Coronakabinet Rutte III: van crisis naar crisis

Kabinet-Rutte III Toeslagen, corona, stikstof: Rutte III kende vele crises. En al werd het geen vriendenclub, toch was het geen vechtkabinet. Terugblik van binnenuit, over het afbranden van elkaars carrières en het opsturen van speciaalbiertjes.

Heidag in 2019 in het Brabantse hotel Bos en Ven in Oisterwijk dat in het laatste oorlogsjaar dienstdeed als zenuwcentrum voor het toenmalige kabinet.
Heidag in 2019 in het Brabantse hotel Bos en Ven in Oisterwijk dat in het laatste oorlogsjaar dienstdeed als zenuwcentrum voor het toenmalige kabinet. Foto Bart Maat /ANP

Het begin - Whisky in het Catshuis

De drank was op. Toch was deze avond, op woensdag 25 oktober 2017, zo mooi begonnen. De formatie was voorbij, het regeerakkoord van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie was gepresenteerd en de volgende dag zou Ruttes derde kabinet worden beëdigd. Nu waren alle aankomende ministers en staatssecretarissen bij elkaar gekomen voor een etentje in het Catshuis – om elkaar beter te leren kennen. Rutte organiseerde altijd zo’n avondje als hij een nieuwe ploeg bij elkaar had.

Hij had voor deze avond filmpjes laten maken. Oud-bewindslieden, onder wie Jeroen Dijsselbloem en Sharon Dijksma, kwamen vanaf een scherm met huis-tuin- en keuken-tips over de enorme tassen met werk die ze mee naar huis zouden krijgen, over de chauffeur die ineens voor de deur zou staan. Rutte zelf praatte over het belang van samenwerken, en hij vond dat ze allemaal moesten meedoen aan het gymuurtje op dinsdag- en vrijdagochtend in de fitnesszaal van Defensie.

Lees ook: Het ‘coronakabinet’ dat werd gekenmerkt door wantrouwen

Er was een voorstelrondje geweest. Minister van Economische Zaken Eric Wiebes (VVD) vertelde over zijn brave zoons die met hun hoofd in de wolken zo tegen een lantaarnpaal konden botsen. „Wat een dotjes”, noemde hij hen. Staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken (CDA), die na hem aan de beurt was, zei dat háár zoons heel anders waren. Zij was allang blij als ze die lantaarnpalen niet zouden slopen. Je had minister voor Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag (D66) die vertelde hoe ze de hele wereld was overgegaan, en daarna minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker (VVD) die zei dat hij „deze vierkante kilometer” van Den Haag nooit had verlaten. Bruno Bruins, minister voor Medische Zorg (VVD), vertelde over zijn liefde voor muziek. Hij hield vooral van funk – Chaka Khan en Earth, Wind & Fire – en over de cartoons die hij tekende. Minister van Justitie Ferdinand Grapperhaus (CDA) begon over zijn vakantie in Italië en zijn klassieke Mercedes cabrio.

Ze zaten aan ronde tafels in de grote zaal met aan het plafond een enorme kroonluchter. „Met van die Swarovski-steentjes erin”, zou een van de bewindslieden later zeggen. Er werd veel gelachen. Rond een uur of half elf gingen veel collega’s naar huis. Gastheer Rutte zelf ook. Aan één tafel was nog bijna niemand dat van plan. Daar zaten Menno Snel, staatssecretaris van Financiën (D66), minister van Sociale Zaken Wouter Koolmees (D66), minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven (D66), Mona Keijzer en Sander Dekker.

Maar toen was er niets meer te drinken. Ze hadden zin in whisky. Personeel van het Catshuis ging voor hen op zoek, ze haalden een fles te voorschijn die de ene minister later zou omschrijven als „bocht”, de ander als „goedkope supermarktwhisky”. Ze waren toch maar gebleven tot die helemaal op was.

Een kabinet, dat wisten ze allemaal, werd nooit een hechte vriendengroep. Dat hoefde ook niet. Ze gingen wel met z’n allen veel meemaken. Er zouden, dat gebeurde altijd, mensen worden weggestuurd door de Tweede Kamer of zelf aftreden. Makkelijk werd het nooit, en niemand begreep beter wat je kon overkomen dan je naaste collega’s.

Drie jaar later, na het aftreden van Menno Snel door de Toeslagenaffaire, stond Sander Dekker samen met zijn vrouw bij Snel voor de deur. Met een fles whisky. Wél een goede.

Dekker ging ook langs bij Bruno Bruins die aan het begin van de coronacrisis, maart 2020, was omgevallen en ontslag nam. Voor hem had hij biertjes gekocht – Corona-biertjes. Ook voor Eric Wiebes, die aftrad in januari 2021, nam Dekker speciaalbiertjes mee. Mona Keijzer stuurde zes biertjes uit Volendam naar Wiebes. En vice-premier Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) stuurde hem het boek The happy traitor – ze had de recente biografie over de Britse dubbelspion George Blake in één ruk uitgelezen.

Lees ook: Kritiek op Rutte? Bijna iedere partij krijgt te horen: ‘U was er zelf bij’

Het kabinet bereidt in 2020 tijdens eene informele bijeenkomst op het Catshuis het komende politieke jaar voor. Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

Het Einde - Tweede rang in de Rolzaal

In de ministerraad van vrijdag 15 januari, de laatste van Rutte III als missionair kabinet, stuurde Mona Keijzer een sms’je naar Rutte. Die zat wat verderop aan tafel. Hij had tegen de collega’s gezegd dat het kabinet naar zijn mening niet anders kon dan aftreden om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de Toeslagenaffaire, waardoor tienduizenden ouders onterecht waren behandeld als fraudeurs. En hij had Eric Wiebes het woord gegeven – die vertelde dat hijzelf ook nog zijn ontslag zou aanbieden. Wiebes was in het kabinet-Rutte II staatssecretaris van Financiën en voelde zich, zei hij, verantwoordelijk voor wat er was misgegaan. Ministers mochten daarna reageren, het was niet de bedoeling dat staatssecretarissen ook wat zeiden. Maar Keijzer had jaren met Wiebes samengewerkt op hun ministerie van Economische Zaken, zij wilde óók het woord.

In de grote Rolzaal waar ze sinds de coronacrisis bij elkaar kwamen, boven de Ridderzaal op het ministerie van Algemene Zaken, viel je gemakkelijk buiten het gezichtsveld van de premier. En dus: een sms’je was het beste.

Het was in de ministerraad lang niet altijd goed gegaan tussen Rutte en Keijzer. Keijzer vond dat de premier haar nooit liet uitpraten en zei daar soms iets van. Andere vrouwen klaagden daar ook wel over bij Ruttes ambtenaren: Sigrid Kaag, en ook Cora van Nieuwenhuizen, minister van Infrastructuur (VVD) en Ank Bijleveld van Defensie (CDA). Rutte, vonden ze, had de neiging om vrouwen minder serieus te nemen. Rutte en Keijzer waren het zelfs een keer gaan uitpraten bij een etentje.

Maar nu mocht ze iets zeggen. Net als de ministers sprak ze haar respect voor hem uit, en zei dat ze hem zou gaan missen.

Aan het begin van de coronacrisis hadden de ministers nog wel geprobeerd om in de vertrouwde Trêveszaal te blijven zitten, met wat meer afstand tussen de stoelen. Maar met staatssecretarissen erbij werd het krap en het voelde niet helemaal eerlijk: er werd een soort ‘tweede rang’ gecreëerd, met kleine tafeltjes los van de hoofdtafel.

In de Rolzaal hadden de ministers en staatssecretarissen andere problemen. De akoestiek was er beroerd, als iemand iets fluisterde, stoorde dat meteen de hele vergadering. Tot grote irritatie van Rutte. En het was er steenkoud. Wekenlang, totdat het probleem was opgelost, hielden bewindslieden hun sjaal om.

Lees ook: ‘Wij staan in Nederland niet allemaal voor Rutte te klappen’

Ruttes rondje - Crisis en controle

Als voorzitter van de liberale jongerenclub JOVD, eind jaren tachtig, had Rutte al geleerd dat het uitmaakte wie je in vergaderingen als eerste het woord gaf. Het kon helpen als na jou iemand die het met je eens was ook iets zei. Dan was de toon gezet – mensen hebben de neiging om die daarna over te nemen. Aan tafel in de ministerraad viel het de niet-VVD’ers op dat de premier bijna altijd eerst naar links keek als er een rondje werd gemaakt. Daar zat, naast een rijtje ambtenaren, zijn partijgenoot Sander Dekker. Na Dekker was het de beurt aan minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven, die van de D66-ministers meestal niet de meest kritische was. Daarna had je de VVD’ers Van Nieuwenhuizen en Wiebes, en dan pas Wouter Koolmees van D66 en de drie vicepremiers: Carola Schouten (ChristenUnie), Hugo de Jonge (CDA) en Kajsa Ollongren (D66).

Als Rutte het rondje de andere kant zou laten opgaan, kwam eerst minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) aan het woord. Rutte, zagen de anderen, lette er altijd goed op dat er geen openlijke onenigheid was tussen hem en Hoekstra. Als de minister van Financiën het niet eens was met plannen van anderen, steunde Rutte hem. Zo hield je een kabinet stabiel.

Maar het was niet zeker dat de steun andersom net zo vanzelfsprekend was. Na het vertrek van CDA-leider Sybrand Buma, in de zomer van 2019, werd al snel duidelijk dat Hoekstra een electorale concurrent kon worden van Rutte. De anderen aan tafel zagen ook dat de premier met zijn handige charme vat kreeg op bijna iedereen in zijn kabinetsploeg, maar níet op Wopke Hoekstra. Die omgang bleef, zagen anderen, wat afstandelijk.

Dat was ook zo tussen Rutte en Kaag, maar dat lag jarenlang vooral aan Rutte zelf. Die ging pas op haar letten, en haar nadrukkelijk bij discussies betrekken, toen ze in het voorjaar van 2020 kandidaat-lijsttrekker was geworden van D66. Hij leek haar niet te zien als een grote concurrent.

De rondjes van Rutte, met Sander Dekker voorop, zagen collega’s als een handigheidje – een manier van de premier om aan tafel de controle te houden. Wat veel ministers echt dwars zat, was de manier waarop Rutte III al vanaf het begin de belangrijkste beslissingen nam: in het coalitieoverleg op maandag van de vier fractievoorzitters in de Tweede Kamer met de premier en de drie vicepremiers. De ministerraad op vrijdag was volgens sommige bewindslieden niet meer dan een stempelmachine: de compromissen van maandag werden nog eens doorgenomen en goedgekeurd.

Door de coronacrisis verloor het coalitieoverleg aan macht en invloed: voor de bestrijding van het virus had je weinig aan een politiek compromis, het was nu alle hens aan dek op de ministeries. Het betekende alleen helemaal niet dat de ministerraad macht en invloed kréég. Rutte organiseerde op zondagen steeds een speciaal, informeel Catshuisberaad over corona. Daar werden de belangrijkste beslissingen besproken en eigenlijk ook al genomen. De dagen erna was er crisisoverleg met veel mensen, ook ministers, en op dinsdagavond was er een persconferentie. Kon je het nog meer buiten de ministerraad om doen dan zo?

Heel soms waren er bewindslieden die in opstand kwamen. Zoals die keer dat de avondklok voor het eerst werd verlengd, begin februari. In de ochtend kwamen ministers en adviseurs bij elkaar voor crisisoverleg, er stond voor ’s middags al een persconferentie gepland. „Ik heb er de hele dag voor uitgetrokken”, zei een van de ministers – die geen zin had om zich te laten opjagen door Rutte. „En ik wil nu wel wat kunnen terugzeggen.”

Lees ook: ‘Het gevallen mapje en de crisis in Rutte III’
Heidag in 2019 in het Brabantse hotel Bos en Ven in Oisterwijk dat in het laatste oorlogsjaar dienstdeed als zenuwcentrum voor het toenmalige kabinet.
Foto’s Bart Maat en Robin van Lonkhuijsen / ANP

Teambuilding - Voetbal bij het Catshuis

Mark Rutte fietste op vrijdagmiddag 15 januari naar paleis Huis ten Bosch om de koning het ontslag van zijn kabinet aan te bieden. Zoals hij ook naar het Catshuis fietste voor het corona-overleg op zondag, of naar het stembureau in zijn buurt als er verkiezingen waren. Toch had Rutte heel lang helemaal geen fiets. Twee VVD’ers hadden in de tijd van Rutte II voor hem een fiets uitgezocht: Sander Dekker en Eric Wiebes, die zelf ook graag fietsten en er verstand van hadden. Rutte had zelf wel als voorwaarde gesteld dat het een Nederlands merk moest zijn.

De minister-president was bewegen steeds belangrijker gaan vinden. Als hij niet op reis was, gymde hij altijd mee met collega’s uit het kabinet – op dinsdag- en vrijdagochtend in de fitnessruimte van Defensie, vanaf half acht. Op dinsdag was hij er samen met Sander Dekker, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Raymond Knops (CDA), Ank Bijleveld, Menno Snel. Op vrijdag deed Wopke Hoekstra ook weleens mee, soms Ingrid van Engelshoven, minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok (VVD). Rutte stopte altijd een paar minuten eerder dan de anderen.

De meesten bleven nog even voor het ontbijt: sinaasappelsap en veel eieren. Hoekstra niet, hij was snel weg en douchte op zijn eigen ministerie.

Waar wél iedereen aan meedeed waren de familiedagen. In augustus 2018 waren de bewindslieden, hun partners en kinderen bij de brandweer in Den Haag. Ze blusten brandjes, sneden auto’s open die te water waren geraakt, redden ‘slachtoffers’ uit een brandend huis, veegden schoorstenen.

Zo’n dag eindigde traditioneel met een etentje in het Catshuis. Na twee ijsjes, als toetje, kwam een van de kinderen van Raymond Knops aan zijn ouders vragen of hij er nog een mocht. „Meneer Rutte heeft er ook al drie op.”

Ze voetbalden op het grasveld: de kinderen tegen de bewindslieden. Daar deed Rutte niet aan mee. De jonge kinderen Hoekstra vielen op door hetzelfde fanatisme als hun vader.

Rutte deed wel weer actief mee aan de sportdag, het familieuitje van een jaar later in Utrecht. Onder begeleiding van bekende sporters gingen ze hockeyen, boogschieten, zaalvoetballen en ze kregen boksles van Rico Verhoeven. De kickbokser deed staredowns met de ministerskinderen. De derde familiedag ging niet door, toen was het al crisis door corona.

Hugo of Wopke - Machtsstrijd in het CDA

Als Hugo de Jonge het woord kreeg, wist de rest: dit duurt even. Hij stond bekend om zijn lange verhalen. In Kamerdebatten, in de persconferenties over corona – en dus ook in de ministerraad. Als De Jonge aan de beurt was, namen veel collega’s hun mailbox door. Of ze appten grapjes naar elkaar. „Dit kan ook wel in twee zinnen, Hugo.” De Jonge begon er zelf misschien wel het vaakst over. „Ik zal proberen het kort te houden”, zei hij dan. Of: „Dit is zó mooi, hier wil ik even de tijd voor nemen.”

Dat De Jonge in augustus vorig jaar was gekozen tot CDA-lijsttrekker, betekende weinig voor de collega’s van de andere drie partijen. Er werden aan tafel wel grappen gemaakt over zijn nieuwe rol. Kregen mensen na een test of een vaccinatie een briefje mee naar huis met ‘bedankt voor uw stem op Hugo de Jonge’? Dat was de tekst die de vrouw van lijsttrekkersconcurrent Pieter Omtzigt te zien had gekregen toen ze, wist ze zeker, op Omtzigt had gestemd.

In de ministerraad zagen ze wel hoe ingewikkeld hij kennelijk lag in het CDA zelf. Ineens waren bewindslieden als Hoekstra, Keijzer en Bijleveld het opvallend vaak met hem oneens. Grapperhaus nam het dan voor hem op. En bij anderen groeide juist de sympathie voor De Jonge – die had het zichtbaar heel zwaar. Bewindslieden die zagen hoe hard hij werd behandeld, viel het op dat hij zich zelf nooit negatief uitliet over zijn partijgenoten. Hij wist zich ook te beheersen in november, toen de onenigheid over het coronabeleid tussen Hoekstra en De Jonge zo hoog was opgelopen dat ze elkaar wekenlang niet spraken en elkaars telefoontjes wegdrukten. In het CDA-smaldeel lagen in die periode meer bewindspersonen met elkaar overhoop: ook Ferd Grapperhaus en Mona Keijzer zouden een tijdje nauwelijks on speaking terms zijn geweest. En als Grapperhaus en Hoekstra bij elkaar aan tafel zaten, begonnen ze vaak elkaars carrières af te branden – Grapperhaus was advocaat geweest, Hoekstra consultant.

De eufemistische toon die De Jonge erover aansloeg, hij had even een „wat minder goede relatie” met zijn partijcollega’s, was niet terug te horen bij andere CDA’ers.

Voor Hoekstra was de sympathie bij andere regeringspartijen veel minder groot. Ze vonden hem afstandelijk en als ze geld van hem nodig hadden, weinig meedenkend. Het leidde soms tot zoveel irritatie dat collega’s probeerden om in het coalitieoverleg geld te regelen voor hun plannen, buiten Hoekstra om, of in de Tweede Kamer. Bewindslieden vonden dat hij vooral bezig was met de ‘Wopke Vooruit Show’: hij was druk met de buitenwereld, met publiciteit en zijn profiel. Al vanaf het begin van deze kabinetsperiode zagen sommige collega’s Hoekstra’s ambitie: „Wopke doet het allemaal om premier te worden.”

Ze vonden hem ook ijdel en wel erg tevreden met zichzelf. Dat hij in februari in een campagnefilmpje met Sven Kramer schaatste in Thialf, de schaatsbaan die wegens corona gesloten was voor niet-topsporters, leidde dan ook tot verbazing. De vrijdag nadat het filmpje was verschenen werd hij er, serieus en grappenderwijs, ook in de ministerraad op aangesproken. Kajsa Ollongren, net als Hoekstra een fervent amateurschaatster, riep dat hij eigenlijk maar één echte fout had gemaakt. Hij reed niet op noren maar op toerschaatsen. Dat deed je toch niet op het wedstrijdijs van Thialf?

Corona - Crisis en controle II

Bewindslieden waren na een tijdje in de ministerraad bezwaar gaan maken tegen steeds dezelfde ronde linksom, met als eerste Sander Dekker. De kritiek was vooral dat het dan te lang duurde, bij een rondje moest echt iedereen iets zeggen – was dat wel echt nodig? Rutte luisterde, hij wende zichzelf aan een nieuwe manier van doen: hij ging eerst na wie iets wilde zeggen over een onderwerp, en ging soms linksom langs al die sprekers, soms rechtsom.

Bij grote onderwerpen, denk aan het ontslag van het hele kabinet, gaf hij eerst het woord aan zijn drie vicepremiers, in volgorde van grootte van de partijen.

„Zo zullen we”, zegt er eentje, „de geschiedenisboeken in gaan. Het coronakabinet.”

In de coronacrisis waren de ministers en staatssecretarissen er zelf al snel aan gewend geraakt dat ze scherp moesten opletten. Rutte en De Jonge waren een hecht coronateam – ze maakten soms grappen die alleen zij tweeën snapten – en nogal dwingend in hun ideeën. Voordat je het wist was er iets beslist op jóúw terrein, onderwijs bijvoorbeeld of iets met de winkels, zonder dat jij je ermee had kunnen bemoeien. Je kon er als bewindspersoon van Binnenlandse Zaken ook niet blind vanuit gaan dat die twee wel zouden opletten dat de avondklok in maart niet net afliep midden in de drie dagen van de verkiezingen.

Aan de irritaties en boze buien van Rutte waren ze allemaal wel zo’n beetje gewend geraakt. „Geen scheldwoorden en niet schreeuwen”, herinnerde een bewindspersoon zich die eens aan de beurt was, „maar onredelijk en op hoge toon”. En hij gaat altijd nét iets te lang door. „Op een gegeven moment weet je het wel. Ik geloof dat hij vooral even zijn punt wil maken.”

Rutte kon woedend worden om grote dingen – toen er vorig najaar een golf van letterlijke citaten uit de ministerraad lekte bijvoorbeeld. Maar ook over kleinere kwesties, waar hij zich aan ergerde. Wie niet goed te verstaan was, kreeg te horen: „In de microfoon graag!” Het overkwam Grapperhaus vaak. Hij moest zich over de tafel heenbuigen om dichter bij de microfoon te komen, maar anderen zagen dat zijn buik hem dan in de weg zat. Op een dag hadden de medewerkers van Ruttes ministerie het opgelost: hij had een speciale, wat langere microfoon voor zich op tafel staan.

Vanaf de zomer van 2020, toen foto’s naar buiten kwamen van zijn bruiloft waarop hij zich niet aan de coronaregels hield, gebruikte hij die een tijdje veel minder. Voor die tijd had Grapperhaus de gewoonte om zich met van alles te bemoeien, daarna werd hij stil, een beetje teruggetrokken. Pas begin 2021 leek hij die affaire achter zich te hebben gelaten.

Wat voor kabinet ze precies waren met z’n allen? In elk geval, valt te horen, géén vechtkabinet. Er ontstond niet al veel hartelijkheid tussen de vier partijen, er was vaak genoeg wantrouwen en er waren een paar weken in het najaar van 2020 dat er elke keer weer letterlijke citaten uit de ministerraad in de krant stonden - Rutte zei dat hij zoiets nooit eerder had meegemaakt. Maar het ging voorbij en ook al werden ze geen vriendenclub, tussen de bewindslieden zelf was de omgang vaak genoeg wél vriendelijk. Zo kreeg Kajsa Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken (D66) in de maanden dat ze ziek was van Mona Keijzer paaseitjes opgestuurd, van Sander Dekker kreeg ze druiven. Mark Rutte belde haar vaak. Carola Schouten appte haar, Grapperhaus liet soms zijn chauffeur bij haar langsrijden met kleine attenties.

Ze waren, denken bewindslieden, vooral het kabinet van de ene crisis na de andere – over het kinderpardon, klimaat, stikstof, de toeslagen. En de allergrootste: corona.

„Zo zullen we”, zegt er eentje, „de geschiedenisboeken in gaan. Het coronakabinet.”

Correctie (27 februari 2021): in een eerdere versie van dit artikel stond dat de ministerraad van 15 januari 2021 de laatste van Rutte III was als demissionair kabinet. Dat moet zijn als missionair kabinet en is hierboven aangepast.