Doet afkomst ertoe bij een goede vertaling?

Dichten Schrijver Marieke Lucas Rijneveld gaf na kritiek een vertaalopdracht voor Amanda Gorman terug. Wat moet een goede vertaler eigenlijk in huis hebben?

Marieke Lucas Rijneveld gaf de vertaalopdracht terug van The Hill We Climb van de Amerikaanse Amanda Gorman.
Marieke Lucas Rijneveld gaf de vertaalopdracht terug van The Hill We Climb van de Amerikaanse Amanda Gorman. Foto Lars van den Brink

De ophef over wie het wereldberoemde gedicht The Hill We Climb van Amanda Gorman al of niet mag vertalen, heeft de schijnwerper gericht op een beroepsgroep die normaal gesproken onzichtbaar blijft. Eén die taalbarrières slecht, culturele verschillen overbrugt en nooit zelf een wig zal willen drijven tussen de schrijver van wie hij de tekst vertaalt, en de lezer ervan.

Wie het gedicht dat spokenworddichter Amanda Gorman voordroeg bij de inauguratie van de Amerikaanse president Joe Biden in elk geval niet meer zal vertalen, is schrijver en dichter Marieke Lucas Rijneveld. Zij gaf de opdracht eind vorige week terug, na kritiek op de keuze van uitgeverij Meulenhoff voor haar als vertaler. Zij zou, volgens critici, onvoldoende affiniteit hebben met de Afro-Amerikaanse achtergrond van de dichteres, te ‘wit’ zijn om de essentie van het gedicht aan te voelen. De uitgeverij verdedigde de keuze, door te onderstrepen dat Rijneveld net als Gorman jong en succesvol is – ze won de International Booker Prize – en beschikt over dezelfde „passie en strijd voor een inclusieve samenleving”. Maar waarom, vroegen diezelfde critici, was de vertaalopdracht niet gegund aan een Afro-Nederlandse dichter of spokenwordartiest? Namen van jonge, zwarte, vrouwelijke kunstenaars als Babs Gons, Zaïre Krieger en Sydney Lowell werden gesuggereerd.

Ineens is de vertaler onderwerp van discussie, en dan vooral over wie hij of zij moet zijn. Nu zijn Rijneveld, Gons en Krieger allen ook géén vertalers, althans niet van beroep. Misschien moet eerst de vraag worden beantwoord wat een vertaler eigenlijk moet kunnen, wat moet je in huis hebben om een tekst niet alleen leesbaar voor anderstaligen te maken, maar ook begrijpelijk?

Michele Hutchison won vorig jaar samen met Marieke Lucas Rijneveld de International Booker Prize met haar Engelse vertaling van Rijnevelds debuutroman De avond is ongemak. „Gevoel voor taal hebben is één.” Een vertaling is nooit één op één de woorden omzetten, zegt zij. „Je bouwt een tekst helemaal opnieuw op.” De betekenis van woorden doet ertoe, maar ook de toon, de onderliggende betekenis, de context, de nuances doen ertoe. „Een vertaler moet bereid zijn zich onder te dompelen in de te vertalen brontekst. Je onderzoekt, vraagt anderen en de auteur wat hij precies bedoelt.” Voor De avond is ongemak raadpleegde ze regelmatig de Bijbel om net de juiste formulering te vinden. „Soms verlies je betekenis. De naam Dieuwertje Blok heb ik in de vertaling laten staan. Daarvoor kon ik geen geschikt Engels equivalent vinden.”

Tweetaligheid is geen pré

Arthur Langeveld is vertaler Russisch-Nederlands en promoveerde in 1988 bij Karel van het Reve op het proefschrift Vertalen wat er staat. Zijn conclusie: iedereen met enige aanleg kan leren vertalen. „Het is net als pianospelen.” Een uitstekende beheersing van het Engels is een vereiste, zegt hij. Tweetaligheid is juist geen pré. „Tweetaligen zijn vaak tolk, en zelden vertalers.” Zelf noemde Rijneveld zich in een interview in 2020 de Louis van Gaal van de Nederlandse Letteren met haar „steenkolen-Engels.” Op zichzelf geen ramp, denkt vertaler Engels-Nederlands Erik Bindervoet, hij vertaalde romans van James Joyce én songteksten van Bob Dylan en The Beatles. „Zo verschrikkelijk ingewikkeld is het Engels van Gormans gedicht niet. Met middelbare school-Engels kun je een heel eind komen.”

Lees ook dit interview met Marieke Lucas Rijneveld: ‘Ik heb schrijven nodig om overeind te blijven’

Vertalen is een vak, en gedichten vertalen is weer een vak apart, zeggen vrijwel alle vertalers. De Vlaamse Katelijne De Vuyst maakte al een Nederlandse vertaling van het gedicht. Qua inhoud is het een prima, letterlijke vertaling, zegt Arthur Langeveld. Alles in dit gedicht is bedoeld om het voor te dragen. Aan de vertaler de taak het werk wakker te kussen, mooi te maken. „De vorm, de rijm, de alliteratie, de assonanties, het vlammende en swingende ervan wil je lezen en horen.” Spoken word, dichtkunst bedoeld om voor te dragen, is weer een tandje moeilijker, zegt schrijver Soortkill. Hij stelde het Smibanese Woordenboek samen, een straattaal-woordenboek. Volgens hem zou het goed zijn om de opdracht te geven aan een spokenwordartiest. Hutchison: „Een dichter die een dichter vertaalt is heel gebruikelijk.” Babs Gons, een spokenwordartiest, wordt vaak genoemd als opvolger van Rijneveld. Toevallig werd dit weekend bekend dat zij het Boekenweek-gedicht zal schrijven en zij laat via haar woordvoerder, weten zich daarop te „focussen”.

Doet afkomst ertoe?

De gedroomde vertaler beheerst de taal uitstekend, heeft gevoel voor poëzie, in het bijzonder voor voordrachtskunst. Moet de vertaler ook nog vrouw, jong en zwart zijn? Doet afkomst, levenservaring, affiniteit met de Amerikaanse geschiedenis ertoe? Nee, zegt Langeveld. „Een goede vertaler is een kameleon, die zich volledig inleeft en zelf onzichtbaar blijft.” Bindervoet zegt dat het juist niet de bedoeling is dat schrijver en vertaler dezelfde culturele achtergrond delen. „Dat is juist het omgekeerde van wat vertalen is. Per definitie heeft de vertaler een ándere achtergrond.” Het is geen noodzaak iemand aan te wijzen met vergelijkbare antecedenten, maar het is wel een „gemiste kans”, zegt Soortkill. Gormans voordracht, op het grootst denkbare politieke podium, bracht velen die eeuwen werden achtergesteld in vervoering. „Het was mooi geweest als die lijn in Nederland was doorgezet.”

Lees ook dit profiel van Amanda Gorman: Een jonge dichter die put uit diepe bronnen

Bindervoet vertaalde acht jaar geleden het gedicht dat de zwarte dichteres Elizabeth Alexander voordroeg bij de inauguratie van Obama. „Dat was destijds totaal geen punt.” Hij deed zijn werk, zegt hij, zoals vertalers dat altijd doen, dienend en in stilte. Zo hoort het te gaan, zegt Michele Hutchison: „Een vertaler wordt afgerekend op de kwaliteit van zijn werk, niet op zijn identiteit, juist niet.” Maar nu ligt het anders. „Het gedicht is op een podium de wereld ingezonden, niet op papier. Het gaat dus niet om de vertaling, maar om de voordracht.” Daar een dichter-vertaler bij zoeken uit die spokenwordtraditie, is wat haar betreft de enig logische keuze. Het was, zeggen ook Bindervoet en Langeveld, wel chic geweest en bovendien „heel spannend” om te zien wat zo’n kunstenaar ervan maakt.