Recensie

Recensie Boeken

Simon (19) raakt verstrikt in een affaire met de twintig jaar oudere Carla

Peter Terrin Zijn negende roman is ogenschijnlijk een afgerond verhaal, maar blijft ergens ook ongrijpbaar. Dat komt met name door zijn boeiende, raadselachtige personages.

Foto Julia Christe/ Getty images

Spanning oproepen is eigenlijk heel eenvoudig. Door net genoeg ongerijmds te suggereren en net niet te veel te zeggen laat Peter Terrin je meteen in de val lopen, in de eerste alinea van zijn negende roman Al het blauw. ‘Het lichaam ligt midden op het lege parkeerterrein. Het ligt plat op de rug, met de armen gestrekt langs de romp, de voeten bij elkaar. Over de betonnen vlakte hangt het blauwe licht van de dageraad. Het is windstil.’ Er ligt dus een lichaam – dood of levend, dat staat er niet, maar ‘lichaam’ suggereert weinig leven. Al ligt dat lichaam, ‘het’, er wel erg keurig bij, ‘de voeten bij elkaar’: niemand valt zo netjes neer, toch? Er is iets niet pluis, een leeg parkeerterrein, een ‘betonnen vlakte’ heet het zelfs naargeestig, is niet echt een logische plek om te gaan liggen, en ‘windstil’ suggereert een onheilspellende bewegingloosheid.

Het is maar een interpretatie – van een roman willen we tenslotte dat er iets gezégd wordt, terwijl de wereld zelf zelden spreekt. Peter Terrin (1968) zegt er dan ook niet bij wat we moeten denken of voelen, hij laat de dingen zien. Intussen stuurt hij wel je denken en voelen, door op die menselijke neiging tot betekenis in te spelen, door de spanning op te drijven. Door in dit geval een jongen met een hond het toneel te laten betreden, die het lichaam ziet liggen, maar uit de buurt blijft. De jongen vertrouwt het niet – dit tafereel is te eigenaardig, ‘alsof het in scène is gezet’, alsof hij in een film speelt: ‘Is hij het doel van deze opvoering, is op hem, het publiek, gewacht?’ Hij besluit niet mee te spelen, zijn leven en lot niet te laten beïnvloeden. Hij botst op een verhaal, maar lichtjes, hij schampt als het ware langs het verhaal. En keert onbewogen huiswaarts.

Dit is niet hét verhaal van Terrins roman, het is een proloog die uitgroeit tot een zijlijn (maar die wel mijn lezing van Al het blauw ingrijpend heeft bepaald, waarover zo meer). Aan het begin van de vijf episodes waaruit de roman bestaat, keert het verhaal van de jongen steeds even terug. Helemaal onbewogen laat het hem niet, en de lezer evenmin: die wil nog steeds weten wat daar aan de hand was op het parkeerterrein van de oude, verlaten fabriek. En wat dat te maken heeft met het grote verhaal – je vreest het ergste.

Intiem moment

Al het blauw gaat over de negentienjarige Simon en de twintig jaar oudere Carla, in een stadje in het België van eind jaren tachtig. Hij studeert iets waar hij niets in ziet (en geeft er dan ook de brui aan), tuft rond in zijn Mazda, hangt avondenlang in het café. Zij staat daar al jaren achter de toog, bij Azzurra, het café naast het openbare zwembad, heeft een woelige voorgeschiedenis, haar man is trucker en eigenaar van Azzurra, dus ook haar baas. Er vlamt iets op tussen Simon en Carla. Het is onmiddellijk duidelijk waarom zij elkaar vinden: hun lust is het sprankje kleur in een grauwe wereld, een ontsnapping uit een leven dat een beknelling is.

Terrins zinnen zijn koel en helder maar toch absoluut niet gevoelloos, ze zijn uitgepuurd en uitgebalanceerd en toch vloeiend en niet ostentatief

Een verlangen dat ingelost wordt! En dat komt over, doordat Terrin je heel dicht bij de personages brengt. Dat zit ’m in de stijl: Terrins zinnen zijn koel en helder maar toch absoluut niet gevoelloos, ze zijn uitgepuurd en uitgebalanceerd en toch vloeiend en niet ostentatief. Hij noteert handelingen en waarnemingen zonder die emotioneel te duiden, en tegelijkertijd zegt alles wat er staat wel iets over de personages. Hier, in een intiem moment van Simon met Carla: ‘Hij beheerst zich, wacht, luistert naar haar adem en de klanken die ze dicht bij zijn oor verzucht, de nagalm van woorden die leven achter haar ogen.’ Dat die woorden ‘leven achter haar ogen’ zegt natuurlijk vooral iets over hém, over wat hij meent te zien, wat hij wil zien. Zo toont Terrin ook de vertedering en zorg van Carla in plaats van die te benoemen, in een scène waarin zij naar het zwembad kijkt: ‘In de rechterbaan springen kinderen als kuikentjes een voor een in het wilde water.’ Kuikentjes! Wild water!

Er zijn nog twee andere dingen die sterk opvallen aan de stijl in Al het blauw. Ten eerste schrijft Terrin alinea’s als afgeronde eenheden, telkens een regel of tien en dan afgebakend met een witregel, waarna hij geregeld wisselt van perspectief: het verhaal lijkt daardoor telkens even stil te staan, telkens maakt de schrijver een nieuwe momentopname. Ten tweede wordt het gehele verhaal verteld in de tegenwoordige tijd, ook als het een herinnering of gegeven uit het verleden betreft (‘Een jaar geleden […] gaat de fabriek dicht’, staat al op de eerste bladzijde) – wat een beetje eigenaardig is, maar ook functioneel. Die mechanieken tonen perfect hoezeer de personages opgaan in het heden, in de gedroomde eeuwigheid van het moment. En hoezeer ze weg willen uit de groef van hun verleden en zich schrap zetten voor de toekomst.

Handtastelijke fotograaf

Dat geldt nog wel het meest voor Simon, die gezegend is met een grote beminnelijkheid en een aantrekkelijk uiterlijk, waardoor mensen hem direct waarderen. Hij heeft meteen enorm succes als hij een baantje aanneemt als verkoper van zeer lucratieve spaarbeleggingen (het voelt enorm louche, maar niemand ruikt onheil). Denk ook aan de scène waarin een fotografenvriend hem uitgebreid fotografeert op een strand, vervolgens avances maakt en zich op zijn aanblik aftrekt, zonder dat Simon enige sjoege geeft. Alles overkomt hem: Simon bezit iets ongrijpbaars dat toch geweldig bekoort, zonder dat er echt iets bijzonders aan de hand lijkt of hij er iets voor hoeft te doen. De suggestie is kennelijk al genoeg.

Dat is iets wat je ook over de roman zou kunnen stellen. Al het blauw vertelt eigenlijk een vrij eenvoudig, overzichtelijk verhaal over opgroeien en ontsnappen – over een affaire die alles heeft van een soap. Ze spreken af op onooglijke tijdstippen en clandestiene locaties, om onopgemerkt te blijven, maar toch wordt de Mazda per ongeluk door een kennis gespot, toch ontspint er zich een kluwen van leugens waarin Simon en Carla verstrikt dreigen te raken. En toch wordt het meer dan die soap, omdat Terrin die plot niet helemaal uitspeelt – zoals er de eerste keer dat Simon en Carla seks hebben en iemand hen dreigde te betrappen, tóch niets gebeurde.

Lees ook de recensie van Patricia, Peter Terrins vorige roman: Hoe een hedendaagse westerse vrouw uit haar kooi ontsnapt

Dat roept herinneringen op aan andere boeken uit Terrins oeuvre. Monte Carlo (2014): een racemonteur redt een beroemdheid uit een vlammenzee, verwacht roem, liefde, heldenverering, maar er gebeurt niets. Patricia (2018): een vrouw loopt weg uit haar gezinsleven en er gebeurt niets – en keert weer terug, schijnbaar met een andere identiteit – en er gebeurt weer niets. Alsof Terrin niet helemaal gelooft in catharsis, in een climax, in oorzaak en gevolg. Het leek op een spel met de beroemde verhaalwet van Tsjechov: moest dat pistool uit het eerste bedrijf wel echt afgaan? Het was veelzeggend dat hij in Yucca (2016) twee personages uit eerdere boeken opnieuw opvoerde: de paranoïde vader uit Blanco (2003) die zijn zoon in een gouden kooi stopte en tot de ultieme daad van risico-uitschakeling overging, en Renée, een meisje dat in Post mortem (2014) een herseninfarct kreeg maar het overleefde. De afgeronde verhalen bleken niet afgerond – hun verhalen werden in het gedurfde Yucca raadselachtiger, grilliger.

Onheilspellend

In zekere zin lonkt Terrins nieuwe roman ook naar zo’n vervolg. Al het blauw is ogenschijnlijk een afgerond verhaal, maar het blijft toch iets ongrijpbaars houden, omdat de personages weten te boeien maar toch ook iets raadselachtigs houden – en er blijven lijntjes onafgehecht. Het blijft ongewis of die spaarbeleggingen nou wel of niet te vertrouwen zijn, om maar iets te noemen. En zonder het einde van de roman te verklappen: het is wel zeker dat de liefde tussen Simon en Carla ná de periode die in het boek beschreven wordt iets blijvends achterlaat, maar toch is het nog de vraag of hun verlangens echt zijn ingelost.

Alleen al omdat Terrins roman, zoals hierboven uitgelegd, slechts een heden kent. Maar het was eerder in de roman, toen Simon in een opwelling meende te kunnen besluiten dat de affaire niet werkte, ook al een veeg teken hoe hij in die toestand keek naar de keuken van zijn ouderlijk huis, plots niet meer met afkeer maar met vredige berusting: ‘Alles staat op zijn plaats, het koffiezetapparaat, de fruitmand. Alles is brandschoon. Het is aandoenlijk. De plantjes op de vensterbank zijn groen. De zeep ligt ijsblauw in het bakje. De vaatdoek hangt gevouwen over de waterkraan.’ En dan eindigt het hoofdstuk – onheilspellende bewegingloosheid. Alsof het allemaal voor niets geweest is. Of is dat maar een interpretatie?

Met dat lichaam op het parkeerterrein blijkt het ook anders te zitten dan Terrin deed vermoeden met zijn suggesties van spanning, of dan ik meende te herkennen. Toen ik dat doorkreeg voelde het als een anticlimax, wat me vervolgens juist confronteerde met de verwachtingen die ik als lezer koesterde – ook al omdat deze roman conventioneler voelde en Terrin minder ontregelende fratsen uithaalde dan in zijn vorige roman Patricia. Ik verwachtte ditmaal dat de suggestie van spanning wel ingelost zou worden, dat alles aan het einde in elkaar zou grijpen, dat er een catharsis zou komen en dat het allemaal iets zou betekenen.

Het slotbeeld van de roman nodigt uit om daaraan te twijfelen. Daar zien we twee auto’s botsen, maar er is nauwelijks schade, ze hadden elkaar slechts geschampt. ‘De voorste chauffeur steekt zijn richtingaanwijzer aan, de tweede volgt zijn voorbeeld. Beheerst geven ze gas en rijden de weg op, elk een andere kant uit. Ze verdwijnen in het verkeer.’