Ik wil van mijn smartphone af

Telefoon NRC-redacteur , smartphoneverslaafd, hoopte op ontwenningstips van collega . Maar die is er zo klaar mee dat hij het ding in de prullenbak wil gooien. Wat nu?

Illustratie Lotte Dijkstra

Bij een redactievergadering zegt collega Wouter ineens dat hij er genoeg van heeft. Hij gaat zijn smartphone wegdoen. Hij is er té verslaafd aan. Je zit er nooit maar éven op. Hij heeft al vaak geschreven over manieren om „je aandacht terug te hacken”, zoals hij het noemt, maar heeft gemerkt: het werkt allemaal maar tijdelijk. Het is tijd om dat ding in de prullenbak te smijten. En nee, hij wil er niet over schrijven, dit keer. Hij is het zat.

Ik ben geschokt. Ik had Wouter van Noort om tips willen vragen om mijn eigen telefoonverslaving binnen de perken te houden. Hij weet daar heel veel van, hij publiceerde in 2017 een boek over zijn smartphone-obsessie: Is daar iemand?. Zelf weet ik er trouwens ook heel veel van. Mijn naam is Ellen en ik ben een smartphoneverslaafde.

Lees ook: Een half jaar zonder smartphone.

Precies een jaar geleden ging het vrij goed: na een nieuwjaarsvoornemen had ik mijn telefoongedrag aardig onder controle gekregen. Toen kwam corona en het lijkt wel of er in dat virus ook iets zit dat je wilskracht afbreekt en je naar je telefoon toe trekt. Ik laad hem nu twee, drie keer per dag op en dat ligt niet louter aan de oude batterij. Ik maak gewoon voortdurend rondjes: mail, Twitter, Instagram, nieuwssites, mail, Twitter, spelletjes, bankapp (ja, echt), Instagram. Soms voel ik zelfs de zoekende onrust in mijn vingers tijdens een net te saai telefoongesprek: éven kijken of ergens nog wat nieuws is – o nee, kan niet, ik heb hem aan mijn oor.

En nu is het te laat om er iets aan te doen. Als collega Wouter verloren is, ben ik zéker verloren. Op zich begrijp ik wel dat hij een onderwerp zo zat is dat hij er niet eens meer over wil schrijven. Ik ben ook weleens dingen zat. Vaak kan ik dan niet meer ophouden om over die dingen te praten.

Misschien is dat mijn kans. Misschien zegt hij iets waar ik wat aan heb. Ik bel Wouter op.

Die gaat er eens goed voor zitten. „Dat ding”, zegt hij, „zit met zó veel haakjes verankerd in mijn leven. Je kunt wel even minderen met schermtijd, maar dan ga je toch weer voor de bijl. Het is net als het jojo-effect bij een dieet. Zeker tijdens de pandemie: nu gaat álles via het scherm, al je belangrijke contacten. Werk en privé lopen nog meer in elkaar over. Je pakt je telefoon voor werk en dan zie je iets waar je privé op moet reageren, of andersom. Dan zie je dat het ding nóg meer trekt, als een magneet. Zelfs als mijn vriendin en ik afspraken maken – niet op de telefoon als ons zoontje van één wakker is, niet als we samen op de bank zitten – dan zondigt altijd wel een van ons en dan gaan we weer de fout in.”

Ja, hashtag herkenbaar. Hij gaat dus zijn smartphone wegdoen omdat niets anders helpt? Ik wil dat liever niet horen.

Mindless loops

Maar wacht, Wouter twijfelt inmiddels ook alweer. „Ik denk er al heel lang over na of ik mijn smartphone weg zal doen en ik kom steeds tot de conclusie dat ik niet weet of ik het wel wil. Maar ik wil écht af van die mindless loops.” De rondjes die ik ook steeds maak, op verschillende apps en sites kijken of er nog iets nieuws is, en aan het eind weer opnieuw beginnen want misschien is er nú iets nieuws. Ik durf er niet eens over na te denken hoeveel tijd ik daaraan vergooi.

Lees ook: Dit is hoe de smartphone ons verslaafd maakt.

„Dat gaat bij mij ook zó automatisch”, zegt hij. „Even naar sociale media en dan maar blijven verversen: heb ik nog een like, is er nog ergens ophef? Maar het lastige is: op diezelfde platforms gebeuren ook dingen waar ik niet vanaf wil. Op LinkedIn heb ik een hele community rondom mijn nieuwsbrief Future Affairs, over klimaat, democratie en technologie van de toekomst. Daar haal ik ideeën voor artikelen uit, mensen helpen me als ik een vraag heb…” Hij zucht. „De keuze begint te worden: óf de smartphone radicaal de deur uitdoen, óf omarmen dat ik er niet aan kan ontsnappen, dat het ding me altijd terugroept, en het nieuwste en snelste model iPhone kopen.”

Illustratie Lotte Dijkstra

Wacht. Wát? Is dat ook nog een optie? Hij moet er zelf om lachen. Maar hij meent het wel: „Ja, eigenlijk vanuit de boeddhistische gedachte: ‘Lijden is pijn vermenigvuldigd met verzet’. Als je het verzet uit de vergelijking haalt, is het lijden minder. Ik sta op een tweesprong nu. Kijk, om de smartphone de deur uit te doen… dat heeft consequenties, ook voor mijn werk. Ik zit in verschillende appgroepen. Als ik daaruit stap, raak ik de connectie kwijt. Of ik zadel andere mensen op met mijn probleem, die moeten dan op een andere manier contact zoeken.” Een simpele telefoon die alleen kan bellen en whatsappen bestaat helaas niet, niet dat hij weet in elk geval.

Daar komt nog bij dat Wouter is uitgenodigd voor Clubhouse, een interessante nieuwe app, op audio gebaseerd: als je lid bent, kun je live meepraten in verschillende groepen (‘kamers’). „Ik ben daar gevoelig voor, ja. Maar het werkt alleen op iPhones en ik heb nu een Android.” Ook op die manier is de smartphone dus verslavend: er is altijd wel iets nieuws wat er ineens mee kan en waar je bij wilt zijn.

‘Misschien vind je het gezeur”, zegt Wouter, „maar voor mij is het een eeuwig dilemma. Ik ben nu vijf jaar mee bezig met hoe verslavend smartphones zijn, ik heb me verdiept in de wetenschap van gewoontes en gedrag, om te proberen die rare verslaving onder controle te houden. En ik moet nu concluderen dat op de lange termijn niets werkt. Grote techbedrijven weten zó goed hoe ze op allerlei knopjes kunnen drukken bij mensen. Je moet niet onderschatten hoeveel geld die bedrijven erin stoppen om jouw aandacht beter te kunnen vasthouden, om dat met kunstmatige intelligentie te optimaliseren. Want hoe langer je op hun site of app zit, hoe meer ze verdienen.”

Wat heeft hij al allemaal geprobeerd om zijn schermtijd te verminderen, wil ik weten. En waarom is het niet gelukt? Natuurlijk hoop ik dat het mij dan wel lukt. Maar veel van de dingen die hij noemt, heb ik ook al geprobeerd.

Notificaties uit

„Wat in het begin redelijk werkte, was radicaal alle pushberichten uitzetten.” Alle meldingen, notificaties, dat je een mail hebt, of een like, of een berichtje – yep, die heb ik uit, behalve bij WhatsApp, maar het geluid staat wel uit. „Pushberichten zijn de duivel”, zegt Wouter. „Die zorgen ervoor dat je smartphone controle over jou heeft in plaats van andersom. Maar goed, ze uitzetten werkt maar een tijdje, daarna ga je zelf gewoon wat vaker kijken of er al wat nieuws is.”

De apps van Twitter, Instagram en andere sociale media van je telefoon verwijderen is ook zo’n beginnerstip. Maar al snel ga je die stiekem via de browser benaderen. Tenzij je een filter op je browser zet waardoor dat niet meer kan, of je hele browser uitschakelt. Zo ver ben ik nooit gegaan, Wouter heeft het wel geprobeerd. „Maar dan kun je niks snel opzoeken. Het lukte me een paar keer om te wachten tot ik thuis was, maar daarna ging ik de browser steeds even installeren en daarna snel weer uitschakelen. Bij de derde keer was het hek van de dam en liet ik hem er gewoon op staan.” En met dat filter is het net zo makkelijk om te smokkelen.

„Wat nog het beste werkt”, zegt Wouter, „is bepaalde delen van het huis, bijvoorbeeld de slaapkamer, tot smartphonevrij gebied verklaren.” Maar op tijden dat je wakker bent, ben je natuurlijk meer niet in de slaapkamer dan wel. En in die andere ruimtes trekt je brein je weer naar je telefoon.

Wat is eigenlijk het probleem, probeer ik de advocaat te zijn van mijn eigen duivel. Soms ben ik gewoon te moe om me op iets te concentreren, en dan zit ik een tijdje mindless op mijn telefoon. „Tja”, zegt Wouter, „het is natuurlijk ook een illusie dat je alleen maar Dostojevski zou lezen als je niet op Twitter en Insta zit. Maar als je niet lekker in je vel zit, kun je zo de halve dag op dat stomme ding zitten. En dan kom je niet meer toe aan herstellen.” Oftewel, en dat voel ik zelf natuurlijk ook wel: je rust er niet van uit.

Wouter vertelt over psycholoog Daniel Levitin en diens theorie dat het brein twee standen heeft. „Aan de ene kant focus, flow, helemaal opgaan in iets, en aan de andere kant lummelen en dagdromen. Maar de smartphone zorgt er volgens mij voor dat je brein in het niksige midden zit, met allemaal kortetermijnimpulsjes die je afhouden van waar het om gaat.” Je concentreert je nergens echt op en je bereikt ook niet die toestand van prettige leegte in je hoofd, waarin vaak de beste ideeën opkomen.

Lees ook: ‘Je moet véél meer lummelen en niksen’

Maar mijn smartphone wegdoen, dat gaat echt te ver. Wat zou hij het meest missen, vraag ik vals. Hij denkt even. Dan: „Google Maps. Zeker als je op pad gaat. Ik heb ook geen printer, dus dan zou ik een printer moeten kopen. Of een stratenboek. Vreselijk.” Ja, ik zou vast bij geen interview meer op tijd komen, verdwaalzuchtig als ik ben. En contact met vrienden? Voor mij heeft WhatsApp mijn vrienden en familie dichterbij gehaald.

Illustratie Lotte Dijkstra

Voor Wouter ook. „Zeker tijdens de pandemie. En opa en oma zouden de updates van hun kleinzoon, elk uur, ook wel missen als ik mijn smartphone wegdoe. Maar ken je de theorie van antropoloog Robin Dunbar? Volgens zijn model heeft het menselijk brein gemiddeld geen plek voor meer dan honderdvijftig betekenisvolle sociale contacten. Hij denkt dat door sociale media meer breincapaciteit gaat naar mensen die verder van je afstaan, ten koste van mensen dichterbij – dus dat je misschien meer vakantiefoto’s deelt met vage kennissen. Ik vind dat wel geloofwaardig. Als je niet oplet, kunnen je intimi lijden onder de aandacht die je je honderden Facebook-vrienden geeft.”

Niet dat hij nog op Facebook zit. Ik trouwens ook niet. Maar WhatsApp is eigendom van hetzelfde bedrijf, dat continu op onze aandacht en privé-informatie aast. Dat laatste vinden we allebei problematisch. „Je ziet wel mensen overstappen naar bijvoorbeeld Signal”, zegt Wouter, „maar daar is nog geen massa aan mensen.” Die appgroepjes van het werk en die vriendenclubjes, die zitten op WhatsApp.

Voor Wouter is het probleem dan ook groter dan de individuele vraag of hij zijn smartphone de deur uit moet doen. Het is ook maatschappelijk: wil hij nog meedraaien in een rot systeem? „Dan heb je het over gedragstechnologie, privacywetgeving, etiquette op sociale media… het is allemaal heel complex. En ik zie niet echt een oplossing. Daarom wil ik er ook niet meer voor de krant over schrijven. Ik schrijf liever over onderwerpen waar ik enig optimisme bij kan voelen.”

Is dit eigenlijk de slechtste tijd ooit om je smartphone weg te doen, vraag ik me af. Of de beste tijd? Wouter weet het niet. „Wat denk jij?”

Nou, ik zit nu wel héél veel op mijn telefoon… „Ja, digitale coronakilo’s, hè”, zegt hij. „En hoe blijf je anders met mensen in contact? Dit is misschien wel hét moment om daarmee te experimenteren. Kijken wat er gebeurt als je alleen op internet kan via een bakbeest dat je eerst helemaal op moet starten.” Maar ook daar gaat hij niet over schrijven? „Nee. En ik ga ook niet voor een artikel in NRC mijn smartphone wegdoen. Als ik het doe, wil ik het volhouden. Ik heb alles over de smartphone gezegd wat ik erover kwijt wil, laat andere mensen nu maar over dat stomme ding schrijven.”

Oké, dan doe ik het wel. Voor deze ene keer. Maar hierna ga ik echt minderen.