Recensie

Recensie Beeldende kunst

Hoe kunst ons kan helpen ontsnappen aan kloktijd

Kunstbeschouwing Door naar kunst te kijken kun je jezelf buiten de tijd plaatsen en je in de eeuwigheid wanen, zo blijkt uit de nieuwe essay-bundels van Bernard Dewulf en Joke J. Hermsen.

Kijken naar een ongetiteld schilderij van Agnes Martin in de Tate Modern in Londen.
Kijken naar een ongetiteld schilderij van Agnes Martin in de Tate Modern in Londen. Foto FACUNDO ARRIZABALAGA/EPA

Het licht op een hoogzomermiddag. Dat je dan, onverhoeds, de leegte in kan tuimelen, de verlatenheid, de wanhoop bijna. De eenzaamheid, zegt Bernard Dewulf. ‘Momenten van grondeloze eenzaamheid’. Die eenzaamheid woont ergens in ons, schrijft hij. We hebben het er meestal niet over, eerder gaat het over ‘depressie’ of eenzaamheid als sociaal verschijnsel, niet over de afgrond, het blauwe niets dat zich ergens in onszelf bevindt en dat zich ineens, pijnlijk, kan openen. En dan tuimel je. Tuimelt Dewulf. Tuimelingen heeft hij zijn essays genoemd.

De lezer valt zeker niet stuk na stuk de leegte in. Integendeel, Dewulf kijkt zoekend en vragend om zich heen en wat hij ziet heeft vaak met stilte, licht, intimiteit te maken. Met het lichaam en de eenzaamheid van het lichaam. Met het verlangen en de onvervulbaarheid ervan, want ja, we zijn eenzaam, we kunnen niet met iets of iemand anders samenvallen. Maar het is geen tragische kwestie, vindt Dewulf, ‘met de jaren heb ik er de genade en de schoonheid van ingezien’. Het verlangen is een eeuwige nadering die ook juist veel veroorzaakt. Kunst bijvoorbeeld.

Bernard Dewulf (1960) is dichter, toneelschrijver en essayist en vooral is hij een enorme kijker. En een zich-afvrager. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af hoe wij elkaar graag zien en of we elkaar graag zouden zien (ook in de betekenis van ‘van elkaar houden’) als we geen verbeelding zouden hebben? Hoe zouden we überhaupt kunnen leven als we geen verbeelding hadden?

Zo stelt hij eerst in een aantal stukken wat van die tuimelende vragen en dan begint hij te kijken. Bijvoorbeeld naar zijn geliefde schilder Bonnard. Zeg daar nog maar eens iets nieuws over, denkt de lezer bij voorbaat blasé – maar dan vergeet je even dat iets nieuws zeggen ook een kwestie is van nieuwe woorden vinden. Dewulf schrijft over een Bonnard-tentoonstelling: ‘overal zag ik het verlangen van deze schilder naar het nabije’. Ineens gaat Bonnards werk dan ook over het oningeloste, over de onmogelijkheid om samen te vallen met wat je ziet, of het nu zijn vrouw Marthe is – Dewulf merkt op dat het niet meegevallen moet zijn om vijftig jaar lang bekeken te worden – of het ongrijpbare licht dat de dingen hun verschijning geeft.

Bonnard moet ooit eens gezegd hebben dat hij wilde schilderen wat iemand ziet wanneer hij een kamer binnenkomt ‘we zien alles en tegelijkertijd niets’. Dat noemt Dewulf ‘de onbeslistheid van het ogenblik’. Van een afstandje, zegt Dewulf, lijk je bij Bonnard te kijken naar een heldere eenheid. Maar kom je dichterbij dan zie je ‘een wemelende veelheid’.

Hoe je gaat verlangen om voor een Bonnard te staan als je dit stuk leest, en nu nog eens te kijken, beter, anders, met andere woorden in je hoofd, die je blik zullen aansturen en je dan los zullen laten in het schilderij, om het te ondergaan.

Zo zou ik nu ook dolgraag eens werk zien van Agnes Martin, een Canadees-Amerikaanse kunstenares die uiterst verstilde ‘rasters’ tekende, met potlood, soms met wat verf. Die rasters gaan volgens haar over ‘geluk’. De zalen waar haar werk hing in Tate Modern in 2015 waren nogal leeg, schrijft Dewulf. Al die witte zalen met grote werken waarop je bijna niets ziet – dat de mensen denken: ik ga wel ergens anders kijken kun je je voorstellen. Maar na lezing van dit stuk denk je dat niet meer.

Martin wilde zelf ‘gedachteloos’ zijn. Dewulf probeert ‘gedachteloos’ langs haar werk te lopen. Lukt natuurlijk niet. ‘Wie zonder gedachten is, werpe de eerste steen.’ Hij gaat stilstaan en kijken. Hij vertelt ons over de leegte en hoe de kijker dan, zo is de kijker nu eenmaal, zoekt naar ‘betekenis’. ‘Terwijl uitgerekend dit werk er alles aan doet om ons elke betekenis uit het hoofd te praten.’ Het wil dat we gewoon kijken en ‘gelukkig’ zijn. Hoe weeiig Dewulf dat ook vindt, zijn essay gaat daar uiteindelijk wel in geloven.

Eeuwigheid

Gedachteloos worden en onszelf buiten de tijd kijken, de eeuwigheid in, is ook wat schrijfster en filosofe Joke Hermsen (1961) van het naar kunst kijken verlangt, in haar verzamelbundel Ogenblik & eeuwigheid. Haar inleidende stuk gaat over de tijd, een onderwerp waar ze het al vaak in haar essays over gehad heeft, over het verschil tussen de meetbare ‘kloktijd’ en de door ons ervaren tijd, tussen de voort stromende tijd, Chronos, en het juiste of het specifieke moment, Kairos. Kunst, zegt Hermsen kort samengevat, laat ons ontsnappen aan de kloktijd, dan komen we in een andere, meer bezielde tijdsbeleving, die van Kairos, ‘die tot nadenken aanspoort en zo het juiste momentum voor verandering kan voorbereiden’. Wat voor verandering dat zou moeten zijn? Hermsen verwacht veel van kunst: dat we erdoor bezield en geïnspireerd raken, dat we een nieuwe mens worden, empathischer, meer in staat ons in anderen te verplaatsen. In haar stuk over Mark Rothko bijvoorbeeld, spreekt ze over het ‘herscheppen van menselijkheid’ door ‘de verbinding van ‘‘transcendentale ervaringen” enerzijds en de politieke betrokkenheid op de wereld anderzijds’ waardoor er ‘zowel een nieuwe visie als een nieuwe verbondenheid met anderen’ kan ontstaan.

Wie aan echte museumbezoekers denkt, lijkt het nogal theoretisch om te veronderstellen dat zij daarna met ‘een grotere ethische betrokkenheid’ in de wereld staan. Maar natuurlijk heeft Hermsen gelijk als ze stelt dat men door een kunstwerk als het ware geopend wordt, begeesterd raakt en daardoor opnieuw kan beginnen – althans dat dat zo lijkt. We weten anderzijds ook dat de grootste ellendelingen in tranen kunnen raken van muziek en dat die ervaring niets aan ze verbetert.

Hermsen maant de lezer steeds om als het ware uit de tijd te stappen. Dat is wel eens jammer, ze is het interessantst als ze zich echt in het werk van een kunstenaar verdiept en daar omheen denkt. In haar stuk over Marlene Dumas bijvoorbeeld maakt ze boeiende omwegen over wat het betekent om thuis te zijn en hoe men daarvoor juist het vreemd-zijn moet kennen. Haar inzet is hoog, en het enorme vertrouwen dat ze in kunst heeft om de wereld te verbeteren is ontwapenend. Maar ze zou, om met een woord van Dewulf te spreken, wat ‘zinnelijker’ mogen schrijven, zodat we wat meer te ondergaan en wat minder te filosoferen kregen.