Nederlandse zeearend sterft in Duits windpark

Roofvogel Hoe goed zeearenden ook kunnen zien en vliegen, ze zijn niet berekend op snel draaiende windturbines.

De windturbine bij Bremerhaven waarmee de zeearend in botsing kwam (links) en het in tweeën gekliefde dier.
De windturbine bij Bremerhaven waarmee de zeearend in botsing kwam (links) en het in tweeën gekliefde dier. Foto’s Franz-Otto Müller

Een jonge Nederlandse zeearend is afgelopen weekend omgekomen door een botsing met een windmolen in Duitsland. De arend werd geraakt door een van de rotorbladen en was op slag dood. Het gebeurde bij Bremerhaven. De vogel, geboren in 2019 in de Dordtse Biesbosch, droeg niet alleen pootringen, maar ook een gps-zender. Ze maakte onderdeel uit van een studie van de Werkgroep Zeearend Nederland en Wageningen Environmental Research.

In Duitse windmolenparken zijn tussen 2002 en 2019 maar liefst 158 dode zeearenden gevonden. Duitsland heeft ruim zevenhonderd paar zeearenden en meer dan dertigduizend windmolens; beide aantallen nemen jaarlijks toe. Dat laatste is ook in Nederland het geval. Sinds het eerste broedgeval in 2006 groeide onze zeearendpopulatie tot twintig broedparen met in totaal ruim honderd nakomelingen. Nederland telt nu zo’n 2.200 windmolens op het land, en dat aantal zal de komende jaren flink toenemen. Dat levert een groeiend gevaar op voor vogels: hoe goed ze ook kunnen zien en vliegen, ze zijn evolutionair niet berekend op een gevaar dat al snel 180 kilometer per uur haalt. In Nederland werden tot nu toe twee dode zeearenden gevonden in een windmolenpark, beide in Flevoland.

Sinds 2019 kregen in Nederland elf jonge zeearenden een gps-zender omgehangen: een lichtgewicht ‘rugzakje’ dat naar schatting zo’n vijf jaar lang data verzamelt en doorgeeft via satellieten. Zo weten onderzoekers precies waar de zeearenden vliegen, hoe snel en hoe hoog. „We willen graag weten hoe die arenden gebruik maken van het landschap”, vertelt Dirk van Straalen, voorzitter van de Werkgroep Zeearend Nederland. „Waar trekken ze heen? Welke landschapselementen zijn belangrijk, welke vliegroutes kiezen ze? Welke risico’s lopen ze? Hoeveel last hebben ze van verstoring? Wat zijn de doodsoorzaken? Als we dat weten, dan kunnen we ze beter beschermen.”

Vogels en vleermuizen

Dergelijk onderzoek gebeurt in Duitsland en Scandinavië al langer, maar in ieder land zijn de omstandigheden anders. Qua landschap, maar ook qua menselijke activiteit. „Daarom is het belangrijk dat we het ook in Nederland doen”, zegt Van Straalen. „Die informatie kan bijvoorbeeld helpen bij het plannen van locaties voor windmolenparken. Soms maakt vijftig meter opschuiven al een groot verschil voor vogels en vleermuizen.”

Lees ook: Het Nederlandse succes van de zeearend

Ook bestaan er technieken om aanvaringen te voorkomen. Bijvoorbeeld detectiesystemen, met camera’s of met radar. Daarmee kun je windmolens razendsnel stilzetten zodra er een grote vogel aankomt. Van Straalen: „Dat blijkt heel goed te werken. Bijvoorbeeld in het Windpark Krammer, in de Zeeuws-Hollandse Delta.” En Noors onderzoek laat zien dat het zwart verven van één van de rotorbladen de vogelsterfte met 70 procent kan terugdringen.

„Mensen zeggen weleens: wat maakt één zo’n dode zeearend nou uit?”, zegt Van Straalen. „Maar dit vrouwtje had misschien wel 15 jaar lang nakomelingen kunnen produceren. En wellicht kunnen zorgen voor uitbreiding richting België of Engeland. Iedere dode arend is er een te veel.”

Van Straalen benadrukt dat hij niet tegen windenergie is: „Die energietransitie, die moet er komen. Windmolens kunnen daarbij helpen. Maar dan moeten we er wel álles aan doen om het sterfterisico te verminderen. Dat gebeurt nog lang niet overal. Dus ja, daarom krijg ik wel buikpijn van dit bericht.”