Opinie

Tadic en Tineke

Wilfried de Jong

De strafschopstip is neutraal terrein. Je bent de hele wedstrijd vrij om er overheen te banjeren. De plek is niet van de aanvaller, niet van de verdediger. Je zou hooguit kunnen stellen dat de terreinknecht – tegenwoordig opgewaardeerd met de titel ‘groundsman’ – er iets over te zeggen heeft, of de eigenaar van de voetbalclub.

Het kalkrondje ligt er doorgaans maar een beetje suf bij.

Totdat het tijd is voor een penalty.

De scheidsrechter wijst naar de stip. In het professionele voetbal is het tegenwoordig gebruik om sowieso stampij te maken bij zo’n beslissing. De verdedigende partij betwist het besluit en probeert zo lang mogelijk te voorkomen dat de strafschop wordt genomen.

Tijdens PSV-Ajax tikte verdediger Denzel Dumfries met zijn arm tegen de bal. Er was geen twijfel bij scheidsrechter Danny Makkelie: penalty.

In één klap veranderde de stip in oorlogsgebied. Ajax-aanvoerder Dusan Tadic wilde de bal neerleggen maar drie spelers van PSV maakten dat onmogelijk. Ze schopten het kalk van het gras en trokken loopgraven met hun noppen. De scheidsrechter moest op zoek naar een blauwe helm om de partijen van elkaar te scheiden.

Tadic scoorde. Natuurlijk. Tadic scoort altijd vanaf de stip. De Servische aanvaller gedijt bij strijd; hij gaat het liefst voorop en schuwt geen enkel middel. Het is een eersteklas voetballer, aansteller en vechtersbaas ineen.

Ik zag het wit in Tadic’ ogen, het soort wit in de blik van een valse hond.

Hij zocht de blik van PSV-aanvoerder Dumfries. De twee wilden elkaar te lijf maar werden door andere spelers weggetrokken. Na de wedstrijd laaide het vuur op. De twee spelers scholden elkaar de huid vol.

Als twee jongetjes op het schoolplein speelden ze iets later de vermoorde onschuld. En natuurlijk was juist de ander over de schreef gegaan.

Tadic: „Hij noemde me een pussy en zei dat ik die penalty zou missen.”

Dumfries: „Uitschelden is prima. We zijn mannen onder elkaar. Maar hij moet niets over mijn moeder zeggen.”

Tadic: „Ik heb wat bad words geroepen. Daar hebben we er veel van in het Servisch, haha.”

Mannetjes. Haantjes. Vechtjassen. Wat moet je ermee?

Op de Witte de Withstraat in Rotterdam werkt al sinds jaar en dag Tineke Speksnijder in café ’t Schouwtje. Ze is eigenaar en staat tot laat achter de bar. Wanneer dronkenlappen of halvegaren de sfeer ’s nachts proberen te verzieken, veegt ze eerst doodkalm haar handen af aan een theedoek en loopt dan op de ruziezoekers af. Haar rustige en toch dwingende houding doet wonderen: ‘Gaan jullie eens lekker naar buiten, jongens.’

De machomannen druipen af als makke lammetjes.

Met Tineke in de rol van scheidsrechter was de ruzie nooit zo uit de hand gelopen. Eén zin met haar zware rookstem en Tadic en Dumfries hadden de handen geschud. Maar goed, Tineke heeft wat anders aan haar hoofd dan een potje voetbal: haar café is nu al maanden dicht.

Daar helpt geen moedertje lief aan.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.