Interview

Berlinde de Bruyckere raakt mensen waar ze niet geraakt willen worden

Berlinde de Bruyckere Berlinde de Bruyckere, superster in de beeldende kunst, exposeert in het Bonnefantenmuseum ‘Sjemkels’, duistere engelen. „Duisternis is een raadselachtig tasten.”

Berlinde de Bruyckere tijdens de inrichting van de tentoonstelling Engelenkeel in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Daarnaast kunstwerken op Engelenkeel.

Foto’s Chris Keulen

Hij heet niet Gabriël, niet Michaël of Raphaël. Hij is geen verkondiger van een wonderbaarlijke geboorte, niet degene die in één oogopslag de oneindigheid meet of zielen weegt. Hij is ‘Schemkel’, ook wel ‘Sjemkel’ of ‘Schlemiel’ genoemd, en Schemkel is verre van volmaakt. Als Byzantijnse schilders hem zouden durven schilderen zoals hij écht is – zo dichtte de in 1998 overleden Poolse schrijver Zbigniew Herbert in ‘De zevende engel’ – dan zou hij er zo uitzien: ‘Zwart nerveus en met een oud aftands aureooltje’.

Bij de Oost-Vlaamse kunstenaar Berlinde de Bruyckere (1964) zijn de gedichten van Herbert nooit ver weg.. Althans niet sinds de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee haar een kleine tien jaar geleden op de Poolse schrijver wees. Coetzee was betrokken bij De Brucykeres inzending van haar monumentale boomsculptuur Kreupelhout-Cripplewood (2012-2013), die in 2013 werd opgesteld in het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië. Wie de gedichten van Herbert leest en de werken van De Bruyckere kent, ziet bij de twee eenzelfde voorliefde voor de broosheid van het bestaan, voor glanzende wreedheid, immer falen, uiteenvallen, en schaamtevol pogen om dat falen en uiteenvallen tegen te gaan.

De Bruyckere is een kleine, bescheiden vrouw achter wie je niet zo snel de superster vermoedt die sinds de toekenning van een Belgische talentenprijs in 1989 aan een internationale zegetocht begon. Haar tentoonstellingen, solo’s, uitverkiezingen voor biënnales zijn legio. Haar galerie Hauser & Wirth behoort tot de top van mega-galeriehouders, met vestigingen in onder andere Hongkong, New York, Los Angeles, Zürich en Londen.

Zelf relativeert ze die successen: „Toen ik van de kunstacademie kwam, heb ik vijftien jaar weekend- en avondonderwijs gegeven aan volwassenen en kinderen. Ik deed dat graag. Die baan gaf me de financiële ruimte om door de week mijn vrije werk te kunnen maken. Toen, in die beginjaren, lag het helemaal niet voor de hand dat mijn werk een plek bij verzamelaars en musea zou krijgen.”

Kreet of schreeuw

Ik spreek De Bruyckere tijdens de opbouw van haar solotentoonstelling Engelenkeel in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Engelenkeel is een mooi, niet bestaand leenwoord. Het komt uit ‘Het verhoor van de engel’, een ander gedicht van Herbert, over een gemartelde engel. „Bij ‘engelenkeel’”, legt De Bruyckere uit, „ontstaat een gevoel zonder dat het woord bestaat. Dat gevoel wil ik toepassen op deze tentoonstelling. Niet letterlijk, maar wel zodat ik weet: het klopt. ‘Engelenkeel’ omvat voor mij het gesprek dat alle werken hier met elkaar voeren. En dat gesprek, tja, dat klinkt toch vooral als een soort kreet of schreeuw.”

Ik werd geraakt door de engel die achter Christus staat’

Op deze solo, waarvan de opening is opgeschoven vanwege coronamaatregelen, laat de kunstenaar nog niet eerder in Nederland en België tentoongesteld werk zien uit de afgelopen zes jaar. Daar zit dus ook veel nieuw werk bij. Dit recente werk is ontstaan tijdens de pandemie. Aan het begin van de uitbraak van corona in maart vorig jaar benaderde een Belgische journalist haar met de vraag welk kunstwerk ze thuis zou willen hebben, mocht ze vanwege corona in quarantaine moeten. De Bruyckere trok zich terug in haar bibliotheek, bladerde in boeken, luisterde naar muziek, las gedichten. Ze maakte schetsen en deed schijnbaar zinloze dingen: „Stapeltjes van de ene kant naar de andere kant schuiven.”

Op zeker moment stuitte ze op een schilderij van de Italiaanse Renaissance-kunstenaar Giorgione: Christus, ondersteund door een engel (1502-1510). Dat werk zou ze thuis willen hebben. Niet zozeer vanwege de Christus, die prominent in het midden is afgebeeld en wiens blote, mishandelde lichaam bijna licht lijkt te geven. „Ik keek naar die figuur achter Christus, die met zijn warme vleugels uit het donker opduikt en de gestorvene ondersteunt. Door hem werd ik geraakt”, zegt ze. „Het was alsof het traditionele concept van de engel, waarover ik tijdens mijn katholieke opvoeding had geleerd, een nieuwe urgentie kreeg. De dood is met corona zo anoniem geworden, een nummer. Mensen sterven eenzaam in een ziekenhuis. De mensen aan je bed zijn vreemden. Het is goed om daar een naam aan te geven en te zeggen: ‘Ik noem u Engel’.”

De engelen die ze als meisje het vaakst zag, waren de aartsengelen. Daarom verwondert het niet dat ze twee Arcangelo’s (2020) heeft gemaakt. Denk bij deze beelden echter niet aan glanzende gewaden, goud oplichtende wangetjes en prachtig volle, machtige vleugels. Nee, bij De Bruyckere zijn de aartsengelen op hun hoge sokkels deerniswekkende wezens zonder gezicht en zonder vleugels. Ze hangen half in de lucht, met gebogen hoofd en kromme rug. Hun gestalte gaat schuil onder wassen afgietsels van kleren: het zijn vodden, gescheurd, grijsblauw van kleur – dezelfde kleur als de knokige knieën en blote voeten die net zichtbaar zijn.

„Vroeger gingen mensen naar de kerk om te rouwen. Dan stonden ze bij een piëta en barstten in tranen uit als ze iemand verloren hadden. Ik heb het altijd een wonder gevonden dat een schilderij zulke gevoelens kan bewerkstelligen. Dat wil ik met mijn werk ook. Dat mensen er niet naar kijken vanwege dat het mooi zou zijn, maar omdat het ze raakt op een plaats waar ze niet geraakt willen worden. Of waar ze geen woorden voor hebben.”

Verlegenheid

We lopen een ruimte binnen waar vijf amorfe massa’s aan de muur hangen, als jassen aan een kapstok. Ze bestaan uit wassen afgietsels van dierenhuid en van kostbare gordijnstoffen. Dit zijn De Bruyckeres duistere engelen, de Sjemkels (2020). Anders dan de Arcangelo’s die zich naar de kijker toekeren, wenden de Sjemkels hun ‘rug’ naar je toe. Ze drukken verlegenheid uit, schaamte, het afgekeerd zijn en het zich terugtrekken in een cocon. Ooit is hier een verdediging op poten gezet, maar die verdediging is, nu ja, op z’n best gezegd ‘nerveus’ en ‘aftands’ uitgevoerd.

„Ik voel me verwant met Zbigniew Herberts interpretatie van de duistere, zevende engel: de Sjemkel”, zegt De Bruyckere, „en dat is niet omdat ik van duisternis hou. Voor mij is duisternis niet iets negatiefs. Duisternis is eerder een soort zone van on-weten, een raadselachtig tasten, niet zichtbaar maar wel overal aanwezig.”

Dat ‘raadselachtig tasten’ vertaalt zich in een werkproces dat traag is. De gebruikte stoffen hebben vaak jarenlang buiten gehangen in weer en wind. De was wordt laagje voor laagje, kleur voor kleur, in van dierenhuiden getrokken mallen ingeschilderd en rondom een ondergrond van metaal gemouleerd. Het ‘tasten’ vertaalt zich daarnaast ook in de oppervlakte, het uiterlijk van de werken, dat bij De Bruyckere tactiel is, maar ook viezig, rauw en eruitziet als huid waar met een knots op is geslagen.

De oorsprong daarvan, zo vertelt ze, ligt in Anderlecht, vlak bij Brussel. „Een werkplaats, een tussenstation tussen slachterij en leerlooierij.” Als kind van een Gentse beenhouwer is ze wel gewend aan bloed en de geur van rauw vlees. „Maar toen ik voor het eerst in Anderlecht kwam, kort na Venetië in 2013, heb ik geen vellen kunnen kopen. Het was op die plek té overweldigend. Ik ben nog nooit door zoveel dood omgeven geweest.”

Niet voor niets

Pal naast de werkplaats in Anderlecht worden de koeien geslacht. Via een grote schuif in de muur komen de huiden het tussenstation binnen vallen. Stuk voor stuk, achter elkaar. „Je moet oppassen waar je loopt, alles plakt aan je voeten, het is er glad, het ruikt er vies, de warme vellen druppen, lekken en dampen. Nee, het is een plek waar niemand graag wil zijn.”

Maar wat ze zag, vond ze ook mooi. „Die gaucho-achtige mannen die met die huiden in de weer zijn, die takelen en zout scheppen. Met ruime bewegingen strooien ze het over die warme huiden – het heeft iets van boeren die zaaien, maar ook van ejaculeren. Ik dacht aan het schone dat uit die dode vellen wordt gemaakt: een nieuwe toekomst. Al is toekomst een groot woord voor een dier dat ontzield is.”

De schoonheid en gruwelijkheid van de taferelen in Anderlecht heeft ze verbeeld in een monumentale installatie in de laatste zaal van het Bonnefanten: Aletheia – on-vergeten (2019). Het is een bijna maagdelijk, van zoutkristallen flonkerend landschap van pallets volgestapeld met huiden van was. „Als het vel door die muur in een bak valt, dan zie ik dat als het ogenblik van een Niets”, zegt ze. „Drie minuten geleden was deze nog dampende huid nog levend. Maar nu wordt de huid geïnspecteerd, omhoog getakeld en opgestapeld op die pallets. Er komt zout overheen, een eerste laag, een tweede laag. Langzaam ontstaan er oervormen, een bergmassief, een dier dat terugkomt in een andere gedaante. Dat is voor mij het ogenblik van hoop. Er gebeurt iets na de dood. Er wordt iets nieuws gemaakt. Het was niet voor niets.”