Loonongelijkheid sinds 2006 toegenomen

De loonongelijkheid is in Nederland sinds 2006 toegenomen. Europees gezien is Nederland een middenmoot. In Zweden, Finland en Denemarken zijn de loonverschillen het kleinst.
In de horeca is het uurloon het laagst.
In de horeca is het uurloon het laagst. Foto Marcel van Hoorn/ANP

De loonongelijkheid in Nederland is sinds 2006 toegenomen. In 2019 lag het brutoloon bij de hoogste tien procent uurlonen 3,23 keer hoger dan bij de laagste tien procent. In 2006 bedroeg die factor nog 3,11. Dat blijkt uit onderzoek dat het CBS deze maandag publiceert.

De verschillen zijn het grootst in de handel. Daar lag het hoogste loon 3,64 keer hoger dan het laagste. In de zorg waren de loonverschillen tussen de hoogste en de laagste salarissen het kleinst, een factor 2,18.

Nederland is in de Europese Unie een middenmoter. Binnen de EU was de loonongelijkheid in 2018 het grootst in Cyprus, Letland en Polen. De kleinste verschillen zijn te zien in Zweden, Denemarken en Finland.

Het gemiddelde bruto uurloon van werknemers bedroeg twee jaar geleden 23,14 euro. Tussen 2006 en 2019 nam dit met 26 procent toe. De horeca is de sector met het laagste uurloon. Hier ligt 90 procent van de bruto uurlonen onder de twintig euro. Ter vergelijking: in de financiële dienstverlening wordt slechts 18 procent van de arbeidsuren beloond met minder dan twintig euro per uur.