Als de bioscoop zelf op het scherm belandt

Bioscoop in film Er zijn niet zoveel films die zich afspelen in een bioscoop, op enkele bijzondere na.

‘Goodbye, Dragon Inn’ speelt zich af op de laatste avond van een oud, vervallen filmpaleis.
‘Goodbye, Dragon Inn’ speelt zich af op de laatste avond van een oud, vervallen filmpaleis. Foto Metrograph Pictures

‘Wat is film?’ is een van de oudste vragen van de filmkritiek. Er is veel minder gefilosofeerd en geschreven over de vraag: wat is een bioscoop? De Franse literatuurwetenschapper Roland Barthes is een uitzondering. „Als ik het woord ‘cinema’ hoor, denk ik altijd eerst aan de zaal en niet aan de film”, schreef hij in zijn klassieke essay Bij het verlaten van de bioscoop.

Barthes was vooral een connaisseur van het stilstaande beeld; de foto. Filmbeelden gingen hem vaak te snel, waren te overweldigend. Maar die lichtelijk onaangename gewaarwording hield hij in de bioscoop in balans door zich niet alleen bewust te zijn van de film op het doek, maar ook van zijn omgeving.

Barthes beschrijft een bezoek aan de bioscoop als een vorm van hypnose. Dat is volgens hem niet iets om op neer te kijken. In de bioscoop bereikt hij een staat van ontspanning die hij bij een bezoek aan traditionele kunst zoals het theater onmogelijk achtte. In de bioscoop mag de bezoeker hangen, half liggen, eten.

Door in het donker van de bioscoop omringd te zijn door vreemden ontstaat voor Barthes een diffuse erotische spanning. Bij televisie is dat ondenkbaar. „Door televisie zijn we gedoemd tot de familie.” Als filmkijker wil Barthes opgaan in de beelden en het verhaal, maar zich tegelijkertijd laven aan de duisternis, de schimmen van andere mensen en de lichtstraal van de projector.

Melancholiek en mysterieus oord

De Taiwanese regisseur Tsai Ming-liang is een geestverwant van Barthes. Zijn beroemde film Goodbye, Dragon Inn (2003) is bijna een vertaling in beelden van de bewustzijnstoestand die Barthes beschrijft. Goodbye, Dragon Inn speelt zich af op de laatste avond van een oud, vervallen filmpaleis in het centrum van Taipei. Er zijn bijna geen dialogen en er is nauwelijks een verhaal. De dialogen die de kijker hoort zijn afkomstig van de film die in de bioscoop wordt vertoond: Dragon Inn, een beroemd historisch spektakelstuk met veel vechtscènes uit 1967.

Tsai laat zo op een ingenieuze manier twee soorten film naast elkaar bestaan in dezelfde film: film als spektakel op het doek en zijn eigen ‘slow cinema’. De caissière van het theater onderneemt een lange tocht door het gebouw naar het hok van de filmoperateur. Hij is er niet. Een Japanse toerist is de bioscoop in gevlucht voor de regen. Hij onderneemt een poging om te cruisen in het herentoilet.

De bioscoop is verre van vol. De bezoekers komen alleen en negeren de andere aanwezigen. Toch zijn ze zich vanuit hun ooghoeken steeds bewust van elkaar. De bioscoop is een toevluchtsoord voor wie alleen wil zijn, maar met andere mensen.

Twee wat oudere heren bekijken de film met veel aandacht, soms zelfs met betraande ogen. Ze zijn acteurs uit Dragon Inn, Miao Tien en Chun Shih, die hun jongere zelf terugzien op het doek. In welke gedaante zijn ze werkelijk en wanneer belichamen ze een illusie? Tsai laat dat in het midden. De bioscoop is een melancholiek en mysterieus oord.

Horror in de filmzaal

Over het maken van films zijn veel films gemaakt; over het kijken naar films en over bioscopen veel minder. Maar zulke films zijn wel vaak bijzonder. Bijna altijd gaan films over filmkijkers en bioscopen over de dunne grens tussen de werkelijkheid en de wereld van de film. Die grens blijkt altijd poreus te zijn: als toeschouwers niet zo gemakkelijk in staat zouden zijn om de fictionele wereld als ‘echt’ te ervaren, zouden ze veel minder plezier beleven aan films.

Zou het niet heerlijk zijn om in de werkelijkheid van het filmdoek te kunnen stappen, of is dat juist een nachtmerrie? Horrorfilms hebben met enige regelmaat ingespeeld op de laatste optie. Horror die is gesitueerd in de bioscoop is een eenvoudige manier om het griezelen direct bij de toeschouwers te brengen. In zijn debuutfilm Targets (1968) doet Peter Bogdanovich nog meer met dat uitgangspunt.

In de ontknoping van Targets houdt een psychotische scherpschutter zich op achter het doek van een drive-in bioscoop in Los Angeles. Hij schiet op de bioscoopgangers in hun auto’s. De man wordt onschadelijk gemaakt door de bijna tachtigjarige acteur Boris Karloff, die in Targets een versie van zichzelf speelt. Karloff was in de jaren dertig beroemd als het monster van Frankenstein. Nostalgische, theatrale filmhorror verslaat in Targets de eigentijdse horror van de vervreemding en leegte van de consumptiemaatschappij, belichaamd door de jonge scherpschutter. Voor een nostalgische filmfan als Bogdanovich moet de film wel zo eindigen.

In enkele beroemde films stapt een toeschouwer van de zaal het witte doek in. Het bekendste voorbeeld is al oud: in Sherlock Jr. (1924) speelt Buster Keaton een filmoperateur die in slaap valt op zijn werk en in zijn droom de wereld van een film instapt. Hij is er nog steeds een kluns, maar nu is hij er één die overal mee wegkomt.

Andersom komt ook voor: een filmpersonage komt de filmwereld uit en stapt de bioscoop in. In The Purple Rose of Cairo (1985), speelt Mia Farrow serveerster Cecilia, die in een slecht huwelijk zit tijdens de crisis van de jaren dertig. Ze is een filmfan, die haar zorgen vergeet in de bioscoop. De romantische held Tom Baxter (Jeff Daniels) is zo geroerd dat ze steeds naar hem komt kijken dat hij uit de film stapt om haar te leren kennen.

De acteur die Tom Baxter speelt, Gil Shepherd, vindt het maar niets dat zijn creatie een eigen leven leidt. Gil begint Cecilia ook het hof te maken. Ze moet kiezen tussen een werkelijke man en een fictieve. In het wereldbeeld van Woody Allen heeft ze weinig andere keuze dan de werkelijkheid; dat is de enige wereld die bestaat. „De werkelijkheid is grimmig, maar je kunt nergens anders Chinees eten krijgen.” Cecilia kiest voor Gil, maar ze zal door hem diep teleurgesteld worden.

Toeschouwers die het filmdoek instappen of filmhelden die naar de bioscoop afdalen – eigenlijk is dat een uitvergroting van wat er altijd gebeurt bij het zien van een geslaagde film. De kijker stapt de film in, de film komt tot leven. De bioscoop blijft daarvoor de aangewezen locatie.