, met de Eerste Wereldoorlog halfweg. De in 1918 zegevierende Fransen lieten de Duitse capitulatie in Versailles bezegelen; een vette knipoog naar Bismarck.

Ook de binnenlandse erfenis geeft geen reden tot feestelijke herdenking van de rijksstichting. Vanaf 1830 streefden progressieve liberalen – in Frankfurt, Mannheim, Dresden – vergeefs naar vrijheid én staatkundige eenheid voor het Duitse volk. In 1871 kregen ze eenheid zonder vrijheid. Er kwam algemeen mannenkiesrecht en op 3 maart werd voor het eerst de Duitse Rijksdag gekozen, maar dat parlement had weinig macht. Keizer Willem II sprak van een „apenhuis” en dacht daarbij niet enkel aan het gebouw. De Duitse staat bevatte absolutistische en moderne elementen, maar was in de kern antiparlementair, zoals bondspresident Frank-Walter Steinmeier in een voorbeeldige rede in herinnering riep.

Na 1945 was het andersom: de Duitsers in de westelijke landsdelen (en alleen zij) verwierven vrijheid, maar eenheid ontbrak. De Koude Oorlog spleet Berlijn, Duitsland en het continent in West en Oost. Pas 1990 bracht vrijheid én eenheid, in een vreedzame buitenlandpolitieke ordening. Eindelijk scheen ‘de Duitse kwestie’, die steeds een Europese kwestie werd, opgelost. Of niet?

Dertig jaar later weten we het niet meer zeker, schrijft de grote historicus Heinrich August Winkler in zijn elegante synthese Wie wir wurden, was wir sind (2020). „Soms brengt het grote economische gewicht van Duitsland in de EU en de eurozone het gesprek weer op een nieuwe Duitse kwestie, soms de neiging van veel Duitsers hun land tot morele leider van Europa uit te roepen, dan weer de hang van Duitse politici om de EU op een zeer Duits aandoend federaal en ‘postnationaal’ model te enten.”

Elke nationale geschiedenis kent grondfeiten die alle verhoudingen doortrekken. In Engeland is het de vrijheidsbevorderende werking van de eilandligging, die leidde tot een sterk parlement. In Frankrijk is het de centralistische staat: het werk van absolute vorsten als Lodewijk XIV, dat de revolutionairen in 1789 konden overnemen. In de Duitse geschiedenis, schrijft Winkler, is het Reich zo’n grondfeit.

Middeleeuwse Duitse keizers ontleenden aan hun beschermrol voor de paus in Rome een universele aanspraak. Als nazaten van de Romeinse keizers voelden zij zich meer dan gewoon koning. Eeuwen droegen de Weense Habsburgers de Duitse keizerskroon, tot Napoleon het rijk in 1806 ontbond. Toen vormden de Habsburgers zich om tot keizers van Oostenrijk en verloren zij hun greep over de noordelijke Duitse landen – ten gunste van de Hohenzollern in Pruisen.

De grondtrek van het rijk herkennen we in het gemak waarmee de Duitse geest zich projecteert op de Europese politieke ruimte. Een Europese federatie past bij de interne verhoudingen tussen Berlijn en de Länder, als bestuurslaag erbovenop. Maar Europa fungeert ook als opvolger van een boven de afzonderlijke naties staand rijk. Dit denkraam staat echter haaks op Franse, Spaanse, Nederlandse of Poolse ervaringen; anders dan de Duitsers zouden deze naties zich in één Europese staat verdwenen voelen. (De Engelsen kozen reeds de exit.)

Daarom moeten wij in de buurlanden de lange patronen in de Duitse geschiedenis niet vergeten. Al was het maar om herhaling te voorkomen. Zoals de Duitse eenheid in 1871 vanuit het Pruisische Berlijn bijeen werd gevochten, zo kan een eventuele Europese eenheid beter niet louter vanuit de democratische Berlijnse Bondsrepubliek gestalte krijgen. En zoals in de Duitse wereld lang een vruchtbare spanning tussen beide machtspolen Oostenrijk en Pruisen bestond (tot Bismarck in 1866 toesloeg), zo is ook de Europese orde – en dus Nederland – gebaat bij een evenwicht tussen Duitsland en Frankrijk. Het historische spiegelpaleis is nog niet uitgewerkt.

Correctie (4 maart 2021): in een eerder versie stond dat de oorlog die Bismarck voerde tegen Denemarken in 1862 was. Die was in 1864. Dat is aangepast.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof, historicus en hoogleraar EU-recht (Leiden).