Heupwiegen en stofzuigen zijn eigenaardige taalfenomenen

Taal Een zelfstandig naamwoord ín een werkwoord? In het Fries gebeurt zoiets vaker dan in het Nederlands: vader aardappelrooit de hele dag.

Foto Professional Studio

In het Nederlands zijn er maar een paar werkwoorden waar een zelfstandig naamwoord in zit. Stofzuigen, heupwiegen, slaapwandelen, tandenknarsen... Er zijn talen waar dit schering en inslag is. Als het Nederlands het op die schaal zou doen, zouden we hier zinnen hebben als: ‘Ik heb niet geautokocht maar gebootkocht’ (ik heb geen auto gekocht maar een boot), ‘Het visruikt’ (Het ruikt naar vis) en ‘Het sneeuwvalt’ (Er valt sneeuw).

Marieke Olthof promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek waarin zij keek naar talen waarin dit veel gebeurt. Die zijn met name te vinden in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, in Australië en in de Stille Oceaan.

Dat ‘stof’ in ‘stofzuigen’ echt in het werkwoord zit, zie je het duidelijkst aan het voltooid deelwoord, ge-stof-zuig-d, dat uit vier stukjes bestaat: een voorvoegsel (ge-), een zelfstandig naamwoord (stof), de stam van het werkwoord (zuig), en een uitgang (-d). In de talen die Olthof bestudeerde kun je meestal, dankzij voorvoegsels en uitgangen, goed zien dat het zelfstandig naamwoord niet áán het werkwoord vastgeplakt zit, maar erín zit.

We hebben gevleesgeten

In sommige talen bestaan er twee mogelijkheden naast elkaar: je kunt het naamwoord gewoon buiten het werkwoord laten staan, en je kunt het erin stoppen. Je kunt zeggen ‘Hij hoedt de koeien’, maar ook zoiets als: ‘Hij koehoedt.’ Of ‘We hebben vlees gegeten’, maar ook: ‘We hebben gevleesgeten.’

Olthof vroeg zich af: wat is er allemaal mogelijk op dit gebied? Er is veel variatie. Bijvoorbeeld, een lijdend voorwerp wordt gemakkelijker door een werkwoord opgeslokt dan een onderwerp. Dat laatste is in het Nederlands zelfs ondenkbaar. Dat je ‘sneeuw’ in ‘vallen’ stopt of ‘man’ in ‘lopen’. „Zo’n constructie ontstaat altijd bij de meest voor de hand liggende vormen”, zegt Olthof. „Daarna kan het eventueel uitgebreid worden naar minder voor de hand liggende, complexere vormen. Het lijdend voorwerp is hier de meest voor de hand liggende vorm. Vaak gaat het om combinaties die verwijzen naar een in de betreffende cultuur veel voorkomende activiteit.” Dus: rendierjagen, haasvangen, messlijpen, banaaneten, gezichtwassen, oogwrijven, huidschilderen.

Lijdend voorwerpen die door een werkwoord worden opgeslokt, verwijzen meestal naar niet-levende zaken, en ook vrij vaak naar dieren of planten. Dat ze naar mensen verwijzen komt veel minder voor. Wat helemaal zeldzaam is, maar niet helemaal onmogelijk, is dat er een eigennaam in het werkwoord wordt opgenomen: bijvoorbeeld de naam van een persoon of de naam van een stad.

Er blijken werkwoorden te zijn die heel gemakkelijk een zelfstandig naamwoord opnemen: wassen, snijden, hakken, eten, vangen, doden. En er zijn er die dat nauwelijks doen: zien, zeggen, noemen.

Soms is datgene wat het werkwoord opneemt iets met een voorzetsel erin. Het voorzetsel valt dan bijna altijd weg. Juist dit komt in het Nederlands ook voor. In je slaap wandelen wordt: slaapwandelen. Met de vingers verven: vingerverven. Met de heupen wiegen: heupwiegen.

Een enorm lang woord

Er zijn talen waarin het zelfstandig naamwoord in het werkwoord vergezeld kan gaan van een bijvoeglijk naamwoord. In het Mapundungun (Chili, Argentinië) betekent de uit slechts één woord bestaande zin ‘Adkintuwengillanmansunkiyawi’: Hij is de nieuw gekochte os aan het hoeden. Dit enorm lange woord bestaat achtereenvolgens uit zes stukjes: hoed, nieuw, gekocht, os, plus twee uitgangen die aangeven dat ‘hij’ het onderwerp is en dat men ‘rondlopend iets aan het doen’ is.

Nóg grotere eenheden opslokken – bijvoorbeeld iets dat op een bijzin lijkt – is Olthof niet tegengekomen. Of het onmogelijk is, weet ze niet. Misschien wordt het ooit nog ergens ontdekt.

In de zinsbouw gebeuren soms ook gekke dingen. Dat je zoiets kunt zeggen als ‘Ik botschilderde deze’ (= Ik schilderde deze botten) of ‘Ze katkochten twee’ (= Ze kochten twee katten).

Het Fries was een van de dertig talen die Olthof bekeken heeft. Daarin kan op dit gebied wat meer dan in het Nederlands. Dan kun je dingen zeggen als: ‘De kapper begjint te hierknippen’ (De kapper begint te haar-knippen) en ‘Heit ierappeldolt de hiele dei’ (Vader aardappelrooit de hele dag). De constructie is langzaam aan het verdwijnen. Steeds meer Friezen zeggen het nu op de Nederlandse manier: ‘De kapper begjint hier te knippen.’