Van cinemapaleis tot sfeerloze multiplex

Geschiedenis Nederland kan zich beroepen op een fijnmazig stelsel van bioscopen en filmtheaters, met een gevarieerd aanbod. Hoe is dat ontstaan?

Cinema Parisien aan de Nieuwendijk in Amsterdam in 1976. De bioscoop, opgericht in 1910, was een van de vroegste in Nederland. Parisien zou tot 1987 bestaan.
Cinema Parisien aan de Nieuwendijk in Amsterdam in 1976. De bioscoop, opgericht in 1910, was een van de vroegste in Nederland. Parisien zou tot 1987 bestaan. Foto P van Galen / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

„De filmvoorstelling vormt het hart van de filmcultuur. Hier ontmoet een film zijn toeschouwer en verandert een belofte in een belevenis.” Deze treffende woorden schreef filmhistoricus Karel Dibbets in 2004. Hoewel je films tegenwoordig overal kunt kijken, vanaf je mobiele telefoon, in het vliegtuig of op je laptop, geeft het zien van een film in een bioscoop of filmtheater nog steeds de meest intense ervaring.

Een sfeervolle omgeving helpt daar onmiskenbaar bij. Het is dan ook geen wonder dat de Amsterdamse bioscoop Tuschinski vorige week door het Britse blad Time Out werd uitgeroepen tot mooiste van de wereld. Toevallig viert het weelderige art-decotheater dit jaar zijn honderdjarige bestaan. Theater Tuschinski stamt uit de tijd van de grote cinemapaleizen, die het liefst in een exotische stijl worden ontworpen. Tegenwoordig zijn het multiplexen, die sinds medio jaren negentig als paddenstoelen uit de grond schieten, die de toon zetten. Sfeerloze dozen, het liefst net even buiten het stadscentrum, met voldoende parkeerplaatsen op loopafstand. Het zijn efficiënte fabrieken voorzien van de nieuwste technologie, van haarscherpe laserprojectie tot driedimensionaal geluid in Dolby Atmos. Toch blijft de essentie sinds de uitvinding van cinema in 1895 hetzelfde: een betalend publiek vermaken, onderdompelen en een (nieuw) venster op de wereld geven.

Verderfelijke invloed

De eerste Nederlandse filmvoorstelling is op 12 maart 1896 in Amsterdam, in een leeg winkelpand in de Kalverstraat. Het nieuwe medium burgert pijlsnel in. In 1898 is film het slotnummer van de voorstellingen in theater Carré en ook andere variététheaters maken er goede sier mee.

In de jaren erna vinden voorstellingen met ‘Levende Fotografieën’ voornamelijk plaats op kermissen en jaarmarkten, in luxueuze en van alle gemakken voorziene tenten. In een advertentie uit 1908 prijzen de Alberts Frères (Albert en Willy Mullens) hun ‘Sprekende Bioscope’ aan met: „In de Prachtige Zaal heerscht steeds Heerlijke Temperatuur.” Het publiek komt graag, al was het maar om zichzelf te zien. Opnamen die ’s middags van kermisgangers zijn gemaakt, kunnen ze ’s avonds in deze reizende bioscopen zien. Voor de vertoners is het zeer lucratief. Het kost de Alberts Frères 1.000 gulden voor een staanplaats voor twee weken op de Haarlemse kermis, maar de opbrengsten zijn 20.000 gulden.

Lees ook: 2020: rampjaar voor bioscopen

Rond 1910 maken ambulante filmvertoningen plaats voor vaste bioscopen en volgt er een ware bioscoopboom. Al in 1914 heeft Amsterdam meer dan 20 bioscopen, in 1918 zijn er 250 bioscopen in Nederland. Men gaat daar niet altijd heen voor de films. Door kolenschaarste midden in de Eerste Wereldoorlog verruilen velen maar al te graag hun ijskoude huis voor een warme bioscoop.

Maar niet iedereen is blij met de onstuitbare groei van bioscopen. Vooral de katholieken maken zich zorgen. Heeft film geen verderfelijke invloed? Deze bezorgdheid leidt tot de fel bediscussieerde ‘bioscoop-quaestie’ en een aanzwellende roep om filmkeuringen. Eerst nog op gemeentelijk niveau, in 1928 gevolgd door een landelijke filmkeuring – tegenwoordig is er de Kijkwijzer.

Film als kunstvorm

Tegelijkertijd is er in de jaren twintig een beweging gaande om een hoger opgeleid, respectabel publiek te trekken, met zogenaamde Film d’Art: op literatuur of Bijbel gebaseerde films met theateracteurs als de beroemde Franse actrice Sarah Bernhardt. Eindpunt van die beweging om film als kunstvorm serieus te nemen is de Filmliga. In hun manifest uit 1927 schrijven ze: „Eens op de honderd keer zien we: de film. Voor de rest zien wij: bioscoop. De kudde, het commercieele regime, Amerika, Kitsch.” Twee jaar later beschikken zij over een eigen theater in Amsterdam, het nog steeds bestaande De Uitkijk – het eerste filmhuis dat zich specialiseert in niet-commerciële films. Na de Tweede Wereldoorlog volgen er meer, zoals Kriterion (Amsterdam), ’t Venster (Rotterdam) en Camera/Studio (Utrecht).

Maar het zou tot begin jaren zeventig duren voordat filmhuizen tot volle bloei komen en zich organiseren. In 1973 is ’t Hoogt in Utrecht het eerste zelfstandige filmhuis zonder winstoogmerk, met betaald personeel en dagelijkse voorstellingen. In hetzelfde jaar wordt Het Vrije Circuit opgericht, vooral uit onvrede met de Nederlandse Bioscoopbond die films alleen aanbiedt aan haar leden, de commerciële bioscopen. In navolging van de Filmliga komt ook het politiek bevlogen Vrije Circuit met een manifest, opgesteld met de toen gangbare ‘marxistische’ spelling: „Het circuit is niet commercieel: wij willen niet aan dezelfde ekonomiese dwangmatigheid blootgesteld worden als de kapitalistiese systemen.”

Ze vertonen hun geïmporteerde, kunstzinnige films (op 8- en 16mm) op allerlei plekken, zoals poptempel Paradiso en jeugdhonken, maar meer en meer in wat kleinere filmhuizen waarvan een deel nog steeds dienst doet.

Lees ook: De microbioscoop komt eraan

Nederland kan zich beroepen op een fijnmazig stelsel van bioscopen en filmtheaters, met een gevarieerd aanbod. Dat aanbod kan sinds kort zelfs op maat worden gemaakt in microcinema’s, waar je bijvoorbeeld met een groepje vrienden je favoriete film kunt bekijken.

Tot ver in de jaren zeventig hebben bioscopen en filmhuizen slechts één zaal, maar dat is economisch niet meer rendabel als de bezoekersaantallen flink teruglopen. 1970 is het dieptepunt met 25 miljoen verkochte kaartjes, om in de jaren tachtig – met de komst van videorecorder en videotheek – nog meer in te zakken, naar zo’n 15 miljoen.

Investeringen in multiplexen met meerdere zalen of de inbouw van nieuwe zalen in bestaande filmtheaters, luxere stoelen en betere projectie keren het tij. Met in 2021 de hamvraag: keert het publiek terug naar de bioscoop of verstoort de snelle opkomst van streaming en VOD de tot voor kort bestaande gewoontes van het filmpubliek?

Hoewel de situatie nijpend is, heeft er vooralsnog slechts één bioscoop als gevolg van de lockdown zijn deuren gesloten. Het is voor de toekomst van de filmsector te hopen dat bioscopen en filmtheaters snel open mogen. Pas dan kan een belofte weer worden omgezet in een belevenis.